Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1881

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201305582/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied West" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201305582/1/R4.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Lageland, gemeente Slochteren,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Idem-Dito Vastgoed B.V., gevestigd te Zeewolde,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Slochteren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied West" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en Idem-Dito Vastgoed beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Idem-Dito Vastgoed heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2014, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, Idem-Dito Vastgoed, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door B. Hollander en drs. M. Smit, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan biedt een actueel juridisch-planologisch kader voor vier afzonderlijke gebieden, die behoren tot het buitengebied van de gemeente Slochteren.

3. Ter zitting heeft Idem-Dito Vastgoed haar beroep ingetrokken.

4. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" voor het perceel aan het Slochterdiep 3, wat de aan het perceel toegekende gekoppelde bouwvlakken betreft. Volgens [appellant sub 1] zijn de bouwvlakken waarin het plan voorziet ten onrechte ten opzichte van het voorheen geldende plan gewijzigd en, in strijd met de bedoeling van de raad zoals die blijkt uit een schets die in januari 2013 is gemaakt, strak op de gevel begrensd. [appellant sub 1] stelt dat het voor de ontwikkeling van de melkveehouderij noodzakelijk is dat bouwvlakken met een totale oppervlakte van 2 hectare worden toegekend. Ter zitting heeft [appellant sub 1] voorts gesteld dat het vanuit logistiek oogpunt nodig is dat uitbreiding rechts naast de bestaande stallen kan plaatsvinden. Volgens [appellant sub 1] kan ook met een bouwvlak rechts naast de bestaande bebouwing worden voldaan aan de afstandsnormen die volgens de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten moeten worden aangehouden tussen zijn bedrijf en de woningbouw die de raad op korte afstand van zijn perceel heeft voorzien.

4.1. Volgens de raad is de schets van het bouwvlak waarnaar [appellant sub 1] verwijst gemaakt tijdens een overleg met [appellant sub 1] dat is gevoerd naar aanleiding van de door [appellant sub 1] naar voren gebrachte zienswijze. De schets is uitsluitend bedoeld ter verduidelijking van deze zienswijze; zij is geen wijzigingsvoorstel van de zijde van de raad voor een bouwvlak, aldus de raad. Wat de ligging van de bouwvlakken in het plan betreft, heeft de raad toegelicht dat hij wenste te voorzien in woningbouw op de nabij het perceel van [appellant sub 1] gelegen IJsbaanlocatie. Gelet daarop kon het bouwvlak zoals dat in het voorheen geldende bestemmingsplan was toegekend, niet langer worden gehandhaafd, aldus de raad. De raad heeft het bouwvlak daarom gedeeltelijk verplaatst naar de noordzijde van de bestaande bebouwing, zodat aan de afstandsnormen uit de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten kan worden voldaan en het bedrijf niet in de bedrijfsvoering zal worden beperkt. Op deze wijze heeft de raad zo veel mogelijk willen aansluiten bij het door [appellant sub 1] gewenste bouwvlak. Wat de totale oppervlakte van de bouwvlakken betreft, stelt de raad dat een oppervlakte van 1 hectare op basis van provinciaal en gemeentelijk beleid het uitgangspunt vormt. Om het gedeelte van het bouwvlak dat vanwege de woningbouw niet kon worden toegekend te compenseren, heeft de raad bouwvlakken met een totale oppervlakte van 1,5 hectare toegekend. Dit vormt een verruiming ten opzichte van het voorheen geldende plan, welk plan voorzag in een bouwvlak met een oppervlakte van 1,6 hectare, waarvan 1 hectare mocht worden bebouwd. Provinciaal en gemeentelijk beleid staan er volgens de raad aan in de weg dat bouwvlakken met de door [appellant sub 1] gewenste totale oppervlakte van 2 hectare worden toegekend.

