Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1855

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
201401220/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:857, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 3 september 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, geweigerd om de vreemdelingen ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401220/1/V2.

Datum uitspraak: 13 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Maastricht, van 31 januari 2014 in zaken nrs. 12/28213, 12/28311, 12/28313 en 12/28317 in het geding tussen:

[vreemdelingen A] en [vreemdeling B]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 3 september 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, geweigerd om de vreemdelingen ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 31 januari 2014 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In de grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank de weigeringen van de Armeense en Azerbeidzjaanse autoriteiten om de vreemdelingen laissez passer te verstrekken ten onrechte als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangemerkt.

3. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

3.1. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

3.2. De vreemdelingen hebben eerder, op 9 november 2009, aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken ingediend, die bij besluit van 8 januari 2010, gehandhaafd bij onderscheiden besluiten van 28 april 2011, zijn afgewezen. Het besluit van 8 januari 2010 is van gelijke strekking als de onderscheiden besluiten van 3 september 2012, zodat op de tegen de laatstgenoemde besluiten ingestelde beroepen voormeld beoordelingskader van toepassing is.

3.3. De weigeringen van de Armeense autoriteiten van 4 april 2012 en 13 juli 2012 om laissez passer te verstrekken zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in voormelde zin, reeds omdat de Armeense autoriteiten eerder, op 26 februari 2010, op grond van dezelfde feiten en omstandigheden hebben geweigerd laissez passer te verstrekken en die weigering is betrokken bij de procedure die volgde op de afwijzing van de aanvragen van 9 november 2009. Ook de weigeringen van de Azerbeidzjaanse autoriteiten om naar aanleiding van de presentatie op 23 februari 2010 laissez passer te verstrekken zijn in die eerdere procedure betrokken. Reeds daarom zijn die weigeringen evenmin nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2012 in zaak nr. 201109316/1/V2. De door de vreemdelingen overgelegde verklaringen van hun gestelde voormalige dorpsgenoten leveren op zichzelf evenmin een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid op, reeds omdat die verklaringen niet afkomstig zijn uit objectieve bronnen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2008 in zaak nr. 200805862/1. De grieven slagen.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet, is er voor toetsing van de onderscheiden besluiten van 3 september 2012 geen plaats. Reeds daarom dienen, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, de beroepen tegen deze besluiten alsnog ongegrond te worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Maastricht, van 31 januari 2014 in zaken nrs. 12/28213, 12/28311, 12/28313 en 12/28317;

III. verklaart de in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Bosma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2014

572-753.