Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1886

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201306441/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:1464, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:3855, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 april 2012 heeft het college aan Stichting Zorgpartners Friesland (hierna: vergunninghoudster) omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van zorgcentrum De Spiker op het perceel Saltryperlaan 1 te Harlingen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306441/1/A1.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Harlingen,

tegen de tussenuitspraak van 14 maart 2013 en de einduitspraak van 25 juni 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, in zaak nr. 12/2338 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Harlingen.

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2012 heeft het college aan Stichting Zorgpartners Friesland (hierna: vergunninghoudster) omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van zorgcentrum De Spiker op het perceel Saltryperlaan 1 te Harlingen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 26 september 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 14 maart 2013 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om het door haar haar geconstateerde gebrek in dat besluit te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college op 18 april 2013 een nieuw besluit genomen. [appellant] heeft hierop bij brief van 26 april 2013 gereageerd.

Bij uitspraak van 25 juni 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 26 september 2012 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven en het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 18 april 2013, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft vergunninghoudster een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van uitbreidingen aan de uiteinden van de twee vleugels van het zorgcentrum. In de uitbreidingen zijn gezamenlijke woonkamers en (bij)keukens voorzien. Niet langer in geschil is dat realisering van het bouwplan niet zal leiden tot een toename van de parkeerbehoefte. Voorts staat vast dat de uitbreidingen deels zijn voorzien op het huidige parkeerterrein en in het bouwplan niet is uitgewerkt hoeveel parkeerplaatsen op het perceel zullen worden gerealiseerd en waar die zullen worden gerealiseerd. Het perceel [locatie], waar [appellant] woont, ligt in de directe omgeving van het perceel.

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat vergunninghoudster op de zitting van de voorzieningenrechter en tijdens de zitting van de rechtbank weliswaar uitdrukkelijk heeft toegezegd dat het aantal parkeerplaatsen na realisering van het bouwplan ten minste gelijk zal zijn aan het bestaande aantal parkeerplaatsen, maar het college aan de verleende omgevingsvergunning ten onrechte geen voorschrift heeft verbonden waarin de toezegging is vastgelegd. Daarom heeft de rechtbank het college bij de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld dit aan het besluit van 26 september 2012 klevende gebrek te herstellen.

3. Bij het besluit van 18 april 2013 heeft het college de bij het besluit van 3 april 2012 verleende omgevingsvergunning gewijzigd in die zin, dat aan de activiteit bouwen een extra voorschrift wordt verbonden, luidende: "Het aantal parkeerplaatsen dient na realisering van het bouwplan tenminste gelijk te zijn aan het huidige aantal parkeerplaatsen." In het besluit van 18 april 2013 is voorts vermeld dat dit voorschrift wordt geacht vanaf de datum van het besluit deel uit te maken van de vergunning.

4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder b, wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het extra voorschrift te onbepaald is, waardoor dit onvoldoende waarborgen biedt met betrekking tot het parkeren. Hij voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat het voorschrift geen peildatum ter bepaling van het aantal parkeerplaatsen dat oorspronkelijk aanwezig was bevat, en dat daarin evenmin het aantal parkeerplaatsen is bepaald, dat na realisering van het bouwplan moet worden aangelegd. Ook is de rechtbank in de einduitspraak ten onrechte niet ingegaan op de stelling in zijn brief van 26 april 2013, dat het extra voorschrift ten onrechte geen bepaling bevat dat de parkeerplaatsen op het eigen terrein moeten worden gerealiseerd. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het voorschrift geen bepaling hoeft te bevatten over de afmetingen van de parkeerplaatsen als bedoeld in artikel 2.5.30, tweede lid, van de bouwverordening, aldus [appellant].

6. Gezien de bewoordingen van het extra voorschrift is het aantal parkeerplaatsen op 18 april 2013 het uitgangspunt en moet het aantal parkeerplaatsen na realisering van het bouwplan ten minste het aantal op die datum bedragen. Aangezien het oorspronkelijke aantal parkeerplaatsen 29 bedroeg, betekent dit dat na realisering van het bouwplan eveneens 29 parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel, dat het voorschrift in zoverre onvoldoende duidelijk is. Voor het oordeel dat in het extra voorschrift de bepaling had moeten worden opgenomen dat de parkeerplaatsen op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd alsook een bepaling over de afmeting van de parkeerplaatsen, heeft de rechtbank voorts terecht geen aanleiding gezien. Uit de bij de aanvraag behorende tekening alsmede de foto en tekeningen die ter zitting van de voorzieningenrechter zijn getoond, blijkt dat de omvang van het eigen terrein ruim voldoende is om de bedoelde parkeerplaatsen te realiseren. Gelet hierop en op de met betrekking tot de parkeerplaatsen door vergunninghoudster uitdrukkelijk gedane toezegging zowel ter zitting van de voorzieningenrechter als tijdens de mondelinge behandeling van het beroep, dat het aantal parkeerplaatsen na realisering van het bouwplan ten minste gelijk zal zijn aan het huidige aantal parkeerplaatsen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien het extra voorschrift anders uit te leggen dan dat dit betrekking heeft op parkeerplaatsen van voldoende omvang die op het eigen terrein worden aangelegd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat vergunninghoudster in haar schriftelijke uiteenzetting van 1 oktober 2013 heeft laten weten dat zij zich vanzelfsprekend aan de in de bouwverordening voorgeschreven afmetingen zal houden en dat zij er alle belang bij heeft dat het terrein ten behoeve van het parkeren goed wordt ingericht. Voorts wordt in aanmerking genomen dat vergunninghoudster zowel ter zitting van de voorzieningenrechter als in de schriftelijke uiteenzetting te kennen heeft gegeven het parkeerterrein in overleg met de omwonenden te zullen inrichten.

Overwogen wordt voorst dat indien zou blijken dat niet aan de omgevingsvergunning en het daaraan verbonden extra voorschrift wordt voldaan, het college tegen die overtreding door middel van handhavende maatregelen kan optreden.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

374-619.