Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1823

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
201307637/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2011 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend optreden tegen de overtredingen op het perceel [locatie 1] te Soest (hierna: het perceel) afgewezen en besloten de op het perceel aanwezige uitbouw, garage, overkapping en tuinkas te gedogen totdat een nieuw ontwerpbestemmingsplan Landelijk Gebied is vastgesteld. Het college heeft voorts besloten het gebruik van de op het perceel aanwezig woning ten behoeve van het beroep/bedrijf van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna in enkelvoud: [belanghebbende]) te gedogen en niet handhavend op te treden tegen het gebruik en de inrichting van de garage.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/539
JG 2014/45 met annotatie van mr. M. van Harten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307637/1/A1.

Datum uitspraak: 21 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Soest,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 1 augustus 2013 in zaak nrs. 13/1143, 13/1920, 13/2614 en 13/2615 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Soest.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2011 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend optreden tegen de overtredingen op het perceel [locatie 1] te Soest (hierna: het perceel) afgewezen en besloten de op het perceel aanwezige uitbouw, garage, overkapping en tuinkas te gedogen totdat een nieuw ontwerpbestemmingsplan Landelijk Gebied is vastgesteld. Het college heeft voorts besloten het gebruik van de op het perceel aanwezig woning ten behoeve van het beroep/bedrijf van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna in enkelvoud: [belanghebbende]) te gedogen en niet handhavend op te treden tegen het gebruik en de inrichting van de garage.

Bij besluit van 28 augustus 2012 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 13 december 2011 herroepen en [belanghebbende] onder oplegging van een dwangsom gelast om voor 1 maart 2013 de permanente bewoning van de woning op het perceel te staken en gestaakt te houden en de overige bouwwerken aan of bij de woning te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 11 februari 2013 heeft het college de begunstigingstermijn, genoemd in het besluit van 28 augustus 2012, verlengd tot 1 juni 2013.

Bij besluit van 18 april 2013 heeft het college de besluiten van 28 augustus 2012 en 11 februari 2013 herzien door het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 13 december 2011 alsnog ongegrond te verklaren, af te zien van handhavend optreden tegen de bewoning van de woning alsmede de bestaande bijbehorende bouwwerken op het perceel en het wijzigingsbesluit van 11 februari 2013 in te trekken.

Bij uitspraak van 1 augustus 2013 heeft de voorzieningenrechter het door [appellante] tegen het besluit van 18 april 2013 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het tegen het besluit van 11 februari 2013 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2014, waar [appellante], bijgestaan door mr. E. Pasman, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door G. Huttinga, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Ter zitting is voorts [belanghebbende], bijgestaan door mr. E.H.M. Schaakx, advocaat te Amersfoort, verschenen.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat [belanghebbende] het perceel gebruikt in strijd met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" daarop rustende bestemming "multifunctioneel bos" en dat op het perceel zonder de daartoe benodigde vergunningen een woning en diverse andere bouwwerken zijn opgericht. Het college is bevoegd daartegen handhavend op te treden. [appellante] exploiteert op het perceel [locatie 2] te Soest sinds 1996 een dierenpension, waarvoor op 12 januari 2010 een inmiddels onherroepelijke revisievergunning is verleend.

2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3. Voor zover [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de op het perceel aanwezige woning sinds 1983 bestendig in gebruik is en dat aan [belanghebbende] zou zijn toegezegd dat de woning gelegaliseerd zou worden, wordt overwogen dat de voorzieningenrechter in de aangevallen uitspraak slechts het standpunt van het college over deze punten heeft verwoord.

4. [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat concreet zicht op legalisering bestaat. Daarvoor is niet voldoende dat een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd waarin de overtredingen worden gelegaliseerd, maar moet een voldoende onderbouwd materieel concreet zicht op legalisering bestaan, aldus [appellante]. Zij voert in dit verband aan dat de structuurvisie Soest 2009-2030 en het gemeentelijk beleid zich verzetten tegen wonen buiten de bebouwde kom en het college niet heeft onderbouwd waarom in dit geval van dat beleid kan worden afgeweken. Voorts heeft de rechtbank volgens haar niet onderkend dat het ontwerpbestemmingsplan alleen is vastgesteld, omdat het college er ten onrechte van uitging dat de woning reeds sinds 1983 bestendig werd bewoond en aan [belanghebbende] in 2005 zou zijn toegezegd dat legalisering zou plaatsvinden.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 februari 2013 in zaak nr. 201207372/1/A1 en 201207373/1/A1), is, om concreet zicht op legalisering aan te nemen in verband met de komst van een nieuw bestemmingsplan ten minste vereist dat een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd, waarbinnen het gebruik, waar het handhavingsverzoek op ziet, past. In dat geval bestaat echter evenmin concreet zicht op legalisering, indien op voorhand duidelijk is dat het ontwerpplan geen rechtskracht zal verkrijgen. Dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan mogelijk kan worden vernietigd, is onvoldoende om dat laatste aan te nemen.

