Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1829

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
201308513/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Woongebied Borne West" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308513/1/R1.

Datum uitspraak: 21 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Borne,

appellant,

en

de raad van de gemeente Borne,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Woongebied Borne West" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.F. Kötter, advocaat te Wierden, en de raad, vertegenwoordigd door mr. G.E. Nijkamp-Veldhuis en ing. D.M. Holtslag, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan bevat een nieuwe planologische regeling voor het woongebied van de kern Borne tussen het spoor en de rijkswegen A1 en A35 en is vooral conserverend van aard.

3. [appellant] kan zich niet verenigen met de bestemming "Wonen" die aan de gronden van zijn perceel [locatie B] is toegekend. [appellant] betoogt dat hij ter plaatse een autobedrijf voert en niet voornemens is om deze bedrijfsactiviteiten te staken. Hij voert aan dat deze bestemming derhalve niet in overeenstemming is met het feitelijk gebruik van de gronden en met zijn wensen. [appellant] verwijst daarbij naar zijn brief van 28 december 2007 aan het college van burgemeester en wethouders, waarin hij kenbaar heeft gemaakt dat hij de bestemming "Garagebedrijf", die in het voorheen geldende plan aan zijn perceel was toegekend, wenst te behouden. [appellant] betoogt dat de raad in de nota zienswijzen ten onrechte stelt dat de bestemmingswijziging voortkomt uit zijn eigen wens en zich daarbij baseert op de brief van 7 maart 2007, waarin [appellant] verzocht om de milieuvergunning voor zijn bedrijf in te trekken en de bestemming van de bedrijfswoning op het perceel [locatie A] te veranderen in die voor een burgerwoning. [appellant] betoogt verder dat op zijn gronden activiteiten met milieucategorie 3.1 waren toegestaan en de raad hier met het toekennen van de bestemming "Wonen" aan voorbij is gegaan. Verder voert hij aan dat een bestemmingswijziging niet in overeenstemming is met het uitgangspunt van een conserverend plan waarin het bestaande gebruik als zodanig is vastgelegd. Ook kent de raad teveel waarde toe aan de ligging van het perceel in een woonwijk. Volgens hem past het bedrijf door zijn kleinschaligheid goed in de omgeving en zal wijziging van de bestemming leiden tot een onevenredige derving van zijn inkomsten.

3.1. De raad stelt dat in het bestemmingsplan de feitelijke situatie als zodanig is bestemd, waarbij is uitgegaan van een burgerwoning op het perceel [locatie A] en beëindigde bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie B]. In het verleden heeft het college vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening medewerking verleend aan de wens van [appellant] om de bedrijfswoning op het perceel [locatie A] als burgerwoning te verkopen en de bedrijfsbestemming voor het perceel [locatie B] te wijzigen in een woonbestemming omdat de bedrijfsactiviteiten daar beëindigd zouden worden.

3.2. Aan de gronden van het perceel [locatie B] is in het plan de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor:

a. het wonen met daaronder begrepen beroep-aan-huis;

[…]

met de daarbij behorende:

c. tuinen en erven;

d. parkeervoorzieningen op eigen terrein;

e. water- en waterhuishoudkundige voorzieningen;

f. nutsvoorzieningen.

3.3. Bij brief van 7 maart 2007 heeft [appellant] verzocht om de milieuvergunning voor zijn bedrijf in te trekken en de bestemming voor de bedrijfswoning op het perceel [locatie A], die hij wenste te verkopen, te veranderen in die voor een burgerwoning. Tevens staat in deze brief dat [appellant] zijn bedrijfsactiviteiten zal beëindigen op de datum van intrekking van zijn milieuvergunning.

Bij brief van 27 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders dit verzoek bevestigd, medegedeeld dat gezien de gewijzigde regelgeving voor de milieuvergunning geen verdere stappen behoefden te worden genomen en uiteengezet welke stappen [appellant] en het college met het oog op de wijziging van de bestemming moeten nemen.

Bij besluit van 27 november 2007 heeft het college besloten in principe medewerking te verlenen aan het verzoek van [appellant] van 7 maart 2007. Dit principebesluit en de bijbehorende voorwaarden zijn bij brief van 30 november 2007 aan [appellant] toegezonden.

Bij brief van 28 december 2007 heeft [appellant] te kennen gegeven dat hij zich niet in dit principebesluit kan vinden.

3.4. In het algemeen kunnen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De Afdeling merkt voorts op dat uit het begrip conserverend bestemmingsplan niet volgt dat alle bestemmingen gelijk moeten blijven aan de bestemmingen in het voorheen geldende plan.

3.5. Ter zitting heeft de raad medegedeeld dat het zijn bedoeling was om het feitelijk gebruik van de gronden van het perceel van [appellant] als zodanig te bestemmen. Hierbij is de raad uitgegaan van de afspraken die met [appellant] zijn gemaakt over de toe te kennen woonbestemming voor [locatie B], zoals verwoord in de brief van 27 november 2007 en het bijbehorende principebesluit. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad betrokken dat een woonbestemming voor de genoemde gronden een positief effect heeft op de omgeving, die voornamelijk bestaat uit woningen. De raad heeft van belang geacht dat [appellant] had medegedeeld de bedrijfsactiviteiten ter plaatse van [locatie B] te hebben beëindigd en slechts nog enkele oldtimers te hebben als hobby, daardoor vormde de aanwezigheid van een bedrijf vanuit milieuoogpunt geen bezwaar meer voor de toekenning van een woonbestemming aan het perceel [locatie B].

Het feitelijk gebruik van de gronden door [appellant] was in 2007 zodanig dat een woonbestemming aanvaardbaar was, hetgeen ook overeenkomstig de toenmalige bedoeling was. Ter zitting heeft de raad desgevraagd bevestigd dat het bestaande, naar het oordeel van de Afdeling hobbymatige, gebruik is toegestaan binnen de bestemming "Wonen". [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de activiteiten op zijn perceel thans zodanig zijn veranderd dat de bestemming "Wonen" niet langer passend is. Weliswaar heeft [appellant] gewezen op zijn toekomstige belangen bij het behoud van een bedrijfsbestemming voor zijn gronden, maar de raad heeft hier in redelijkheid geen rekening mee hoeven houden. [appellant] heeft gesteld de mogelijkheid van intensivering van de garageactiviteiten open te willen houden ten behoeve van het bedrijf van zijn zoon, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde hier van belang concrete plannen had om die activiteiten te intensiveren.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Wonen" aan het perceel [locatie B] kunnen toekennen.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Loo

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014

418-667.