Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1831

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
201307539/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 augustus 2012 (hierna: het besluit) heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Het besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307539/1/V1.

Datum uitspraak: 12 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 11 juli 2013 in zaak nr. 12/28337 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2012 (hierna: het besluit) heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 juli 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: zijn rechtsvoorganger.

2. In grief 1 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris zijn standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas ten onrechte niet met de vereiste terughoudendheid getoetst.

2.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 13 december 2013 in zaak nr. 201301501/1/V2) gaat het bij de beoordeling van het asielrelaas meestal niet om de vraag of en in hoeverre een vreemdeling heeft bewezen dat het in zijn asielrelaas gestelde daadwerkelijk is voorgevallen. Een asielzoeker is immers veelal niet in staat en van hem kan ook redelijkerwijs niet worden gevergd zijn asielrelaas overtuigend met bewijs te staven. Om hem in zijn bewijspositie tegemoet te komen en toch een adequate beoordeling van zijn aanvraag in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te kunnen verrichten, geldt ingevolge artikel 31, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) gelezen in verbinding met artikel 3.35, derde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en het ter uitvoering daarvan vastgestelde beleid dat de staatssecretaris de verklaringen van een asielzoeker in beginsel geloofwaardig acht. Doet zich echter een omstandigheid als bedoeld in voormeld artikel 31, tweede lid, voor dan zal van de verklaringen van de asielzoeker positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om het asielrelaas geloofwaardig te achten.

2.2. Eveneens volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer voormelde uitspraak van 13 december 2013) behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van het door een asielzoeker in zijn asielrelaas gestelde, tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en kan de bestuursrechter die beoordeling slechts terughoudend toetsen. De maatstaf bij die te verrichten toetsing is niet het eigen oordeel van de bestuursrechter over de geloofwaardigheid van het asielrelaas, maar of grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris, gelet op de motivering in voornemen en besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, zich niet in redelijkheid op het door hem ingenomen standpunt heeft kunnen stellen.

2.3. De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat de staatssecretaris de vreemdeling in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft kunnen tegenwerpen en dat van haar asielrelaas daarom positieve overtuigingskracht heeft moeten uitgaan.

2.4. Uit de uitspraak van de Afdeling van heden in zaak nr. 201307541/1/V1 over de zoon van de vreemdeling volgt dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zijn zelfstandige asielrelaas positieve overtuigingskracht mist. Nu de verklaringen van de vreemdeling over de problemen van haar echtgenoot en zoon dezelfde gebeurtenissen betreffen, heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat die verklaringen ongeloofwaardig zijn.

2.5. Over de tegenstrijdigheden tussen de door de vreemdeling overgelegde rapportage van een arts bij het forensisch medisch wetenschappelijk centrum te Yerevan (hierna: de rapportage) en de desbetreffende verklaringen van de vreemdeling heeft de rechtbank in het bestreden onderdeel van de aangevallen uitspraak overwogen dat de vreemdeling tijdens het nader gehoor erop heeft gewezen dat de rapportage onjuiste gegevens bevat om de dader van de aanrijding, de zoon van de burgemeester van haar geboorteplaats in Armenië (hierna: de burgemeester), te beschermen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het in de rapportage genoemde letsel overeenkomt met de omschrijving daarvan in de verklaring van het ziekenhuis in Talin en dat uit laatstgenoemde verklaring niet kan worden afgeleid of de vreemdeling meteen is behandeld en meteen daarna ontslagen. Dat de verklaring van het ziekenhuis in Talin en de rapportage geen ziekenhuisopname in Gyumri vermelden, zegt volgens de rechtbank niets over het waarheidsgehalte van die opname. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de rapportage ongedateerd is, zodat de daarop berustende tegengeworpen tegenstrijdigheid niet standhoudt. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de vreemdeling in het nader gehoor heeft gerefereerd aan een ziekenhuisopname van twintig dagen en weliswaar daarbij geen ziekenhuis bij naam heeft genoemd, maar dat de gehoormedewerker daar ook niet naar heeft gevraagd. De rechtbank heeft overwogen dat de gehoormedewerker mogelijk ervan is uitgegaan dat de vreemdeling nog steeds op het ziekenhuis in Talin doelde en dat dit niet voor risico van de vreemdeling komt. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de verklaringen van de vreemdeling over de voettocht naar en demonstratie in Yerevan niet noodzakelijk afbreuk doen aan haar relaas over de problemen met de burgemeester en zijn zoon.

