Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1888

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201305972/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:7855, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2012, voor zover thans van belang, heeft de minister een verzoek van de vreemdeling om restitutie van door hem betaalde leges voor een aanvraag van de vreemdeling om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201305972/1/V1.

Datum uitspraak: 19 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister van Buitenlandse Zaken (lees: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie)

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 juni 2013 in zaak nr. 12/36799 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2012, voor zover thans van belang, heeft de minister een verzoek van de vreemdeling om restitutie van door hem betaalde leges voor een aanvraag van de vreemdeling om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) afgewezen.

Bij besluit van 31 oktober 2012, voor zover thans van belang, heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 juni 2013, voor thans van belang, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit dient te nemen op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In zijn grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2011 (in zaak nr. 201010355/1/H2), dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb. Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voornoemde uitspraak niet toepasselijk is op het verzoek van de vreemdeling om restitutie, nu het niet gaat om een rechtsmiddel dat na afloop van de voor het indienen daarvan gestelde termijn is ingesteld. Voor de indiening van verzoek om restitutie is geen termijn gesteld en het verzoek was zonder meer ontvankelijk, aldus de staatssecretaris. Voorts verwijst hij naar het uit de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2011 (in zaak nr. 201007667/1/V3) voortvloeiende beoordelingskader voor dergelijke verzoeken om restitutie.

2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

3. Uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 2 september 2011 volgt dat een verzoek tot restitutie van leges dat niet binnen de voor het instellen van rechtsmiddelen gestelde termijn is ingediend, is aan te merken als een verzoek om terug te komen van het besluit dat is genomen op de aanvraag tot verlening van een mvv. Op een beroep tegen de handhaving van de afwijzing van zodanig verzoek is het in 2 vermelde beoordelingskader van toepassing.

4. De vreemdeling heeft op 19 oktober 2011 een verzoek gedaan om restitutie van leges betaald voor een in 2009 ingewilligde mvv-aanvraag. Voornoemde uitspraak van de Afdeling van 21 september 2011 heeft betrekking op de vraag onder welke omstandigheden de termijnoverschrijding van een na de daarvoor gestelde termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift verschoonbaar kan worden geacht. Het verzoek van de vreemdeling kan echter, gelet op de bewoordingen ervan, niet worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit tot inwilliging van zijn mvv-aanvraag, maar dient, wederom gelet op de bewoordingen ervan en gelet op voormelde uitspraak van 2 september 2011, te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit dat is genomen op zijn aanvraag om verlening van een mvv. Op het beroep tegen de handhaving van de afwijzing van dit verzoek was het in 2 vermelde beoordelingskader van toepassing.

De staatssecretaris voert terecht aan dat de vraag onder welke omstandigheden de termijnoverschrijding van een na de daarvoor gestelde termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift verschoonbaar kan worden geacht, niet relevant is voor het antwoord op de vraag of de rechtbank toepassing had dienen te geven aan het in 2 vermelde beoordelingskader. Nu, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 24 december 2013 (in zaak nr. 201300497/1/V1), voor de toepasselijkheid van het in 2 vermelde beoordelingskader voorts niet is vereist dat het eerdere afwijzende besluit in rechte onaantastbaar is geworden, heeft de rechtbank ten onrechte aanleiding gezien het in 2 vermelde beoordelingskader niet van toepassing te achten.

Hetgeen de vreemdeling naar voren heeft gebracht met betrekking tot voormelde uitspraak van 2 september 2011 geeft daarvoor, gelet op hetgeen is overwogen in voormelde uitspraak van de Afdeling van 24 december 2013, evenmin aanleiding.

De vreemdeling heeft geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd. Evenmin kan uit hetgeen hij heeft aangevoerd worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan. Derhalve is een rechterlijke toetsing van het besluit van 31 oktober 2012 niet gerechtvaardigd.

De grieven slagen.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 31 oktober 2012 gegrond heeft verklaard, dit besluit heeft vernietigd voor zover het betrekking heeft op het verzoek om restitutie van leges betaald voor de mvv-aanvraag, heeft bepaald dat de minister in zoverre een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, de minister heeft veroordeeld in de proceskosten in beroep en heeft bepaald dat de minister het door de vreemdeling betaalde griffierecht vergoedt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 31 oktober 2012 in zoverre alsnog ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 juni 2013 in zaak nr. 12/36799, voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 31 oktober 2012 gegrond heeft verklaard, dit besluit heeft vernietigd voor zover dit betrekking heeft op het verzoek om restitutie van leges betaald voor de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf, heeft bepaald dat de minister van Buitenlandse Zaken in zoverre een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen, de minister heeft veroordeeld in de proceskosten in beroep en heeft bepaald dat de minister het door de vreemdeling betaalde griffierecht vergoedt;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep in zoverre ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Idema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2014

512.