4.2. Aan het besluit van 18 april 2013 heeft het college ten grondslag gelegd dat op 11 april 2013 het ontwerpbestemmingsplan "Landelijk Gebied" ter inzage is gelegd. In het ontwerpbestemmingsplan zijn aan het perceel de bestemmingen "Wonen" en "Bostuin" met de specifieke bouwaanduiding "bijbehorende bouwwerken" toegekend. De op het perceel aanwezige woning en de overige bouwwerken worden in het ontwerpbestemmingsplan toegestaan. Het college is van mening dat concreet zicht op legalisering bestaat, omdat alle overtredingen die in het besluit van 28 augustus 2012 zijn vermeld, met de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan gelegaliseerd zullen worden. Het college heeft om die reden in het besluit van 18 april 2013 afgezien van handhavend optreden. In hetgeen [appellante] aanvoert, heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat op voorhand duidelijk is dat het ontwerpplan geen rechtskracht zal verkrijgen. Dat in een structuurvisie is opgenomen dat in Soest gewoond wordt binnen de bebouwde kom en de enkele stelling dat het gemeentelijk beleid zich verzet tegen de toekenning van de bestemming "Wonen" aan percelen buiten de bebouwde kom, zijn daarvoor niet voldoende. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de structuurvisie in algemene bewoordingen is gesteld en betrekking heeft op de inhoud van nieuw vast te stellen bestemmingsplannen en niet op individuele gevallen. Voorts heeft het college onweersproken gesteld dat in het buitengebied van Soest meer als zodanige bestemde burgerwoningen aanwezig zijn. Dat, naar [appellante] stelt, de aanleiding tot de vaststelling van het ontwerpbestemmingsplan is dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat de woning sinds 1983 bestendig als zodanig wordt gebruikt en aan [belanghebbende] zou zijn toegezegd dat het gebruik van de woning als burgerwoning zou worden gelegaliseerd, geeft geen grond voor een ander oordeel. Deze omstandigheden laten onverlet dat ten tijde van het besluit van 18 april 2013 een ontwerpbestemmingsplan ter inzage was gelegd waarbinnen het gebruik, waar het handhavingsverzoek op ziet, past, en bieden geen grond voor het oordeel dat op voorhand duidelijk was dat het ontwerpbestemmingsplan geen rechtskracht kan verkrijgen. Ten slotte geeft de ter zitting door [appellante] aangevoerde omstandigheid dat het bestemmingsplan "Landelijk Gebied", dat bij besluit van de raad van de gemeente Soest van 19 december 2013 is vastgesteld, bij uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 30 april 2014 (zaak nr. 201400299/2/R2) is geschorst voor zover het de plandelen met de bestemming "Wonen" en de bestemming "Bos - Bostuin" ter plaatse van het perceel [locatie 1] te Soest betreft, evenmin aanleiding voor een ander oordeel, omdat die omstandigheid dateert van na het besluit van 18 april 2013.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het college in het besluit van 18 april 2013 onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen. Daartoe voert zij aan dat het besluit van 18 april 2013 tot gevolg heeft dat zij geluidwerende maatregelen dient te treffen, terwijl dat niet of nauwelijks nodig is wanneer aan het perceel geen woonbestemming wordt toegekend. Zij voert voorts aan dat uit een in haar opdracht opgestelde notitie van Bureau Peutz van 25 januari 2013 blijkt dat de exploitatie van haar bedrijf aanzienlijk kan toenemen wanneer wordt uitgegaan van een bedrijfsmatig karakter van de omgeving, hetgeen niet mogelijk is wanneer de in de nabijheid van het dierenpension gelegen woning wordt gelegaliseerd.

5.1. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat de vraag of de uitbreidingmogelijkheden van het dierenpension van [appellante] als gevolg van legalisering van de woning belemmerd worden, in deze procedure niet aan de orde kan komen, maar in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan moet worden beantwoord. Zoals hiervoor onder 4.2 is overwogen heeft het college in het besluit van 18 april 2013 terecht concreet zicht op legalisering aanwezig geacht. Onder die omstandigheden kan het college afzien van handhaving, tenzij er ondanks de aanwezigheid van concreet zicht op legalisering redenen zijn om toch handhavend op te treden. Dat kan het geval zijn indien de overtreding ernstige overlast veroorzaakt of anderszins nadelige gevolgen meebrengt. In deze zaak is dat niet het geval. De bij besluit van 12 januari 2010 aan [appellante] verleende revisievergunning heeft na de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2010 in zaak nr. 201001917/1/M2 formele rechtskracht gekregen en wordt derhalve zowel wat inhoud als de wijze van totstandkoming betreft, geacht rechtmatig te zijn. De in die revisievergunning voor het dierenpension gestelde geluidgrenswaarden zullen door de voorgenomen legalisering van de woning niet wijzigen zodat de legalisering voor de huidige bedrijfsexploitatie geen gevolgen heeft. De voorzieningenrechter is terecht tot dezelfde conclusie gekomen en heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college, ondanks de aanwezigheid van concreet zicht op legalisering, toch handhavend had moeten optreden.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt tevergeefs dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat zij geen belang heeft bij haar beroep tegen het besluit van 11 februari 2013. Het besluit van 11 februari 2013 is bij besluit van 18 april 2013 ingetrokken, omdat het college op dat moment concreet zicht op legalisering aanwezig achtte. Ingevolge artikel 6:19, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht staat intrekking van een besluit niet in de weg aan vernietiging daarvan indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij nog belang heeft bij een beoordeling van haar beroep, voor zover het is gericht tegen het ingetrokken besluit van 11 februari 2013. De rechtbank heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014

357-724.