Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:180

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
201302090/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:479, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2009 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302090/1/A2.

Datum uitspraak: 29 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Epe,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Zutphen van 8 februari 2012 en de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen, van 23 januari 2013 in zaak nr. 10/1092 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2009 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 23 juni 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 8 februari 2012 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om het in die tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 23 maart 2012 heeft het college, gevolg gevend aan de tussenuitspraak, een nadere motivering van het besluit van 23 juni 2010 gegeven.

Bij uitspraak van 23 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 23 juni 2010 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben elk een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.A.R. Bolhuis-de Boer, juridisch adviseur te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. K.A. Weerts, werkzaam bij de gemeente, vergezeld door mr. J.H.J. van Erk, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ), zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef onder a, is een bepaling van een bestemmingsplan een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 6.3, aanhef en onder a, betrekken burgemeester en wethouders met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak bij hun beslissing op de aanvraag.

2. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient het planologisch regime na de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologisch regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologisch regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

3. [appellant] is eigenaar van het landhuis aan de [locatie] te Epe (hierna: het landhuis) met ondergrond, erf, tuin en cultuurgrond. Bij brief van 2 februari 2009 heeft hij het college verzocht om vergoeding van planschade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van 23 juni 2005 (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Daartoe heeft hij aangevoerd dat de inwerkingtreding van dat bestemmingsplan op 3 mei 2006 (hierna: de peildatum) ertoe heeft geleid dat de mogelijkheden tot het bouwen van bijgebouwen op de eigen gronden zijn beperkt en dat de omliggende gronden een voor hem ongunstigere bestemming hebben gekregen.

4. Het college heeft voor het op de aanvraag te nemen besluit advies gevraagd aan de SAOZ.

In een advies van november 2009 (hierna: het advies) heeft de SAOZ de planologische mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan met die van het bestemmingsplan ‘Wissel’ van 22 januari 1976 (hierna: het oude bestemmingsplan) vergeleken. Uit die vergelijking is de conclusie getrokken dat [appellant] als gevolg van de planologische verandering voor de eigen gronden enigszins een voordeel heeft en voor de omliggende gronden in zeer geringe mate een nadeel. Volgens de SAOZ is [appellant] per saldo niet in een ongunstigere positie komen te verkeren en heeft hij geen planschade geleden.

Het college heeft dit advies aan het besluit van 9 december 2009 ten grondslag gelegd en dat besluit in bezwaar gehandhaafd.

5. In de tussenuitspraak van 8 februari 2012 heeft de rechtbank overwogen dat de SAOZ voor de eigen gronden van [appellant] ten onrechte niet de tweede partiële herziening van het oude bestemmingsplan van 27 oktober 1983 (hierna: de tweede partiële herziening) in de planvergelijking heeft betrokken. Het college heeft, in de gelegenheid gesteld dat gebrek te herstellen, een nader advies van de SAOZ van 13 maart 2012 (hierna: het nader advies) overgelegd. Daarin heeft de SAOZ de planologische mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan met die van de tweede partiële herziening vergeleken. In het nader advies is voor de eigen gronden van [appellant] uiteengezet dat de bouwmogelijkheden voor de woning zijn verruimd, de bouwmogelijkheden voor bijgebouwen zijn beperkt, de uitoefening van een beroep aan huis thans is toegestaan en het gebruik van de cultuurgrond voor een sier- en boomkwekerij thans niet meer is toegestaan. Voorts is daarin voor de omliggende gronden uiteengezet dat het gebruik van die gronden voor een sier- en boomkwekerij thans niet meer is toegestaan en dat de planologische mogelijkheden aan de overzijde van de Oost Ravenweg zijn verruimd. Uit deze vergelijking heeft de SAOZ opnieuw de conclusie getrokken dat [appellant] als gevolg van de planologische verandering voor de eigen gronden enigszins een voordeel heeft en voor de omliggende gronden in zeer geringe mate een nadeel. Volgens het nader advies is [appellant] per saldo niet in een ongunstigere positie komen te verkeren en is de waarde van het landhuis met ondergrond, erf, tuin en cultuurgrond op de peildatum van € 1.075.000,00 naar € 1.085.000,00 gestegen.