4.2. Volgens de verbeelding is aan het perceel aan het Slochterdiep 3 de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" toegekend. Voorts zijn volgens de verbeelding aan het perceel drie bouwvlakken toegekend, die door middel van relatietekens aan elkaar zijn gekoppeld. Aan een gedeelte van het noordelijk gelegen bouwvlak is verder de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor een agrarisch bedrijf, met uitzondering van een intensieve veehouderij.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, van de planregels worden bouwwerken ten dienste van deze bestemming gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen, waarbij bestaande bouwwerken zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder a, van de planregels mogen gebouwen, overkappingen en silo's uitsluitend gebouwd worden binnen een bouwvlak.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder b, van de planregels mogen kuilvoerplaten uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van het beginsel van bebouwingsconcentratie.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.3, van de planregels mogen ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1", in afwijking van het bepaalde in 3.2.2, uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2,50 meter.

4.3. Wat de betekenis betreft van de schets die is gevoegd als bijlage bij het verslag van de bespreking van 4 januari 2013, overweegt de Afdeling als volgt. In het verslag staat: "Op verzoek van de familie [appellant sub 1] is een schets aan de zienswijze toegevoegd met het gewenste bouwvlak. Deze schets komt overeen met de eerdere inspraakreactie". Hieruit kan worden afgeleid dat met de schets is geprobeerd aan te geven wat de wens van [appellant sub 1] was. De omstandigheid dat de raad geen bouwvlak heeft toegekend dat overeenkomt met de schets geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre heeft vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

4.4. Wat betreft de totale oppervlakte van de gekoppelde bouwvlakken, overweegt de Afdeling als volgt. Op grond van het voorheen geldende plan was aan het perceel van [appellant sub 1] een bouwvlak met een oppervlakte van 1,6 hectare toegekend, waarvan 1 hectare mocht worden bebouwd. In het onderhavige plan zijn aan het perceel gekoppelde bouwvlakken met een totale oppervlakte van 1,5 hectare toegekend, die volledig kunnen worden bebouwd. Dit leidt er volgens [appellant sub 1] echter niet toe dat hij ten opzichte van het voorheen geldende plan in een betere positie is gebracht. Hiertoe stelt [appellant sub 1] dat onder het voorheen geldende plan voeropslag ook buiten het bouwvlak mogelijk was, terwijl het onderhavige plan dat niet toestaat.

Ter zitting is vast komen te staan dat de voeropslag plaatsvindt op het gedeelte van het noordelijk gelegen bouwvlak waaraan de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1" is toegekend. De oppervlakte van dit gedeelte van het perceel is ongeveer 2700 m². Gelet hierop heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat hij onvoldoende gecompenseerd is met de toekenning van gekoppelde bouwvlakken met een oppervlakte die in totaal 0,5 hectare groter is dan het onder het voorheen geldende plan toegekende bouwvlak. Nu voorts niet aannemelijk is geworden dat [appellant sub 1] concrete plannen heeft voor de uitbreiding van zijn bedrijf, geeft het aangevoerde ook overigens geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de totale oppervlakte van de gekoppelde bouwvlakken heeft kunnen vaststellen op 1,5 hectare.

4.5. Wat betreft de situering van de bouwvlakken, overweegt de Afdeling als volgt. Het voorheen geldende plan voorzag in een bouwvlak dat bebouwing rechts van de ter plaatse gelegen stallen mogelijk maakte. In het onderhavige plan is ter plaatse van het gedeelte van het perceel rechts naast de stallen geen bouwvlak toegekend.

In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan evenwel geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Zoals onder 4.4 is overwogen, mocht de raad in redelijkheid uitgaan van gekoppelde bouwvlakken met een totale oppervlakte van 1,5 hectare. Gelet hierop en op de omstandigheid dat [appellant sub 1], zo is ter zitting vast komen te staan, niet wenst in te stemmen met een verkleining van het bouwvlak aan de noordzijde van het perceel en voorts geen concrete plannen heeft voor een uitbreiding van zijn bedrijf ter plaatse, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen bouwvlak rechts naast de ter plaatse gelegen stallen toe te kennen.

4.6. De betogen falen.

Conclusie

5. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

271-786.