Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1867

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201304905/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Glastuinbouw" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/560
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304905/1/R4.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop,

2. [appellante sub 2 A] en [appellante sub 2 B]. (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 2]), beide gevestigd te Nieuwveen, gemeente Nieuwkoop,

3. [appellant sub 3], wonend te Nieuwveen, gemeente Nieuwkoop,

4. [appellante sub 4], wonend te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop,

5. [appellante sub 5], gevestigd te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop,

6. [appellant sub 6], wonend te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop,

7. [appellant sub 7], wonend te Nieuwveen, gemeente Nieuwkoop,

8. [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 8]), beiden wonend te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop,

en

de raad van de gemeente Nieuwkoop,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Glastuinbouw" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellante sub 5], [appellante sub 6], [appellante sub 7] en [appellant sub 8] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbenden] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellante sub 5] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2014, waar [appellant sub 1], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door ir. G. Achterveld, [appellant sub 3], [appellante sub 4], bijgestaan door mr. A.T. Onbelet, [appellante sub 6], bijgestaan door mr. A.T. Onbelet, [appellante sub 7], bijgestaan door J.C.M. Mank-van der Hulst, [appellant sub 8], vertegenwoordigd door ing. E.W. Lamberts, en de raad, vertegenwoordigd door R. Kouch, werkzaam bij de gemeente en A.A.F. Hennekam en A.J.R. van Mackelenburg, beiden werkzaam bij de omgevingsdienst West-Holland, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de erven [persoon], vertegenwoordigd door [gemachtigden] gehoord.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor de bestaande glastuinbouwgebieden in de gemeente Nieuwkoop.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 4] en [appellante sub 6]

3. [appellante sub 4] en [appellante sub 6] kunnen zich niet vinden in het plandeel met de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1" voor zover die is toegekend aan percelen aan de Schilkkade. Het plan is volgens [appellante sub 4] in zoverre in strijd met de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland (hierna: de verordening), omdat ter plaatse van de genoemde aanduiding door middel van een wijzigingsbevoegdheid woningbouw wordt mogelijk gemaakt in het concentratiegebied.

3.1. De raad stelt dat hij op 20 december 2012 een ontheffing van de verordening heeft aangevraagd. Deze ontheffing is niet verleend.

3.2. Aan de betreffende gronden aan de Schilkkade is de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" en zijn de aanduidingen "wro-zone - wijzigingsgebied 1" en "zone - concentratiegebied" toegekend.

3.3. Ingevolge artikel 30, lid 30.2.2, van de planregels kunnen burgemeester en wethouders ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1" de in het gebied aangewezen bestemmingen wijzigen in de bestemming "Wonen" mits de volgende voorwaarden in acht worden genomen:

a. niet meer dan 10 woningen worden gerealiseerd;

b. een ontheffing is verkregen van de provincie Zuid-Holland voor de bouw van compensatiewoningen in het concentratiegebied voor glastuinbouw;

c. de kavelstructuur haaks op de weg/het water wordt geplaatst;

d. waarbij de woningen aan het water en op de dijk met de voorgevel naar de weg worden gericht;

e. de woningen daarachter 'in de polder' wat betreft bouwmassa ondergeschikt zijn aan de woningen aan het water op de dijk;

f. het peil van de woningen aan het water en op de dijk 0,5 m hoger worden gesitueerd dan het peil van de woningen in de achtergelegen polder;

g. de minimale afstand tot het aangrenzende agrarische bedrijf ten minste 50 m bedraagt;

h. de minimale afstand tot de aangrenzende woonbebouwing ten minste 6 m bedraagt;

i. de minimale perceelsbreedte ten minste 11 m bedraagt;

j. nieuwe woningen zijn uitsluitend toelaatbaar indien voldoende glas is gesloopt volgens de voorwaarden van de ruimte-voor-ruimte regeling zoals opgesomd in artikel 30, lid 30.1 onder a, sub 1, 3, 5, 7 en 8;

k. voor het overige wordt voldaan aan de regels van de woonbestemming in artikel 18 van deze regels.