6. [appellant] heeft in hoger beroep een rapport van Administratie Kantoor Apeldoorn B.V. (hierna: Apeldoorn) van 27 maart 2013 overgelegd. Het college heeft daarop een aanvullend nader advies van de SAOZ van 3 mei 2013 overgelegd.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de door de SAOZ gemaakte planvergelijking voor de omliggende gronden aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Daartoe voert hij aan dat voor de gronden aan de overzijde van de Oost Ravenweg bij de invulling van het oude planologische regime ten onrechte niet de eerste partiële herziening van het oude bestemmingsplan van 16 november 1978 (hierna: de eerste partiële wijziging) in de planvergelijking is betrokken. Voorts voert hij aan dat thans ook de bijkomende activiteiten op die gronden, zoals het parkeren, tot overlast kunnen leiden. Ten slotte voert hij aan dat de ten noordwesten van de eigen gronden gelegen gronden onder het nieuwe planologische regime voor een recreatiewoning zijn bestemd, dat het bouwvlak op de eigen gronden zich op een afstand van slechts 15 m van het bouwvlak voor die woning bevindt en dat de gebruiksmogelijkheden van die woning, in samenhang met de geringe afstand tot de eigen gronden, tot een vermindering van de waarde van het landhuis met ondergrond, erf, tuin en cultuurgrond hebben geleid.

7.1. In het advies is vermeld dat het bouwvlak van de bij het oude bestemmingsplan voor een gastinrichting bestemde gronden aan de overzijde van de Oost Ravenweg onder het oude planologische regime een bebouwingspercentage van maximaal 30 had en dat, als gevolg van de planologische wijziging, de bebouwingsmogelijkheden van deze bij het nieuwe bestemmingsplan voor maatschappelijke doeleinden bestemde gronden zijn toegenomen. Ter zitting van de Afdeling heeft de vertegenwoordiger van de SAOZ medegedeeld dat in het advies niet is onderkend dat dat bebouwingspercentage bij de eerste partiële herziening naar 60 is verhoogd, dat de planologische wijziging niet tot een verruiming van de bebouwingsmogelijkheden op de gronden aan de overzijde van de Oost Ravenweg heeft geleid, dat [appellant], anders dan in het advies is uiteengezet, in zoverre als gevolg van de planologische wijziging geen nadeel heeft geleden en dat het verkleinen van de voor bos of parkstrook bestemde gronden aan de overzijde van de Oost Ravenweg niet tot een andere conclusie leidt.

Hoewel [appellant], gelet op het vorenstaande, terecht aanvoert dat aan de planvergelijking voor de gronden aan de overzijde van de Oost Ravenweg een gebrek kleeft, is hij daardoor niet in zijn belangen geschaad. In het advies is het nadeel als gevolg van de wijziging van de bebouwingsmogelijkheden op de gronden aan de overzijde van de Oost Ravenweg immers - in zijn voordeel - overschat. Het eerste onderdeel van het betoog leidt niet tot het door [appellant] ermee gewenste resultaat.

7.2. Uit de in het nader advies gemaakte planvergelijking valt af te leiden dat de SAOZ heeft onderkend dat de gebruiksmogelijkheden van de gronden aan de overzijde van de Oost Ravenweg zijn verruimd en dat de gebruiksintensiteit ter plaatse per saldo in geringe mate is toegenomen. Volgens de SAOZ heeft dit nadeel, samen met het nadeel als gevolg van de wijziging van de bebouwingsmogelijkheden van die gronden, tot een waardedaling van € 15.000,00 geleid. Dat daarover een verschil van inzicht bestaat met Apeldoorn, die in haar rapport van 27 maart 2013 een waardedaling van € 20.000,00 heeft vermeld, betekent op zichzelf niet dat de taxatie van de SAOZ te laag is. In het nader advies is vermeld dat die taxatie in overleg met een taxateur heeft plaatsgevonden. In het rapport van 27 maart 2013 is niet draagkrachtig gemotiveerd waarom die taxatie, uitgaande van de in het nader advies gemaakte planvergelijking, niet kan worden gevolgd. Daarbij is niet zonder belang dat, gelet op het vorenstaande, het nadeel als gevolg van de wijziging van de bebouwingsmogelijkheden in die planvergelijking is overschat. Ook het tweede onderdeel van het betoog faalt.

