Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1843

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
201308805/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Gravendam 2013" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308805/1/R4.

Datum uitspraak: 21 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Noordwijkerhout,

en

de raad van de gemeente Noordwijkerhout,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Gravendam 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door ing. H. Zwetsloot, en de raad, vertegenwoordigd door R.A.J. de Jong en E. van Dijck, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het bestaande bedrijventerrein Gravendam in Noordwijkerhout.

3. Ter zitting heeft [appellante] de beroepsgrond dat aan de percelen aan de [locatie 1] ten onrechte de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" is toegekend, ingetrokken.

4. [appellante] komt in beroep tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" wat betreft het thans braakliggende perceel aan de [locatie 2]. [appellante] betoogt dat de maximaal toegestane categorie van bedrijfsactiviteiten op dit perceel ten onrechte is verlaagd ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan.

[appellante] voert hiertoe aan dat de door de raad gegeven motivering dat de verlaging van de toegestane categorie van bedrijfsactiviteiten dient ter bescherming van de aan aangrenzende percelen toegekende bestemming "Wonen" ondeugdelijk is, omdat deze bestemming "Wonen" ook in het voorheen geldende plan aan de aangrenzende percelen was toegekend.

Tevens betoogt [appellante] dat zij plannen heeft om op het braakliggende perceel een nieuw bedrijfspand te bouwen en dat het voor haar nadelig is dat in dit bedrijfspand alleen bedrijven kunnen worden gevestigd behorende tot categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten bij de planregels.

Voorts voert [appellante] aan dat de raad in een andere bestemmingsplanprocedure de voor het bedrijventerrein aan de Delfweg in het ontwerpplan opgenomen verlaging van de toegestane categorie van bedrijfsactiviteiten in het vastgestelde plan alsnog ongedaan heeft gemaakt.

4.1. Aan het braakliggende perceel aan de [locatie 2] is de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" bestemd voor bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten bij de planregels.

Ingevolge artikel 3, lid 3.5.1, aanhef en onder a, van de planregels kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van artikel 3, lid 3.1, om bedrijven toe te laten uit ten hoogste twee categorieën hoger dan in artikel 3, lid 3.1, genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de categorieën, zoals in artikel 3, lid 3.1, genoemd.

4.2. Niet in geschil is dat in het voorheen geldende bestemmingsplan op het braakliggende perceel aan de [locatie 2] bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten waren toegestaan. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting door de verlaging van de maximaal toegestane categorie van bedrijfsactiviteiten op het braakliggende perceel de op aangrenzende percelen gebouwde woningen bescherming willen bieden. Dit standpunt acht de Afdeling niet onredelijk. De door [appellante] aangevoerde omstandigheid dat aan de aangrenzende percelen reeds in het voorgaande bestemmingsplan de bestemming "Wonen" was toegekend, doet niet af aan de deugdelijkheid van het standpunt van de raad. Hiertoe overweegt de Afdeling dat het antwoord op de vraag of al dan niet reeds in het voorgaande bestemmingsplan aan de aangrenzende percelen een woonbestemming was toegekend, in het kader van de vaststelling van een actueel planologisch kader niet van doorslaggevende betekenis is bij de beoordeling of de op het braakliggende perceel maximaal toegestane categorie van bedrijfsactiviteiten nog wenselijk is gelet op de op aangrenzende percelen gebouwde woningen.

Het betoog van [appellante] dat zij plannen heeft om op het braakliggende perceel een nieuw bedrijfspand te bouwen en dat zij de mogelijkheid wenst te behouden dat in dit bedrijfspand bedrijven behorende tot categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten kunnen worden gevestigd, kan niet tot een ander oordeel leiden. De raad heeft zich ter zitting onweersproken op het standpunt gesteld dat de door [appellante] bij haar zienswijze overgelegde bouwplannen onvoldoende concreet waren in die zin dat ten tijde van de vaststelling van het plan niet duidelijk was tot welke categorie van bedrijfsactiviteiten de bedrijven behoren die in het nieuwe bedrijfspand zullen worden gevestigd. De raad heeft ter zitting toegelicht gelet op deze omstandigheid bij de vaststelling van het plan een doorslaggevend gewicht te hebben toegekend aan het belang van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de aangrenzende woningen, hetgeen de Afdeling niet onredelijk acht. Daarbij heeft de raad er ter zitting nog op gewezen dat de maximaal toegestane categorie van bedrijfsactiviteiten ingevolge artikel 3, lid 3.5.1, van de planregels door middel van een afwijkingsbevoegdheid met ten hoogste twee categorieën kan worden verhoogd.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling er in redelijkheid toe kunnen komen niet langer bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten op het braakliggende perceel aan de [locatie 2] bij recht toe te staan.