3.4. Ingevolge artikel 3, eerste lid van de verordening, sluiten bestemmingsplannen voor gronden buiten de bebouwingscontouren (zoals aangegeven op kaart 1) bestemmingen uit die nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies mogelijk maken.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kunnen bestemmingsplannen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, voor gronden buiten de bebouwingscontouren de ontwikkeling van ruimte-voor-ruimte mogelijk maken.

Ingevolge het tweede lid, onder a, is ‘ruimte-voor-ruimte’ de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, kassen of andere gebouwen danwel de sanering van sierteelt en de bouw van één of meer compensatiewoningen ter plekke of in de directe omgeving van de gesloopte bebouwing of op een andere passende locatie. Hierbij moet onder meer voldaan worden aan de volgende voorwaarde:

v. de kassen zijn gelegen buiten de gebieden voor glastuinbouw (met uitzondering van transformatiegebieden) zoals aangeduid op kaart 2.

Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de verordening worden onder bestaande functies en bebouwing begrepen func¬ties en bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig aanwezig zijn, of waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening vrijstelling of bouwvergunning is verleend danwel een aanvraag om vrijstelling of bouwvergunning is ingediend die kan worden verleend, of die in overeenstemming met deze verordening tot stand zijn gekomen, of waarvoor ontheffing van deze verordening is verleend of wordt geacht te zijn verleend. Het vervangen van een rechtmatig aanwezig gebouw door een gebouw van gelijke aard, omvang en karakter wordt hieronder mede begrepen. In alle andere gevallen is sprake van nieuwe functies en nieuwe bebouwing. Onder nieuwe functies of nieuwe bebouwing wordt ook begrepen uitbreiding van bestaande functies en bestaande bebouwing, tenzij anders is bepaald of de bepaling zich daartegen verzet.

Ingevolge artikel 1, vijfde lid van de verordening zijn stedelijke functies woonfuncties en daaraan verbonden functies zoals parkeerplaatsen, sportvelden, zorgvoorzieningen, andere maatschappelijke voorzieningen, horeca, openbaar stedelijk groen, volkstuinen, stedelijk oppervlaktewater, begraafplaatsen en de daarbij behorende infrastructuur, alsmede bedrijfsfuncties en de daarbij behorende infrastructuur en voorzieningen, alsmede recreatiewoningen. Luchthavens en helihavens en de bijbehorende voorzieningen worden voor de toepassing van deze verordening niet beschouwd als stedelijke functies.

3.5. Vast staat dat het bestreden plandeel ligt buiten de bebouwingscontouren, zoals aangegeven op kaart 1 van de verordening. Eveneens staat vast dat het bestreden plandeel in het concentratiegebied voor glastuinbouw ligt, zoals aangegeven op kaart 2 van de verordening.

Nu het plan door middel van een wijzigingsbevoegdheid nieuwvestiging van stedelijke functies buiten de bebouwingscontouren en binnen het concentratiegebied, zoals aangeduid op kaart 2 van de verordening, mogelijk maakt, is het plan in zoverre in strijd met artikel 3, eerste lid, van de verordening.

Dat in de wijzigingsvoorwaarden is opgenomen dat van de wijzigingsbevoegdheid pas gebruik kan worden gemaakt nadat ontheffing is verkregen van artikel 3 van de verordening, betekent niet dat het plan in zoverre niet in strijd is met de verordening. Deze voorwaarde betreft immers een constructie waarvoor in de Wro geen grondslag kan worden gevonden. In de uitspraak van 26 oktober 2011 in zaak nr. 200909916/1/R1 heeft de Afdeling overwogen dat het niet in het stelsel van de Wro past dat een bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid bevat waarbij het gebruik van die bevoegdheid door het college van burgemeester en wethouders afhankelijk wordt gesteld van voorafgaande ontheffing door het college van gedeputeerde staten. Evenzo past het niet in het stelsel van de Wro dat gebruik van de wijzigingsbevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van een besluit van de provincie.

3.6. De beroepen van [appellante sub 4] en [appellante sub 6] zijn gegrond.

3.7. De aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1", ter plaatse van de percelen aan de Schilkkade, dient te worden vernietigd, wegens strijd met artikel 3 van de verordening.