2.6. Door mogelijke verklaringen te geven voor de verschillen tussen het relaas van de vreemdeling over de aanrijding door de zoon van de burgemeester en de door haar overgelegde stukken heeft de rechtbank ten onrechte een zelfstandig oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas gegeven in plaats van het desbetreffende standpunt van de staatssecretaris te toetsen en aldus het onder 2.1 en 2.2 weergegeven toetsingskader onjuist toegepast.

2.7. Grief 1 slaagt.

3. In grief 2 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het opvragen van een individueel ambtsbericht in de rede ligt, gelet op de gedetailleerde en verifieerbare verklaringen van de vreemdeling, en de door haar overgelegde documenten en algemene informatie over de zoon van de burgemeester. De staatssecretaris betoogt dat geen aanleiding bestaat voor een individueel ambtsbericht, nu deze overweging van de rechtbank voortvloeit uit de onjuiste toetsing van zijn standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

3.1. Grief 2 slaagt in het voetspoor van grief 1.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Grieven 3 en 4 richten zich tegen de uitspraak van de rechtbank in de zaak over de zoon van de vreemdeling en zijn beoordeeld in de onder 2.4 vermelde uitspraak van heden. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris zich, gelet op haar zeer gedetailleerde asielrelaas, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen positieve overtuigingskracht van uitgaat.

5.1. In het voornemen en het besluit heeft de staatssecretaris de vreemdeling een reeks tegenstrijdigheden, vaagheden en bevreemdende elementen op essentiële onderdelen van haar zelfstandige asielrelaas tegengeworpen.

Zo heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling tijdens het nader gehoor weliswaar heeft verklaard dat de forensisch arts gegevens in de rapportage heeft veranderd om te verhullen dat de zoon van de burgemeester de vreemdeling heeft aangereden, maar dat daarmee niet strookt dat niet alleen de naam van de automobilist en de beschrijving van de wijze waarop het ongeluk heeft plaatsgevonden afwijken van de verklaringen van de vreemdeling, maar ook andere gegevens uit de rapportage, bijvoorbeeld haar verklaring dat de zoon van de burgemeester haar ‘s ochtends heeft aangereden, terwijl de rapportage vermeldt dat het ongeluk omstreeks 17:30 uur heeft plaatsgevonden. Verder vermeldt de rapportage dat de vreemdeling ambulante medische hulp heeft ontvangen, terwijl zij heeft verklaard twintig dagen in het ziekenhuis te hebben gelegen. Daarnaast vermeldt de rapportage dat de forensisch arts deze heeft opgemaakt op grond van de beslissing van een rechercheur van de afdeling criminele zaken van Talin, terwijl de vreemdeling heeft verklaard dat zij op eigen initiatief naar de forensisch arts is gegaan, omdat ze officieel bewijs wilde hebben. Volgens de staatssecretaris is ongeloofwaardig dat de forensisch arts al deze gegevens heeft veranderd om te verhullen dat de zoon van de burgemeester de vreemdeling heeft aangereden.

De door de vreemdeling na het voornemen overgelegde verklaring van het ziekenhuis in Gyumri maakt volgens de staatssecretaris haar gestelde verblijf van twintig dagen in dat ziekenhuis niet geloofwaardig, omdat zij tijdens het nader gehoor niet heeft verklaard over een verblijf in een ziekenhuis in Gyumri en haar zoon tijdens zijn nader gehoor heeft verklaard dat de vreemdeling in het ziekenhuis in Talin heeft gelegen en hij haar daar heeft bezocht. Verder strookt volgens de staatssecretaris de stelling van de vreemdeling dat zij rond 17:30 uur uit het ziekenhuis in Talin is ontslagen niet met de verklaring van dat ziekenhuis dat zij twee uur ambulant is behandeld, nu de aanrijding in de ochtend zou zijn gebeurd. Bovendien strookt dat tijdstip van ontslag niet met de verklaring van het ziekenhuis in Gyumri dat de vreemdeling omstreeks 21:00 uur werd overgebracht naar dat ziekenhuis, aldus de staatssecretaris. Indien met het tijdstip van 21:00 uur de aankomsttijd is bedoeld, strookt dat volgens de staatssecretaris niet met de verklaring van de vreemdeling dat de aanrijding ‘s ochtends plaatsvond en de verklaring van het ziekenhuis in Talin dat zij daar twee uur is behandeld. Verder heeft de staatssecretaris het bevreemdend geacht dat de verklaring van het ziekenhuis in Talin en de rapportage niet vermelden dat de vreemdeling naar het ziekenhuis in Gyumri is overgebracht.

