Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1797

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
201300848/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Probroed & Sloot, team Langenboom, Zuid Carolinaweg 26" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/536
JOM 2014/546
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/1862
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300848/1/R3.

Datum uitspraak: 21 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Langenboom, gemeente Mill en Sint Hubert,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Langenboom, gemeente Mill en Sint Hubert,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Probroed & Sloot, team Langenboom, Zuid Carolinaweg 26" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant sub 1] beroep ingesteld.

Bij besluit van 19 september 2013 heeft de raad wederom het bestemmingsplan "Probroed & Sloot, team Langenboom, Zuid Carolinaweg 26" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Probroed B.V. (hierna: Probroed) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Probroed heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2014, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], beiden bijgestaan door mr. R.T. Kirpestein, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.J. Zwiebel, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Probroed, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en bijgestaan door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, gehoord.

Overwegingen

1. Bij besluit van 19 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Probroed & Sloot, team Langenboom, Zuid Carolinaweg 26" opnieuw vastgesteld en daarmee het besluit van 15 november 2012 vervangen. Het besluit van 19 september 2013 wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), van rechtswege geacht onderwerp te zijn van het geding tussen [appellant sub 1] en de raad.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.1. Het plan voorziet in een uitbreiding van het bouwvlak tot een omvang van ongeveer 1,5 ha. Hiermee wordt beoogd de uitbreiding van de bestaande kuikenbroederij aan de Zuid Carolinaweg 26 te Langenboom mogelijk te maken.

3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2], die in de directe omgeving van de kuikenbroederij wonen, betogen dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voeren ze aan dat het perceel waar de broederij op is gevestigd ten onrechte niet als intensieve veehouderij is aangemerkt als bedoeld in de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012). Aanwijzingen hiervoor zien zij in de begripsbepalingen van de Verordening 2012. Hoewel de kuikens slechts maximaal drie dagen op het perceel verblijven is dit langer dan gebruikelijk en dient dit volgens hen te worden aangemerkt als het houden van dieren. Verder stelt [appellant sub 1] dat voor uitbroed- dan wel foksystemen een emissiefactor voor ammoniak en zwevende deeltjes dient te worden berekend en dat de raad dit ten onrechte heeft nagelaten.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat op het bedrijf geen dieren worden gehouden. Het bedrijf laat eieren uitbroeden tot kuikens, die binnen maximaal drie dagen na geboorte de broederij weer verlaten.

3.2. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch". Binnen het bouwvlak is de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf" opgenomen.

Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt onder een agrarisch bedrijf, intensieve veehouderij verstaan een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van een grondgebonden melkrundveehouderij.

Onder een agrarisch bedrijf, overig niet-grondgebonden wordt verstaan een agrarisch bedrijf, met uitzondering van een intensieve veehouderij, waarvan de productie niet in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde gronden in de directe omgeving van het bedrijf.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, aanhef en sub 2, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf" tevens overige niet-grondgebonden agrarische bedrijven zijn toegestaan.

3.3. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 40, van de Verordening 2012 wordt onder een intensieve veehouderij verstaan een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkrundveehouderij;

Ingevolge dat artikel, aanhef en onder 58, wordt onder een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt;

Ingevolge dat artikel, aanhef en onder 61, wordt onder een overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een intensieve veehouderij of een glastuinbouwbedrijf.

3.4. Uit de toelichting van de Verordening 2012 volgt dat voor het begrip intensieve veehouderij is aangesloten bij de landelijke standaard aanbevelingen die bekend staan onder de naam "Op de digitale leest", 2003. Voor een intensieve veehouderij is, naast dat het gaat om een bedrijfsvoering die in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt, ook van belang dat de bedrijfsvoering is gericht op het houden van dieren. Een indicatie voor de aard van de bedrijfsvoering wordt gegeven door het gebruikte stalsysteem en de feitelijke inrichting van de stal. Ook het raadplegen van de vereiste milieuvergunning of melding is een hulpmiddel, aldus de toelichting.