3.8. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden van [appellante sub 4] en [appellante sub 6] met betrekking tot dit plandeel geen bespreking meer.

Het beroep van [appellant sub 3]

4. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover daarin aan het perceel [locatie 1], waarop een oude houten schuur en oude houten kassen staan, een woonbestemming is toegekend. [appellant sub 3] voert aan dat de woonbestemming ten onrechte is toegekend omdat de schuur nooit een woonbestemming heeft gekend en voorts niet ter compensatie de eis wordt gesteld dat de oude kassen worden gesloopt, zoals bij het toepassen van de ruimte-voor-ruimteregeling uit de verordening het geval kan zijn.

4.1. De raad stelt dat getracht is in het plan voor verschillende locaties, waarbij schuren illegaal werden bewoond, een oplossing te vinden. De raad heeft besloten een woonbestemming aan het perceel toe te kennen om een einde te maken aan de illegale situatie en omdat de bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven hierdoor niet wordt beperkt. Voorts stelt de raad dat met de erfgenamen van het perceel de afspraak is gemaakt dat bij de bouw van een nieuwe woning alle glasopstanden en de schuur zullen worden gesloopt. In die zin is voorzien in een compensatie tegenover het toekennen van een woonbestemming.

4.2. Aan het perceel [locatie 1] is de bestemming "Wonen" toegekend. Niet in geschil is dat op het perceel een oude schuur en oude houten kassen aanwezig zijn en dat de schuur onder het vorige plan geen woonbestemming had. Onbetwist is dat het gebruik van de houten schuur op het perceel [locatie 1], is aangevangen in strijd met het destijds geldende bestemmingsplan en dat dit gebruik derhalve op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening niet rechtmatig was. Gelet daarop is het mogelijk maken van een woonfunctie ter plaatse gelet op artikel 1, vierde en vijfde lid van de verordening aan te merken als nieuwvestiging van een stedelijke functie.

4.3. Vast staat dat het perceel [locatie 1] buiten de bebouwingscontouren ligt zoals aangegeven op kaart 1 van de verordening.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat geen toepassing is gegeven aan de ruimte-voor-ruimteregeling uit het tweede lid van artikel 3 van de verordening en dat evenmin een van de andere uitzonderingsmogelijkheden uit artikel 3 van de verordening aan de orde is.

Nu het plan aldus voorziet in nieuwvestiging van een stedelijke functie buiten de bebouwingscontouren en geen van de in de verordening opgenomen uitzonderingsmogelijkheden aan de orde is, is het plan voor zover aan het perceel [locatie 1] een woonbestemming is toegekend, in strijd met artikel 3 van de verordening.

4.4. Het beroep van [appellant sub 3] is gegrond.

4.5. Het plandeel met de bestemming "Wonen", ter plaatse van het perceel [locatie 1], dient wegens strijd met artikel 3 van de verordening te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 7]

5. [appellante sub 7] richt zich tegen het plan voor zover daarin aan het perceel [locatie 2], dat direct naast zijn glastuinbouwbedrijf ligt, de bestemming "Wonen" is toegekend. [appellante sub 7] vreest voor een beperking van zijn bedrijf en stelt dat de raad van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. [appellante sub 7] stelt dat de vrachtwagenbewegingen van en naar zijn bedrijf ten onrechte niet zijn betrokken bij de vaststelling van het plan. Ter plaatse van de woning kan volgens hem dan ook niet aan de wettelijke geluidsnormen worden voldaan.

5.1. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de verkeersgegevens waarop hij zich bij de vaststelling van het plan heeft gebaseerd mogelijk fout zijn. De raad stelt dat indien ’s nachts meer vrachtwagenbewegingen plaatsvinden dan waarvan hij is uitgegaan, een ander besluit was genomen.