Voorts heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling weinig heeft kunnen vertellen over de bijeenkomst van Jehova's getuigen in Talin, die zij zou hebben bezocht, en dat ongeloofwaardig is dat zij van plan was diezelfde dag 40 tot 60 km te lopen naar Yerevan om daar deel te nemen aan een demonstratie van Jehova's getuigen. De staatssecretaris heeft van belang geacht dat de vreemdeling heeft verklaard dat zij verwachtte tegen de avond Yerevan te bereiken, maar ook dat zij langs dorpen wilde gaan om mensen mee te nemen, hetgeen de tocht nog langer zou maken. Volgens de staatssecretaris zou de vreemdeling gelet daarop en nog afgezien van de zwaarte van de tocht, pas laat in de avond Yerevan hebben kunnen bereiken. Verder heeft de vreemdeling volgens de staatssecretaris summier verklaard over de demonstratie die in Yerevan zou plaatsvinden, nu zij alleen heeft verklaard dat zij haar stem wilde laten horen bij de president en dat er misschien 500 deelnemers zouden zijn.

5.2. Aldus heeft de staatssecretaris deugdelijk gemotiveerd dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist. In aanmerking genomen dat de door de vreemdeling gestelde verkrachting door een handlanger van de burgemeester verband houdt met de ongeloofwaardig geachte problemen van de vreemdeling met de burgemeester en zijn zoon heeft de staatssecretaris er niet ten onrechte van afgezien de ter staving daarvan overgelegde medische verklaring van een polikliniek in Mayisyan op authenticiteit te laten onderzoeken.

De beroepsgrond faalt.

6. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris haar eerst in het besluit, zonder een deskundigenonderzoek, heeft tegengeworpen dat twee door haar overgelegde oproepen voor een verhoor op een politiebureau in de provincie Shirak samen één A4-vel hebben gevormd. Volgens de vreemdeling heeft de Armeense politie van één dagvaarding twee dagvaardingen gemaakt door deze door middel van een liniaal af te scheuren en heeft die politie één deel aan de vreemdeling gezonden en het andere deel zelf gehouden.

De staatssecretaris heeft zich in het voornemen op het standpunt gesteld dat volgens de verklaring van onderzoek van bureau Documenten van 8 maart 2012 de oproepen van 15 en 20 september 2011 voor een verhoor op het politiebureau van hetzelfde A4-vel zijn afgescheurd, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de verklaring van de vreemdeling dat zij bij de autoriteiten als Jehova's getuige in de negatieve belangstelling staat. In het besluit heeft de staatssecretaris gereageerd op het betoog in de zienswijze van 30 mei 2012 dat het normaal is dat de politie één deel van de oproep zelf houdt en het andere deel uitreikt, door zich op het standpunt te stellen dat bureau Documenten heeft vastgesteld dat beide oproepen die de vreemdeling zou hebben ontvangen sámen één A4-vel hebben gevormd. Voorts doet volgens de staatssecretaris afbreuk aan de geloofwaardigheid dat de vreemdeling heeft verklaard dat de oproep van 20 september 2011 al thuis lag toen zij van het politiebureau kwam, terwijl zij blijkens die oproep voor de ontvangst ervan heeft getekend. Gezien deze motivering mist het betoog dat de staatssecretaris zijn standpunt zonder deskundigenonderzoek eerst in het besluit kenbaar heeft gemaakt, feitelijke grondslag. Voorts heeft de staatssecretaris aldus deugdelijk gemotiveerd gereageerd op de verklaring van de vreemdeling voor het afscheuren van de oproepen.

De beroepsgrond faalt.

7. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat het voor haar, wegens de wijze van vraagstelling en haar emotionele toestand, moeilijk was tijdens het nader gehoor logisch en consistent te verklaren.