7.3. Volgens het nader advies levert de voor gebruik als recreatiewoning gewijzigde bestemming van de gronden ten noordwesten van de eigen gronden, gezien de beperkte bebouwingsmogelijkheden van die gronden en de afstand tot de eigen gronden, voor [appellant] geen nadeel op. In het verweerschrift in hoger beroep is in dit verband gesteld dat de afstand van die gronden tot het bouwvlak van de eigen gronden ongeveer 30 m is en de afstand tot het landhuis ongeveer 68 m.

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet juist is. Het derde onderdeel van het betoog faalt derhalve evenzeer.

8. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de SAOZ in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de bebouwingsmogelijkheden voor een woning op de eigen gronden onder het nieuwe planologische regime ruimer zijn dan onder het oude. Daartoe voert hij aan dat, nu in de ten behoeve van het realiseren van het landhuis verleende bouwvergunning van 17 oktober 2002 is vermeld dat het bouwplan in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan is, het ervoor dient te worden gehouden dat de afmetingen van het landhuis aansluiten bij die van de bestaande bebouwing ten tijde van het in ontwerp ter visie leggen van de tweede partiële wijziging. Voorts voert hij aan dat de kwaliteit van de door de SAOZ gebruikte foto te matig is om op basis daarvan de afmetingen van die bebouwing te schatten.

8.1. Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van de bij de tweede partiële wijziging behorende voorschriften (hierna: de planvoorschriften) mag de op de plankaart als woonboerderij bestemde grond uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van één woning (tot burgerwoning verbouwde boerderij met aangebouwde bedrijfsruimte) met de daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken en andere werken.

Ingevolge het derde lid mag het karakter en het uiterlijk aanzien van het hoofdgebouw, zoals dat bestaat op het tijdstip van het in ontwerp ter visie leggen van het plan, door verbouwing niet zodanig worden gewijzigd, dat de gelijkenis met het op dat tijdstip bestaande gebouw goeddeels verloren gaat. Dit verbod geldt niet, indien de woonboerderij in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht of de bestaande afwijking wordt verkleind en de bestaande bebouwing daardoor met niet meer dan 15 procent wordt uitgebreid.

8.2. In het nader advies is de conclusie getrokken dat de bebouwingsmogelijkheden voor een woning op de eigen gronden zijn verruimd. Daartoe is vermeld dat de maatvoering van het hoofdgebouw ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van de tweede partiële wijziging thans niet meer het uitgangspunt voor de bebouwingsmogelijkheden is. Voorts is vermeld dat, gezien de oppervlakte van de oorspronkelijk bestaande bebouwing, uitbreiding met meer dan 15 procent van die bebouwing thans mogelijk is, alsmede dat, gezien de goot- en nokhoogte van het hoofdgebouw, de maximale goot- en nokhoogte thans hoger is. Ten slotte is vermeld dat het bouwvlak aanmerkelijk is vergroot.

8.3. In de motivering van de bouwvergunning van 17 oktober 2002 is, anders dan [appellant] stelt, niet vermeld dat het ingediende bouwplan in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan is. In die motivering is juist uiteengezet dat het bouwplan op onderdelen in strijd met dat bestemmingsplan is, maar dat dit geen reden is de gevraagde vergunning te weigeren, gezien de voorgenomen herziening van het bestemmingsplan. Derhalve brengt het verlenen van die vergunning niet met zich dat de SAOZ bij de planvergelijking was gehouden om de feitelijke maatvoering van het landhuis als uitgangspunt te gebruiken voor de omschrijving van de bebouwingsmogelijkheden op de eigen gronden onder het oude planologische regime. Voorts is van belang dat, gezien de door de SAOZ voor het nader advies gebruikte foto en situatietekening, geen grond bestaat voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de afmetingen van het landhuis wezenlijk afwijken van die van de ten tijde van het in ontwerp ter visie leggen van de tweede partiële wijziging bestaande bebouwing. Derhalve kan aan de bouwvergunning van 17 oktober 2002 niet de waarde worden gehecht die [appellant] daaraan wenst toe te kennen.