5.2. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven en de raad de verkeersbewegingen langs het perceel [locatie 2] onzorgvuldig heeft onderzocht, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel [locatie 2] niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

5.3. Het beroep van [appellante sub 7] is gegrond.

5.4. Het bestreden besluit dient voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel [locatie 2], wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 1]

6. [appellant sub 1] heeft zijn beroep ter zitting beperkt tot de bestemming "Verkeer" voor zover die is toegekend aan het deel van zijn perceel aan de Smidskade, waarop de toegangsweg ligt. [appellant sub 1] voert aan dat deze bestemming hem hindert in de uitoefening van zijn eigendomsrecht en weggebruikers ten onrechte de indruk geeft dat het een openbare weg betreft. De raad heeft volgens hem onvoldoende gemotiveerd waarom voor de bestemming "Verkeer" is gekozen en niet voor de bestemming "Groen", zoals [appellant sub 1] wenst.

6.1. De raad stelt dat de toegangsweg met de daarbij behorende gronden wordt gebruikt om het voormalige bedrijf en de woning van [appellant sub 1] te ontsluiten. Omdat de woning van [appellant sub 1] en het achterliggende bedrijf niet langer verbonden zijn, is het aannemelijk dat de gronden waaraan de agrarische bestemming is toegekend in de toekomst zullen worden gebruikt door een andere gebruiker dan [appellant sub 1]. Om die reden acht de raad een ontsluiting van beide bestemmingen noodzakelijk. Een verkeersbestemming past volgens de raad het best bij het gebruik van de gronden omdat deze bestemming, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een agrarische bestemming, geen relatie met omliggende gronden vereist. De bestemming "Groen" komt volgens de raad niet overeen met het feitelijk gebruik van de gronden als toegangsweg.

6.2. Aan de percelen van [appellant sub 1] zijn de bestemmingen "Agrarisch - glastuinbouw", "Wonen", "Verkeer" en "Tuin" toegekend.

Ter plaatse van de bestemming "Verkeer" ligt de toegangsweg waarmee de woonbestemming en de achterliggende agrarische bestemming wordt ontsloten.

6.3. Ingevolge artikel 16, lid 16.1, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wegen, straten en paden met een verkeers- en/of verblijfsfunctie;

met de daarbij behorende:

b. gronden en voorzieningen waaronder begrepen water- en waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals sloten, greppels, watergangen, oppervlaktewaterberging, bruggen en duikers.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, zijn de voor "Agrarisch-Glastuinbouw" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van een glastuinbouwbedrijf;

b. de uitoefening van een vollegronds tuinbouwbedrijf;

met de daarbij behorende:

c. bebouwing, erven, in- en uitritten, bedrijfsgronden en voorzieningen waaronder begrepen water- en waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals sloten, greppels, watergangen, waterberging, bruggen en duikers.

6.4. Niet in geschil is dat de woning van [appellant sub 1] en de achterliggende agrarische gronden ontsloten dienen te worden en dat [appellant sub 1] zijn bedrijfsvoering heeft beëindigd, waardoor het niet uitgesloten is dat het agrarische bedrijf in eigendom van een derde kan komen.

Aangezien de bestemming "Agrarisch- glastuinbouw" geen in- en uitritten toestaat die niet behoren bij het ter plaatse van die bestemming toegestane agrarisch bedrijf, is een ontsluiting ten behoeve van de woonbestemming binnen de bestemming "Agrarisch- glastuinbouw" niet toegestaan. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat die bestemming niet aan het perceel van [appellant sub 1] ter plaatse van de toegangsweg kon worden toegekend.

De raad heeft zich gelet op het feitelijk gebruik van het perceel ter plaatse van de toegangsweg voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestemming "Verkeer" beter aansluit bij een toegangsweg dan de bestemming "Groen".

Anders dan [appellant sub 1] vreest, heeft de bestemming die in een bestemmingsplan aan een perceel wordt toegekend, geen betekenis voor de eigendomssituatie van het betrokken perceel. Het openstellen van een weg voor het openbaar verkeer wordt evenmin geregeld in een bestemmingsplan. In zoverre heeft [appellant sub 1] dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij door de aan de toegangsweg toegekende bestemming "Verkeer" onevenredig wordt beperkt in de uitoefening van zijn eigendomsrecht.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Verkeer" aan het perceel van [appellant sub 1], ter plaatse van de toegangsweg, heeft kunnen toekennen.