4.3. Over de door [appellante] gemaakte vergelijking met de bestemmingsplanprocedure voor het bedrijventerrein aan de Delfweg, overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat in het ontwerpplan voor het bedrijventerrein aan de Delfweg door een verlaging van de toegestane categorie van bedrijfsactiviteiten een reeds bestaand bedrijf niet langer als zodanig was bestemd, hetgeen in het vastgestelde plan is teruggedraaid. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

4.4. De betogen falen.

5. [appellante] voert tevens aan dat in het vastgestelde plan, zoals dit met ingang van 15 augustus 2013 ter inzage is gelegd, niet alle wijzigingen zijn verwerkt die volgens het raadsbesluit ten opzichte van het ontwerpplan hadden moeten worden verwerkt. [appellante] voert hiertoe aan dat zij in haar zienswijze heeft betoogd dat zij zich niet kan verenigen met het maximale bebouwingspercentage van 70 voor het bebouwde perceel aan de [locatie 2], omdat dit percentage is verlaagd ten opzichte van het op dat moment geldende bestemmingsplan en reeds meer dan 70% van dit perceel is bebouwd. [appellante] betoogt dat de raad in de beantwoording van haar zienswijze heeft toegezegd in het vastgestelde plan aan dit perceel het bebouwingspercentage toe te kennen overeenkomstig het op dat moment geldende bestemmingsplan. Deze wijziging is volgens [appellante] niet doorgevoerd in het vastgestelde plan dat met ingang van 15 augustus 2013 ter inzage is gelegd. Zij stelt dat het plan met ingang van 2 oktober 2013 opnieuw ter inzage is gelegd met het doel onder meer dit gebrek te herstellen, maar dat het gebrek desondanks niet is hersteld.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor zover een perceel ten tijde van de vaststelling van het plan voor meer dan 70% was bebouwd, deze bestaande bebouwing ingevolge artikel 16, lid 16.2, van de planregels bij recht is toegestaan en niet onder het overgangsrecht is gebracht.

5.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder d, van de planregels bedraagt binnen de bestemming "Bedrijventerrein" de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen per bouwperceel ten hoogste 70% van het bouwvlak.

Ingevolge artikel 16, lid 16.2, onder a, van de planregels geldt voor een bouwwerk dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming, dat:

1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;

[…]

Ingevolge artikel 16, lid 16.2, onder c, van de planregels is op een bouwwerk als hiervoor bedoeld het overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.

5.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planregels van het voorheen geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein ’s-Gravendamseweg" uit 1996 geven de op de kaart ingeschreven percentages aan hoeveel van het bouwvlak van de individuele kadastrale percelen ten hoogste mag worden bebouwd met gebouwen en overkappingen. Bij het ontbreken van een percentage mogen de gronden volledig worden bebouwd, tenzij anders is bepaald.

Op de plankaart behorende bij het voorheen geldende plan was ter plaatse van het bebouwde perceel aan de [locatie 2] geen maximaal bebouwingspercentage opgenomen en mocht dit perceel aldus volledig worden bebouwd.

5.4. De Afdeling stelt vast dat in de zienswijzennota, in reactie op de zienswijze van [appellante], staat dat voor de percelen aan de [locatie 2] het bebouwingspercentage uit het op dat moment geldende bestemmingsplan wordt overgenomen. In het raadsbesluit is vermeld dat de raad het bestemmingsplan gewijzigd vaststelt met inachtneming van de wijzigingen zoals genoemd in de zienswijzennota. Gelet op de omstandigheid dat in het voorheen geldende bestemmingsplan voor het bebouwde perceel aan de [locatie 2] het maximale bebouwingspercentage 100 was, stemt het ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder d, van de planregels van het thans bestreden plan geldende maximale bebouwingspercentage van 70 voor dit perceel niet overeen met het besluit van de raad tot vaststelling van het plan en is het bestreden besluit in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld.

De door de raad aangevoerde omstandigheid dat voor zover een bouwvlak ten tijde van de vaststelling van het plan voor meer dan 70% was bebouwd, deze bestaande bebouwing ingevolge artikel 16, lid 16.2, van de planregels bij recht is toegestaan en niet onder het overgangsrecht is gebracht doet, daargelaten of met deze regeling de bestaande bebouwing als zodanig is bestemd en of deze regeling passend is voor bestaande legale bebouwing, niet af aan de omstandigheid dat het plan niet overeenkomstig de zienswijzennota en aldus in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld.

Het betoog slaagt.

6. [appellante] betoogt voorts dat op de verbeelding die met ingang van 2 oktober 2013 opnieuw ter inzage is gelegd aan een deel van haar percelen aan de [locatie 2] de bestemming "Groen" is toegekend, terwijl deze wijziging geen grondslag vindt in het besluit van de raad van 27 juni 2013 tot vaststelling van het plan.