Het betoog faalt.

9. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft verzuimd een oordeel te geven over de beroepsgronden dat hij door de beperking van de mogelijkheid tot het oprichten van bijgebouwen op de eigen gronden in een slechtere positie is komen te verkeren en dat de verruiming van het bouwvlak op de eigen gronden geen voordeel oplevert.

9.1. Hoewel de rechtbank ten onrechte geen oordeel over deze beroepsgronden heeft gegeven, leidt dat, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

9.2. In het nader advies is uiteengezet dat de maximale oppervlakte van bijgebouwen op de eigen gronden thans 60 m² is, terwijl dat onder het oude planologische regime nog 100 m² was, zodat de planologische verandering in zoverre beperkend is. Niet is vermeld of en zo ja, in welke mate dit nadeel tot schade heeft geleid. In het rapport van Apeldoorn is in dit verband vermeld dat de beperking van de maximale oppervlakte van bijgebouwen op de eigen gronden op de peildatum tot een waardevermindering van € 5.000,00 heeft geleid. Voor zover dit juist is, laat dat onverlet dat, gezien de taxatie van de SAOZ, dit nadeel niet een zodanig gewicht in de waardebepaling heeft, dat niet langer staande kan worden gehouden dat [appellant] per saldo geen schade heeft geleden.

9.3. In het advies is uiteengezet dat het bouwvlak thans ook de onder het oude planologische regime als tuin bestemde gronden omvat en dat deze forse verruiming van het bouwvlak onmiskenbaar een voordeel is. Dat de bestaande bijgebouwen, gezien hun totale oppervlakte, de maximale omvang hebben, betekent niet dat, zoals in het rapport van Apeldoorn is aangevoerd, de verruiming van het bouwvlak als een verwaarloosbaar voordeel kan worden beschouwd. Als gevolg van die verruiming zijn de mogelijkheden voor het situeren van een bijgebouw immers toegenomen.

10. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat nu het onder het oude planologische regime niet toegestaan was de woning voor de uitoefening van een bedrijf te gebruiken, terwijl het nieuwe bestemmingsplan het mogelijk heeft gemaakt een beroep aan huis uit te oefenen, dit een verruiming van de gebruiksmogelijkheden is. Daartoe voert hij aan dat het ook onder het oude planologische regime onder bepaalde voorwaarden was toegestaan een beroep aan huis uit te oefenen en dat hij in dat opzicht geen voordeel bij het nieuwe bestemmingsplan heeft. Voorts voert hij aan dat de mogelijkheid voor het ondernemen van een ruime serie bedrijfsmatige activiteiten in de woning is vervallen en dat hij in dat opzicht een nadeel bij het nieuwe bestemmingsplan heeft.

10.1. Voor zover de mogelijkheden om een beroep aan huis uit te oefenen onder het nieuwe bestemmingsplan niet zijn verruimd, zodat dat bestemmingsplan op dat onderdeel voor [appellant] geen voordeel ten opzichte van het oude planologische regime oplevert, laat dat onverlet dat dat onderdeel niet een zodanig gewicht in de planvergelijking en de waardebepaling heeft, dat niet langer staande kan worden gehouden dat [appellant] per saldo niet in een nadeliger situatie is komen te verkeren en geen schade heeft geleden. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de mogelijkheid voor het ondernemen van een ruime serie bedrijfsmatige activiteiten in de woning bij de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan is vervallen. Dat de woning in artikel 2.3, eerste lid, van de planvoorschriften is aangeduid als een tot burgerwoning verbouwde boerderij met aangebouwde bedrijfsruimte, leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit, ook gelet op het derde lid, slechts een feitelijke omschrijving van de bestaande bebouwing is. Uit die omschrijving volgt niet dat het onder het oude planologische regime was toegestaan de woning voor de door [appellant] bedoelde bedrijfsmatige activiteiten te gebruiken.

Het betoog faalt.

11. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft verzuimd een oordeel te geven over de beroepsgrond dat het vervallen van de mogelijkheid om de eigen gronden voor een sier- en boomkwekerij aan te wenden tot schade heeft geleid. Daartoe voert hij aan dat het benutten van deze onder het oude planologische regime nog bestaande gebruiksmogelijkheid niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten. Voorts voert hij aan dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij geen concrete poging heeft gedaan om die gebruiksmogelijkheid te benutten, zodat niet staande kan worden gehouden dat hij het risico heeft aanvaard dat die gebruiksmogelijkheid zou kunnen vervallen.