6.5. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 5]

7. [appellante sub 5] richt zich tegen het plan, voor zover dat geen uitbreiding van haar glastuinbouwbedrijf mogelijk maakt op het perceel [locatie 3]. [appellante sub 5] stelt dat zij haar bedrijf, dat nu op drie locaties is gevestigd, wil concentreren op het perceel [locatie 3]. Het perceel is echter aangeduid als transformatiegebied en niet als concentratiegebied, hetgeen de bedrijfsconcentratie volgens haar bemoeilijkt.

Daarnaast zijn de maximale bouwhoogten op het perceel volgens [appellante sub 5] te laag om de bedrijfsuitbreiding te realiseren. Zij verzet zich ertegen dat op haar percelen geen kassen met een hoogte van 12 m kunnen worden gebouwd. [appellante sub 5] beroept zich op de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2009, in zaaknr. 200801932/1/R1.

7.1. De raad stelt dat de concentratiegebieden en transformatiegebieden zoals die door de provincie Zuid-Holland zijn vastgesteld, in het bestemmingsplan zijn overgenomen.

De raad stelt daarnaast dat hij ontwikkelingen op het perceel van [appellante sub 5] niet wil blokkeren en dat hij gelet daarop in het plan een afwijkingsbevoegdheid heeft opgenomen die het mogelijk maakt hoger te bouwen.

7.2. Aan het perceel [locatie 3] is de bestemming "Agrarisch - glastuinbouw" en de aanduiding "zone - transformatiegebied" toegekend.

7.3. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - glastuinbouw" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een glastuinbouwbedrijf.

Ingevolge lid 5.2.2, onder c, mag de goothoogte van kassen niet meer dan 4 m bedragen en de bouwhoogte niet meer dan 6 m, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "kas" (concentratiegebied) een afwijkende maximale goothoogte van 9 m en een afwijkende maximale bouwhoogte van 10 m en op gebieden grenzende aan de aanduiding "kas" (concentratiegebied) een afwijkende maximale goothoogte van 5 m en een afwijkende maximale bouwhoogte van 9 m zijn toegestaan.

Ingevolge lid 5.3, kan het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.2, onder c, en voor

c. kassen een maximale goothoogte van 5 m toestaan bij een bouwhoogte van 6m;

d. ter plaatse van de aanduiding "kas" een maximale goothoogte van 10 m toestaan en een maximale bouwhoogte van 12 m;

e. ter plaatse van de aanduiding "transformatiegebied" een maximale goothoogte van 9 m toestaan en een maximale bouwhoogte van 10 m.

Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van hogere kassen, wint het bevoegd gezag advies in bij een agrarisch deskundige, wat betreft de noodzaak en doelmatigheid van het bouwplan, alsmede duurzaamheid, aard en omvang van de bedrijfsvoering (deeltijd, reëel en volwaardig).

Een maximale goothoogte van 10 m en een maximale bouwhoogte van 12 m, is blijkens de planregels voorbehouden aan gronden met de aanduiding "kas" die liggen in het concentratiegebied.

7.4. Vast staat dat het perceel van [appellante sub 5] in de verordening is aangemerkt als transformatiegebied. In de verordening zijn regels voor de planwetgever gesteld met betrekking tot het mogelijk maken van ontwikkelingen in bestemmingsplannen in de op kaart 2 van de verordening als transformatiegebied en concentratiegebied aangewezen gebieden. Gelet daarop heeft de raad aan het perceel in redelijkheid de aanduiding "zone - transformatiegebied" kunnen toekennen.

7.5. Vast staat dat de bestaande bebouwing op het perceel van [appellante sub 5] als zodanig is bestemd.

Hoogendoorn heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij concrete voornemens heeft voor het wijzigen van haar bedrijfsvoering, die niet passen binnen het bestemmingsplan. Daarnaast heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat een bouwhoogte van 12 m noodzakelijk is voor haar toekomstige bedrijfsvoering. Zij heeft gelet op het voorgaande dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij door de bij recht toegekende goot- en bouwhoogte van 4 m onderscheidenlijk 6 m en de bij afwijkingsbevoegdheid toe te kennen maximale goot- en bouwhoogte van 9 onderscheidenlijk 10 m onevenredig wordt geschaad in haar bedrijfsvoering.