De staatssecretaris heeft de vreemdeling voor indiening van haar asielaanvraag laten onderzoeken door MediFirst. Het advies van MediFirst van 31 januari 2012 (hierna: het advies) vermeldt dat de vreemdeling lichamelijke en psychische klachten heeft, waaronder nervositeit, concentratiestoornissen en vergeetachtigheid, dat zij snel emotioneel wordt, dat van belang is de druk niet te hoog op te voeren en regelmatig pauzes aan te bieden en, indien mogelijk, het gehoor te verdelen over meerdere dagen. Voorts vermeldt het advies dat uitstel van het gehoor de klachten eerder zal doen toenemen dan verbeteren. Volgens het advies is de vreemdeling in staat te worden gehoord, mits rekening wordt gehouden met de beperkingen.

De rechtbank heeft, in het kader van de toetsing van de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, onbestreden overwogen dat de medische toestand van de vreemdeling ten tijde van de gehoren niet van dien aard was dat zij niet in staat moest worden geacht verklaringen af te leggen. Daar komt bij dat het rapport van het nader gehoor er geen blijk van geeft dat de staatssecretaris de vreemdeling heeft gehoord terwijl zij niet in staat was verklaringen af te leggen of vragen te beantwoorden. Daaruit blijkt evenmin dat de staatssecretaris bij het horen geen rekening heeft gehouden met haar beperkingen en dat de vreemdeling door de wijze van vraagstelling niet in staat was logisch en consistent te verklaren.

De beroepsgrond faalt.

8. Het betoog dat de tolk tijdens het nader gehoor haar werk niet goed deed en niet goed te begrijpen was, omdat zij tolkte in een vreemde taal, faalt, reeds omdat blijkt dat de vreemdeling volgens het rapport van het nader gehoor desgevraagd heeft bevestigd dat zij geen op- of aanmerkingen heeft over de tolk en dat zij deze goed heeft begrepen en verstaan en voormeld rapport er ook geen blijk van geeft dat dit niettemin anders was.

9. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling ten onrechte niet haar verklaringen heeft vergeleken met hetgeen uit objectieve bronnen bekend is over de situatie in Armenië en hetgeen de staatssecretaris eerder heeft onderzocht en overwogen naar aanleiding van gehoren van vreemdelingen in een vergelijkbare situatie. De vreemdeling heeft verwezen naar zaken van Armeense asielzoekers, aan wie de staatssecretaris verblijfsvergunningen asiel heeft verleend. Volgens de vreemdeling zijn dat vergelijkbare zaken en blijkt daaruit dat corruptie en onmenselijke behandelingen hoogtij vieren binnen het bedrijfsleven en de overheid in Armenië.

Gezien de onder 5.1 weergegeven tegenstrijdigheden, hiaten en bevreemdende elementen in de verklaringen van de vreemdeling heeft de staatssecretaris er in redelijkheid van kunnen afzien die verklaringen uitdrukkelijk te vergelijken met hetgeen uit objectieve bronnen en andere asielzaken over Armenië bekend is.

De beroepsgrond faalt.

10. Ten slotte heeft de vreemdeling betoogd dat zij bij terugkeer naar Armenië gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) dan wel dat de staatssecretaris terugkeer in redelijkheid niet van haar kan verlangen gezien haar traumatische ervaringen.

De staatssecretaris heeft zich in het voornemen en het besluit op het standpunt gesteld dat de algehele situatie in Armenië niet zodanig is dat hij asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling moet aanmerken. Nu het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is, heeft zij volgens de staatssecretaris niet aannemelijk gemaakt dat zij persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging. Voorts doet zich volgens de staatssecretaris in Armenië niet een zodanige mate van geweld voor dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger daar alleen door zijn aanwezigheid al een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van dat geweld. Evenmin heeft de vreemdeling volgens de staatssecretaris aannemelijk gemaakt dat zij behoort tot een groep die in Armenië systematisch wordt blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en loopt zij, gelet op haar ongeloofwaardige asielrelaas, persoonlijk geen reëel risico op voormelde behandeling. Verder heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling, gelet op haar ongeloofwaardige asielrelaas, niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar vertrek uit Armenië verband houdt met zodanig traumatische ervaringen dat hij daarom van haar in redelijkheid niet kan verlangen daarnaar terug te keren.

De staatssecretaris heeft zich, gelet op de aan deze standpunten in het voornemen en het besluit ten grondslag gelegde motivering, terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, van de Vw 2000.

De beroepsgrond faalt.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 11 juli 2013 in zaak nr. 12/28337;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Schuurman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2014

282-768.