Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1877

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201202455/5/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201202455/5/R3.

Datum uitspraak: 20 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te Loon op Zand,

en

de raad van de gemeente Loon op Zand,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" vastgesteld.

Bij tussenuitspraak van 11 september 2013, nr. 201202455/3/R3 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na verzending van deze tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken te herstellen.

Bij besluit van 16 december 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] beroep ingesteld. [verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbende A] en [belanghebbende B](hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 12 mei 2014, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. J. van Vulpen, advocaat te Utrecht, en [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door E. van Daesdonk, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door drs. B.L.J.M. Kobben, werkzaam bij Kobben Consultancy, als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen heeft [verzoeker] ter zitting stukken ingebracht.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Parkeerterrein

2. [verzoeker] verzoekt om schorsing van het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" en de aanduiding "parkeerterrein" voor de gronden aan de overzijde van het perceel [locatie] in Loon op Zand (hierna: het perceel). Een gedeelte van deze gronden is illegaal in gebruik als parkeerterrein voor het recreatiebedrijf van [belanghebbende] en volgens [verzoeker] had de raad dit parkeerterrein niet als zodanig mogen bestemmen. Volgens [verzoeker] ontstaan verkeersonveilige situaties als gevolg van het parkeerterrein, omdat bezoekers van het recreatiebedrijf de weg moeten oversteken. [verzoeker] stelt dat de Kraanven breed genoeg is om bussen aan de zijde van het perceel te laten parkeren, zeker als bij de ingang van het recreatieterrein enkele eenvoudige maatregelen worden genomen. Verder is volgens [verzoeker] de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" met de aanduiding "parkeerterrein" niet alleen toegekend aan het parkeerterrein, maar ook aan gronden die nog niet in gebruik zijn als parkeerterrein. Volgens [verzoeker] kunnen als gevolg van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" de gronden worden verhard en is dat niet in overeenstemming met het gemeentelijke beleid om het open landschap te behouden.

2.1. De voorzitter overweegt dat de raad zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat aan de gronden aan de overzijde van het perceel die niet in gebruik zijn als parkeerterrein ten onrechte de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" met de aanduiding "parkeerterrein" is toegekend. Gelet hierop ziet de voorzitter aanleiding ten aanzien van deze gronden de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

Wat betreft het gedeelte van de gronden dat reeds in gebruik is als parkeerterrein, overweegt de voorzitter dat op 17 april 2012 de rechtbank Breda uitspraak heeft gedaan die kracht van gewijsde heeft in een procedure naar aanleiding van een handhavingsverzoek van [verzoeker]. In die uitspraak is geoordeeld dat de Kraanven een smalle weg is en dat het parkeren van bussen in de berm van die weg de toegankelijkheid van de weg belemmert. Voorts is in die uitspraak geoordeeld dat niet is gebleken van bij de handhaving te dienen belangen die moeten prevaleren boven de belangen van verkeersveiligheid en de toegankelijkheid van de openbare weg zodat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Gelet op deze uitspraak is de voorzitter voorshands van oordeel dat de raad in redelijkheid het gebruik van deze gronden als parkeerterrein als zodanig heeft kunnen bestemmen. De voorzitter ziet derhalve geen aanleiding ten aanzien van deze gronden een voorlopige voorziening te treffen.

Tweede bedrijfswoning

3. [belanghebbende] betoogt dat geen spoedeisend belang bestaat bij het verzoek van [verzoeker] ten aanzien van de voormalige garage op het perceel die als tweede bedrijfswoning is bestemd.

De voorzitter acht niet uitgesloten dat voor de uitspraak in de bodemprocedure een omgevingsvergunning voor bouwen zal worden verleend voor de voormalige garage indien geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Daarbij betrekt de voorzitter dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat in een vooroverleg een aanvraag is ingediend voor uitbreiding van de voormalige garage. Voorts heeft [belanghebbende] ter zitting niet toegezegd dat voor de uitspraak in de bodemprocedure geen omgevingsvergunning voor bouwen zal worden aangevraagd. Gelet hierop bestaat spoedeisend belang bij het verzoek ten aanzien van het bestemmen van de voormalige garage als tweede bedrijfswoning.