Voor zover [appellante sub 5] zich beroept op de uitspraak van 9 december 2009, overweegt de Afdeling dat uit die uitspraak niet volgt dat een bouwhoogte van 12 m had moeten worden toegestaan.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen de ligging van het perceel van [appellante sub 5] in het transformatiegebied en niet in het concentratiegebied, heeft de raad in redelijkheid een maximale goot- en bouwhoogte van 4 m onderscheidenlijk 6 m bij recht en een maximale bouwhoogte van 9 m onderscheidenlijk 10 m bij afwijkingsbevoegdheid kunnen toekennen.

7.6. Het beroep van [appellante sub 5] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2]

8. [appellante sub 2] richt zich tegen het plan, voor zover daarin de bedrijfswoning op het perceel [locatie 4], die direct naast de ontsluitingsweg van haar glastuinbouwbedrijven ligt, als burgerwoning is bestemd. [appellante sub 2] betoogt dat zij door de woonbestemming in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd. Zij voert hiertoe aan dat ter plaatse van de woning geluidhinder kan ontstaan ten gevolge van vrachtverkeer en personenverkeer dat over de ontsluitingsweg rijdt. Dit laatste is in het aan het plan ten grondslag liggende akoestisch onderzoek volgens [appellante sub 2] onderschat.

8.1. De raad stelt dat de bedrijfswoning op nummer 66 nooit onderdeel is geweest van de bedrijven van [appellante sub 2]. De raad stelt dat ten aanzien van de bedrijven van [appellante sub 2] daarom voorheen ook de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer golden. De wijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning verandert daar volgens de raad niets aan. De raad acht een woonbestemming voor de woning op nummer 66 wenselijk omdat de woning geen binding meer heeft met een bedrijf en in gebruik is als burgerwoning.

8.2. Aan het perceel [locatie 4] is de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1 van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

8.3. Op de inrichting van [appellante sub 2] zijn de geluidgrenswaarden van artikel 2.17, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing die gelden ter plaatse van gevoelige gebouwen.

Ingevolge artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn gevoelige gebouwen woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting.

Ingevolge ditzelfde artikel is een woning een gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

8.4. De woning op [nummer] was in het vorige plan bestemd als bedrijfswoning. Onder woningen ingevolge artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden zowel bedrijfswoningen als burgerwoningen verstaan. Niet in geschil is dat de woning op nummer 66 nooit onderdeel is geweest van de inrichting van [appellante sub 2].

Gelet daarop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat voor de bedrijven van [appellante sub 2] ten aanzien van de woning op nummer 66 de geluidgrenswaarden zoals weergegeven in artikel 2.17, zesde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden, ongeacht de bestemming van deze woning als bedrijfswoning of burgerwoning.

De raad heeft zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellante sub 2] door het bestemmingsplan niet in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd.

In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Wonen" aan het perceel [locatie 4] heeft kunnen toekennen.

8.5. Het beroep van [appellante sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

9. [appellant sub 8] kan zich niet vinden in het plan voor zover daarin een woonbestemming is toegekend aan het perceel [locatie 5], dat naast zijn glastuinbouwbedrijf ligt. [appellant sub 8] voert aan dat de woonbestemming zijn bedrijfsvoering belemmert, onder meer omdat de woonbestemming dieper in het concentratiegebied ligt dan de omliggende gronden, hetgeen [appellant sub 8] onpraktisch acht in verband met mogelijke toekomstige ontwikkelingen in de bedrijfsvoering. Voorts voert hij aan dat de woning had kunnen worden aangeduid als plattelandswoning.

9.1. De raad stelt dat zowel de ontsluitingsweg van het bedrijf van [appellant sub 8], als de bedrijfsgebouwen op ongeveer 30 m afstand van de woning zijn gelegen, waardoor de woonbestemming geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 8]. De minimale richtafstand uit de brochure bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) van 10 m wordt volgens de raad ruim gehaald. Verplaatsen van het hoofdgebouw op het perceel [locatie 5] is volgens de raad voorts niet zonder meer mogelijk, omdat in de planregels is bepaald, dat indien de afstand tussen de bedrijfsgebouwen van derden en de woning minder dan 25 m bedraagt, deze niet mag worden verkleind. Een aanduiding als plattelandswoning is volgens de raad niet mogelijk omdat de woning geen onderdeel is geweest van het bedrijf van [appellant sub 8].