11.1. In het nader advies is vermeld dat nu het gebruik van de eigen cultuurgrond voor een sier- en boomkwekerij onder het oude bestemmingsplan niet was toegestaan, maar de partiële herziening dat mogelijk heeft gemaakt, dit alsnog in de vergelijking met het nieuwe bestemmingsplan dient te worden betrokken. In het nader advies is voorts uiteengezet dat het gebruik van de grond voor een sier- en boomkwekerij thans niet meer is toegestaan. Hoewel de oppervlakte van de cultuurgrond te gering is voor een reële bedrijfsmatige aanwending voor een sier- of boomkwekerij, is het vervallen van die mogelijkheid, strikt genomen, een planologische beperking. Deze beperking heeft echter geen invloed op de waarde van de grond omdat de bodem ter plaatse niet geschikt is voor een sier- en boomkwekerij. Weliswaar is het theoretisch denkbaar om de bodem daarvoor alsnog geschikt te maken, maar de daarvoor benodigde werkzaamheden zouden zodanig ingrijpend en kostbaar zijn, dat een redelijk denkend en handelend koper voor die planologische mogelijkheid niet bereid zou zijn om meer voor de grond te betalen. Indien [appellant] de gronden toch voor een sier- en boomkwekerij had willen gebruiken, zou dat bovendien ten koste zijn gegaan van het uitzicht en de zonlichttoetreding vanaf de eigen gronden, aldus het nader advies.

11.2. Uit het in zoverre niet bestreden nader advies volgt dat [appellant], door het vervallen van de mogelijkheid om de eigen cultuurgrond voor een sier- en boomkwekerij te gebruiken, in een nadeliger positie is komen te verkeren en dat het college, in navolging van de SAOZ, dit in eerste instantie niet heeft onderkend. [appellant] kan redelijkerwijs niet worden verweten dat hij op dit punt eerst in de zienswijze naar aanleiding van het nader advies een beroepsgrond heeft aangevoerd. De rechtbank heeft die beroepsgrond derhalve ten onrechte buiten inhoudelijke bespreking gelaten. Dit leidt echter, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

11.3. Niet in geschil is dat het benutten van de onder het oude planologische regime bestaande mogelijkheid om de eigen cultuurgrond voor een sier- en boomkwekerij te gebruiken niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten.

In het nader advies is gemotiveerd dat het vervallen van deze mogelijkheid geen negatieve invloed op de waarde van de grond heeft. In het rapport van Apeldoorn is in dit verband vermeld dat er ten tijde van de peildatum veel vraag was naar grond die al dan niet door middel van containerteelt voor een sier- en boomkwekerij was te gebruiken en dat het vervallen van die mogelijkheid tot een waardedaling van de eigen cultuurgrond van € 15.000,00 heeft geleid. Uit dit rapport valt niet af te leiden dat bij deze waardering rekening is gehouden met de geringe oppervlakte van de eigen cultuurgrond en de slechte bodemgesteldheid. In het verweerschrift in hoger beroep is voorts gesteld dat containerteelt een recente ontwikkeling is die ten tijde van de peildatum nog nauwelijks in Nederland voorkwam. In het rapport van Apeldoorn is deze stelling van het college niet gemotiveerd bestreden. Dat tussen de SAOZ en Apeldoorn verschil van inzicht bestaat over de waardering van dit uit de planologische vergelijking voortvloeiende nadeel, betekent niet dat [appellant] aannemelijk heeft gemaakt dat dit onderdeel van het nader advies niet juist is.

Het betoog faalt.

12. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank hem ten onrechte geen vergoeding van de kosten in bezwaar heeft toegekend.

12.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Omdat het besluit van 9 december 2009 niet is herroepen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien het college te veroordelen in de kosten die [appellant] in bezwaar heeft gemaakt.

Het betoog faalt.

13. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraken van de rechtbank, voor zover aangevallen, dienen te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraken van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014

452.