3.1. [verzoeker] betoogt dat de voormalige garage op het perceel ten onrechte als tweede bedrijfswoning is bestemd. Volgens hem is de raad ten onrechte ervan uitgegaan dat de permanente bewoning van de voormalige garage door de ouders van [belanghebbende] onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan "Buitengebied 1997" viel. Voorts betekent de enkele omstandigheid dat gebruik onder het overgangsrecht valt volgens [verzoeker] nog niet dat een positieve bestemming is gerechtvaardigd, te meer nu een tweede bedrijfswoning in strijd is met artikel 11.1, van de Verordening ruimte 2012. [verzoeker] wijst er daarbij op dat in het plan het toegestane bouwvolume voor de tweede bedrijfswoning 450 m3 bedraagt, terwijl het huidige bouwvolume van de voormalige garage 300 m3 bedraagt.

3.2. Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, van de Verordening ruimte 2012, zoals deze luidde ten tijde van de vaststelling van het plan, voorziet een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, regels ter voorkoming van:

a. nieuwbouw van één of meer woningen of solitaire recreatiewoningen;

b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen.

Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid een bestemmingsplan voorzien in de nieuwbouw van ten hoogste één bedrijfswoning ten behoeve van een op grond van deze verordening toegelaten bedrijf binnen het bij dat bedrijf behorende bouwblok of bestemmingsvlak mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:

a. de noodzaak vanwege de aard van de bedrijfsvoering aanwezig is;

b. de noodzaak van deze nieuwbouw niet het gevolg is van een eerder aanwezig, doch afgestoten bedrijfswoning;

c. het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning te verzekeren, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2 in verband met de kwaliteitsverbetering van het landschap.

Het perceel ligt in de groenblauwe mantel.

3.3. De voorzitter overweegt dat in de voormelde uitspraak van de rechtbank is geoordeeld dat de permanente bewoning van de voormalige garage door de ouders van [belanghebbende] onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan viel, zodat daartegen niet handhavend kon worden opgetreden. Deze omstandigheid betekent evenwel nog niet dat de voormalige garage als een tweede bedrijfswoning dient te worden bestemd, anders dan de raad en [belanghebbende] menen. Dit volgt ook niet uit de tussenuitspraak, anders dan [belanghebbende] betoogt. Gebruik dat onder het overgangsrecht valt doet in beginsel geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen op een bestemming als tweede bedrijfswoning ontstaan. De raad diende nog steeds af te wegen welke regeling voor de permanente bewoning aanvaardbaar is. De raad kon daarbij ook kiezen voor minder vergaande regelingen dan een tweede bedrijfswoning, zoals een uitsterfregeling of een mantelzorgregeling. De regeling van de tweede bedrijfswoning waarvoor de raad heeft gekozen is naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in strijd met artikel 11.1 van de Verordening ruimte 2012, nu daarmee planologisch de nieuwbouw van een woning mogelijk wordt gemaakt. Gelet hierop ziet de voorzitter aanleiding ten aanzien van de tweede bedrijfswoning de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

Vijf recreatieverblijven

4. [verzoeker] verzoekt voorts de planregeling ten aanzien van de maximum toegestane oppervlakte voor de recreatieverblijven te schorsen. [verzoeker] betoogt dat in het gewijzigde plan ten onrechte een uitbreiding van het recreatiebedrijf met vijf recreatieverblijven met een totale oppervlakte van 215 m2 mogelijk wordt gemaakt, terwijl in het oorspronkelijke plan zes recreatieverblijven met een maximale totale oppervlakte van maar 150 m2 mogelijk werden gemaakt.

4.1. De voorzitter overweegt dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat reeds vijf recreatieverblijven met een totale oppervlakte van 215 m2 op het perceel staan en dat deze onder het voorheen geldende plan waren toegestaan. Voorts heeft de raad toegelicht dat per abuis in het oorspronkelijke plan de maximale oppervlakte van de recreatieverblijven op 150 m2 was gesteld en dat dit in het gewijzigde plan is hersteld. In het gewijzigde plan zijn derhalve voor de vijf recreatieverblijven geen extra bouwmogelijkheden opgenomen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding ten aanzien van deze vijf recreatieverblijven een voorlopige voorziening te treffen.

Proceskosten

5. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Loon op Zand van 16 december 2013 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2011", voor zover het betreft:

a. de aanduidingen "bedrijfswoning" en "maximaal aantal wooneenheden=2" die zijn toegekend aan het perceel [locatie] te Loon op Zand;

b. het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" en de aanduiding "parkeerterrein" voor de gronden aan de overzijde van het perceel die niet in gebruik zijn als parkeerterrein, zoals dat staat aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Loon op Zand tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat de raad van de gemeente Loon op Zand aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Driel Kluit

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2014

703.