Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1807

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
201305773/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:6013, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2012 heeft de minister geweigerd om aan [appellant] een verklaring van geen bezwaar af te geven voor het vervullen van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201305773/1/A3.

Datum uitspraak: 21 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 mei 2013 in zaak nr. 13/782 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2012 heeft de minister geweigerd om aan [appellant] een verklaring van geen bezwaar af te geven voor het vervullen van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven.

Bij besluit van 11 januari 2013 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 mei 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.A. van Harmelen, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. K. Schaafsma, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: de Wvo) wordt in deze wet verstaan onder vertrouwensfunctie: een functie die krachtens artikel 3, eerste lid, als zodanig is aangewezen.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder b, wordt in deze wet onder verklaring verstaan: een verklaring dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een bepaalde vertrouwensfunctie door een bepaalde persoon.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt, alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, ten aanzien van de betrokken persoon door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) een veiligheidsonderzoek ingesteld.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, omvat het veiligheidsonderzoek het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie. Hierbij wordt uitsluitend gelet op justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en gegevens als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, kan een verklaring slechts worden geweigerd, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven.

In de Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens van 30 januari 1997 (Stcrt. 1997, nr. 35, p. 9; hierna: de beleidsregel) heeft de minister een leidraad gegeven voor het afgeven van verklaringen van geen bezwaar in verband met de vervulling van vertrouwensfuncties op de burgerluchthavens.

In artikel 1, eerste lid, van de beleidsregel is als uitgangspunt neergelegd dat indien het naar de betrokken persoon ingestelde veiligheidsonderzoek gegevens heeft opgeleverd als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvo, bij de beoordeling daarvan rekening wordt gehouden met:

a. de aard van de gegevens;

b. de ouderdom van de gegevens;

c. de aard en de zwaarte van de delicten waarop de gegevens betrekking hebben;

d. de zwaarte van de opgelegde straffen of maatregelen;

e. het aantal in een bepaalde tijdsspanne vastgelegde gegevens;

f. de leeftijd van betrokkene ten tijde van het vastleggen van de gegevens.

Volgens het tweede lid, aanhef en onder l, wordt bij voormelde beoordeling in het bijzonder gelet op gegevens betreffende andere feiten dan die onder a tot en met k worden genoemd en die een risico kunnen opleveren voor de veiligheid van de burgerluchtvaart.

2. Uit een veiligheidsonderzoek is gebleken dat in het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: het JDS) is geregistreerd dat [appellant] op 29 oktober 2010 wegens het in de periode 1 november 2007 tot en met 23 april 2009 in bezit hebben van een afbeelding van een seksuele gedraging met personen jonger dan de leeftijd van 18 jaar is veroordeeld tot 200 uur werkstraf subsidiair 100 dagen hechtenis en 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarde dat hij zich tijdens de proeftijd gedraagt naar de aanwijzingen van de hulpverlenende instantie. Deze veroordeling is op 13 november 2010 onherroepelijk geworden.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de feiten en omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd in deze procedure geen rol spelen en zij ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan zijn leeftijd ten tijde van het strafbare feit, het tijdsverloop en de pleegperiode.

Voorts betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de door hem aangevoerde omstandigheden terecht niet heeft aangemerkt als bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister van de beleidsregel had moeten afwijken. Daartoe voert hij aan dat hij het strafbare feit niet bewust heeft gepleegd. Hij heeft onzorgvuldig gehandeld door de bewuste films en foto's te downloaden, maar hij heeft voordien noch nadien een dergelijke onzorgvuldige handeling verricht. Nu hij niet met opzet heeft gehandeld is in zijn handelen geen aanwijzing te vinden dat hij doelbewust misbruik zou maken van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven, aldus [appellant]. Voorts was hij ten tijde van het onzorgvuldig downloaden 23 jaar oud en was de ontwikkeling van belangrijke hersenfuncties nog niet voltooid, een gegeven waarmee ook rekening wordt gehouden in het wetsvoorstel tot invoering van adolescentenstrafrecht. Daarbij komt dat tussen zijn handelen en zijn veroordeling een lange tijd zit, hetgeen volgens [appellant] niet zonder betekenis is. Ten slotte is volgens [appellant] het belang van het verkrijgen en behouden van een baan in de huidige tijd groter dan voorheen en is een baan op een burgerluchthaven wegens de flexibele werktijden en onregelmatigheidstoeslagen voor hem bijzonder geschikt.

3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister bij de toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Wvo, beoordelingsruimte toekomt en de bestuursrechter deze beoordeling terughoudend moet toetsen. Bij de toepassing van deze bepaling wordt volgens de toelichting op de beleidsregel gekeken naar gegevens die niet ouder zijn dan acht jaar. Indien de opgelegde veroordeling meer dan 40 uren werkstraf bedraagt, wordt deze termijn strikt toegepast. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 mei 2009 in zaak nr. 200807284/1/H3) is dit beleid, en de toelichting daarop, niet onredelijk. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 9 april 2008 in zaak nr. 200705784/1), de minister mag uitgaan van hetgeen in het JDS is geregistreerd over degene die een vertrouwensfunctie wil gaan vervullen en het op diens weg ligt bijzondere omstandigheden aan te voeren.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het in bezit hebben en houden van kinderpornografie, bij het vervaardigen waarvan de lichamelijke integriteit en veiligheid van kinderen is geschonden, niet verenigbaar is met het vervullen van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven, nu bij het vervullen van een dergelijke vertrouwensfunctie juist het beschermen van de lichamelijke integriteit en veiligheid van personen voorop staat. Zij heeft voorts de leeftijd van [appellant] ten tijde van het plegen van strafbare feit terecht niet aangemerkt als bijzondere omstandigheid op grond waarvan de minister van de beleidsregel had moeten afwijken. Daarvoor is van belang dat in de toelichting bij de beleidsregel is opgenomen dat gegevens die zijn vastgelegd voordat de betrokken persoon de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt doorgaans kunnen worden gezien als jeugdzonden en [appellant] bij aanvang van de pleegperiode reeds 23 jaar oud was. Voorts heeft de rechtbank de periode tussen het einde van de pleegperiode en de veroordeling terecht niet als dusdanig lang aangemerkt dat de minister op grond daarvan van de beleidsregel had moeten afwijken. Zoals de Afdeling voorts reeds meermalen heeft overwogen, bijvoorbeeld in voornoemde uitspraak van 9 april 2008, is het niet kunnen vervullen van de vertrouwensfunctie door de betrokkene die niet beschikt over een verklaring van geen bezwaar inherent aan het systeem van de Wvo en moeten de daarmee samenhangende belangen van betrokkenen derhalve worden geacht in de beleidsregel te zijn verdisconteerd. De door [appellant] in dit verband gestelde omstandigheden zijn derhalve door de rechtbank terecht evenmin als bijzondere omstandigheden aangemerkt op grond waarvan de minister van de beleidsregel had moeten afwijken.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Beerse

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014

382-721.