9.2. Aan het voorste deel van het perceel [locatie 5] is de bestemming "Tuin" toegekend. Aan het daaraan grenzende deel van het perceel is de bestemming "Wonen" toegekend.

9.3. Ingevolge artikel 18, lid 18.2.2. onder a, van de planregels mag, indien de bestaande afstand van het hoofdgebouw tot de agrarische bedrijfsgebouwen van derden minder dan 25 m bedraagt, deze niet verder worden verkleind.

Ingevolge lid 18.3 kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 18.2.2, onder a, en een kleinere afstand tot de agrarische bedrijfsgebouwen van derden toestaan, mits deze afstand ten minste 10 m bedraagt en het desbetreffende agrarische bedrijf daardoor niet in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd.

9.4. In de VNG-brochure wordt van het bestemmingsvlak dat glastuinbouw toestaat tot de gevel van een woning een richtafstand aanbevolen van 30 m. Deze kan ten aanzien van een gemengd gebied met een stap worden verlaagd, waardoor een richtafstand van 10 m wordt aanbevolen.

9.5. Vast staat dat de woning op ongeveer 30 m afstand van de bedrijfsgebouwen staat. Uit de planregels volgt voorts dat de afstand tot de bedrijfsgebouwen niet kleiner mag worden dan 10 m. Gelet daarop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dan het plan voldoet aan de richtafstanden uit de VNG-brochure.

[appellant sub 8] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij concrete voornemens tot uitbreiding had, waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bedrijf van [appellant sub 8] door het toekennen van de woonbestemming aan het perceel [locatie 5] niet onevenredig in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd.

9.6. Niet in geschil is dat de woning op het perceel [locatie 5] geen onderdeel is en is geweest van het bedrijf van [appellant sub 8]. Nu alleen voor woningen die onderdeel zijn geweest van het agrarisch bedrijf waarvan hinder kan worden ondervonden, sinds de inwerkingtreding van de Wet plattelandswoningen afwijkende normen kunnen worden toegepast in vergelijking tot woningen die geen onderdeel hebben uitgemaakt van de betreffende inrichting, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de woning op het perceel [locatie 5] niet de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" kon worden toegekend.

9.7. Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond.

Opdracht

10. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

11. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellante sub 6] en [appellante sub 7] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellante sub 7] is niet gebleken van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aangezien het beroepschrift van [appellante sub 7] door hem persoonlijk is ingediend en hij zich op de zitting niet heeft doen laten vertegenwoordigen door een rechtsbijstandverlener en ook overigens niet is gebleken van dergelijke kosten. De proceskosten ten aanzien van [appellante sub 7] zijn derhalve beperkt tot reis- en verletkosten.

Voor een proceskostenvergoeding ten aanzien van [appellant sub 1], [appellante sub 5], [appellante sub 2] en [appellant sub 8] bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Nieuwkoop van 28 maart 2013, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Glastuinbouw", voor zover dat betreft:

- het plandeel met de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1", ter plaatse van de percelen aan de Schilkkade;

- het plandeel met de bestemming "Wonen", ter plaatse van het perceel [locatie 1];

- het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel [locatie 2];

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], de maatschap Maatschap van der Hoorn en De Groot en de vennootschap onder firma [appellante sub 2 B]. en [appellante sub 5] en [appellant sub 8 A] en [appellant sub 8 B] ongegrond;

IV. draagt de raad van de gemeente Nieuwkoop op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Nieuwkoop tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 16,54 (zegge: zestien euro en vierenvijftig cent);

veroordeelt de raad van de gemeente Nieuwkoop tot vergoeding van bij [appellante sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Nieuwkoop tot vergoeding van bij [appellant sub 6] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Nieuwkoop tot vergoeding van bij [appellant sub 7] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 61,34 (zegge: eenenzestig euro en vierendertig cent);

VI. gelast dat de raad van de gemeente Nieuwkoop aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 3], € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellante sub 4], € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 6] en € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 7] vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Timmerman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

431-731.