6.1. De raad stelt dat de bestemming "Groen" ook in het voorheen geldende bestemmingsplan aan een deel van de percelen van [appellante] was toegekend. In het ontwerpplan was deze bestemming abusievelijk niet toegekend. Bij de vaststelling van het plan is dit ambtshalve gecorrigeerd, aldus de raad. Deze ambtshalve wijziging is abusievelijk niet verwerkt op de verbeelding die met ingang van 15 augustus 2013 ter inzage is gelegd. Het plan is met ingang van 2 oktober 2013 opnieuw ter inzage is gelegd met het doel onder meer dit gebrek te herstellen, aldus de raad.

6.2. Op 27 juni 2013 heeft de raad het plan met inachtneming van de bij dit besluit horende zienswijzennota en ambtshalve wijzigingen gewijzigd vastgesteld. Uit de zienswijzennota en de staat van wijzigingen volgt niet dat de raad ambtshalve de aan de percelen van [appellante] toegekende bestemming "Bedrijventerrein" voor een deel heeft gewijzigd in de bestemming "Groen". Het door de raad ter zitting ingenomen standpunt dat deze ambtshalve wijziging kan worden afgeleid uit de onder paragraaf 4 van de "Nota beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen" opgenomen zin dat nog een beperkt aantal ambtshalve wijzigingen worden voorgesteld waarbij het gaat om ondergeschikte tekstuele aanpassingen, het opnemen van nieuw beleid en het verbeteren van omissies op de verbeelding, kan de Afdeling niet volgen nu deze wijziging niet expliciet is vermeld in de staat van wijzigingen. Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat op een tijdstip na de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het plan, de verbeelding is aangepast door de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend aan de percelen van [appellante] aan de Smederij voor een deel te wijzigen in de bestemming "Groen". Deze aanpassing is niet aangebracht bij het besluit van de raad, maar slechts door het plan met ingang van 2 oktober 2013 opnieuw ter inzage te leggen. De thans aan de orde zijnde situatie verschilt aldus van de in de door de raad ter zitting genoemde uitspraak van de Afdeling van 4 april 2012 in zaak nr. 201004316/1/R1 aan de orde zijnde situatie waarin een plan opnieuw ter inzage was gelegd om alsnog alle wijzigingen te verwerken die volgens het raadsbesluit ten opzichte van het ontwerpplan hadden moeten worden verwerkt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 december 2012 in zaak nr. 201111621/1/R2) staat het de raad noch enig ander vrij om de verbeelding, die in overeenstemming is met het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan en die met dat besluit ter inzage is gelegd, aan te passen nadat het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. De verbeelding kan in dat geval slechts worden aangepast met een nieuw raadsbesluit dat volgens de wettelijke procedure is voorbereid en bekendgemaakt.

Nu de percelen van [appellante] aan de Smederij in het besluit tot vaststelling van het plan als "Bedrijventerrein" zijn bestemd en niet voor een deel als "Groen", stemt de verbeelding zoals die met ingang van 2 oktober 2013 ter inzage is gelegd in zoverre niet overeen met het besluit van de raad tot vaststelling van het plan en is het plan wat betreft dit onderdeel in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het betoog slaagt.

7. [appellante] betoogt verder dat op haar percelen aan de [locatie 2] de grenzen van de bouwvlakken grenzend aan de bestemming "Groen" ten onrechte zijn verschoven ten opzichte van het voorheen geldende plan en thans niet meer in het verlengde liggen van de voorgevels van de belendende woningen aan de ’s-Gravendamseweg 16-A en 16-B.

7.1. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat het plan op dit punt moet worden aangepast overeenkomstig het voorheen geldende plan. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

8. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.4, 6.2 en 7.1 is overwogen, is het beroep van [appellante] gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" dat betrekking heeft op het bebouwde perceel van [appellante] aan de [locatie 2], zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart nr. 1, wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel;

b. het plandeel met de bestemming "Groen" dat betrekking heeft op een deel van de percelen van [appellante] aan de [locatie 2], wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, alsmede de situering van de grenzen van de bouwvlakken grenzend aan de bestemming "Groen" op de percelen van [appellante] aan de [locatie 2], wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, beide zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart nr. 2.

9. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

10. Ter voorlichting van partijen overweegt de Afdeling dat door de vernietiging van de plan(onder)delen zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaarten, op de desbetreffende percelen het voorheen geldende plan "Bedrijventerrein ’s-Gravendamseweg" uit 1996 opnieuw van toepassing is.

11. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Noordwijkerhout van 27 juni 2013, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Gravendam 2013", voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" dat betrekking heeft op het bebouwde perceel van [appellante] aan de [locatie 2], zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart nr. 1;

b. het plandeel met de bestemming "Groen" dat betrekking heeft op een deel van de percelen van [appellante] aan de [locatie 2], alsmede de situering van de grenzen van de bouwvlakken grenzend aan de bestemming "Groen" op de percelen van [appellante] aan de [locatie 2], beide zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart nr. 2;

III. draagt de raad van de gemeente Noordwijkerhout op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Noordwijkerhout aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Gerkema

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014

472-810.