3.5. In de broederij wordt een bevrucht kippenei eenmalig 48 uur warm gehouden, waarna het ei 21 dagen een broedproces doorgaat. Binnen het bedrijf worden twee broedprocessen naast elkaar toegepast, te weten het traditionele broedproces en het Broods-broedproces. Het voornaamste verschil tussen deze twee processen is dat de uitgekomen kuikens bij een traditioneel broedproces geen water of eten krijgen en binnen één dag na het uitbroeden in een gesloten kast naar een pluimveehouderij worden vervoerd. Bij het Broods-broedproces worden de uitgekomen kuikens in een zogenoemde hatchkast geplaatst waar eten en drinken aanwezig is. Deze kuikens verblijven maximaal drie dagen op de broederij, hetgeen in een maatwerkvoorschrift is neergelegd bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van Mill en Sint Hubert van 23 maart 2011, en worden daarna eveneens naar een pluimveehouderij vervoerd.

3.6. De Afdeling is van oordeel dat, gelet op bovenvermelde bedrijfsvoering, dit bedrijf is gericht op het uitbroeden van eieren en niet op het houden van dieren. Dit betekent dat het bedrijf niet als intensieve veehouderij moet worden aangemerkt. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de uitgekomen kuikens de broederij vrijwel direct verlaten om naar een pluimveehouderij te worden vervoerd, die wel is ingericht om kuikens te houden. De enkele omstandigheid dat bij dit bedrijf een aantal kuikens maximaal drie dagen in plaats van de gebruikelijke één dag ter plaatse verblijft, acht de Afdeling in dit geval eveneens onvoldoende om te kunnen spreken van een bedrijfsvorm die naar haar aard gelijk moet worden gesteld met een intensieve veehouderij. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat voor deze dieren een emissiefactor geldt, overweegt de Afdeling dat dit noch uit de Regeling ammoniak en veehouderij noch uit de Regeling geurhinder en veehouderij volgt. De in die regelgeving weergegeven lijsten met emissiefactoren hebben ten aanzien van vleeskuikens betrekking op huisvestingssystemen, waarbij wordt uitgebroed en opgefokt tot 13 onderscheidenlijk 19 dagen na het uitbroeden. Het laten verblijven van kuikens tot maximaal drie dagen na het uitbroeden kan daarmee niet worden gelijkgesteld.

Nu de bedrijfsvoering wel uitsluitend in gebouwen plaatsvindt, heeft de raad dit bedrijf in redelijkheid kunnen bestemmen als een overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf. Dat, zoals [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ter zitting hebben aangevoerd, in de toelichting van de Verordening 2012 bij het begrip overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf als voorbeeld een tuinbouwbedrijf wordt genoemd, betekent niet dat niet ook andere bedrijven onder die categorie kunnen vallen. Het gaat immers om een restcategorie. Het betoog faalt.

4. Verder voert [appellant sub 1] aan dat door dit plan bij zijn woning geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat meer kan worden gegarandeerd. Volgens hem kan wat betreft de nieuwe bebouwingsmogelijkheden waarin dit plan voorziet, niet aan de aanbevolen afstanden in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) worden voldaan.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de VNG-brochure niet bindend is en hier niet van toepassing is. Verder is er een geluidswal en zal het geluid vanuit de inrichting verder afnemen omdat de activiteiten die plaatsvinden in de tenten, verplaatst zullen worden naar de in het plan voorziene bebouwing. Volgens de raad verspreiden kuikens geen geur of zwevende deeltjes.

4.2. De in de VNG-brochure opgenomen afstanden zijn indicatief en hoeven derhalve niet verplicht gehanteerd te worden. De Afdeling stelt vast dat de raad de VNG-brochure niet ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit. In de plantoelichting staat dat de verschillende milieuaspecten, waaronder geluid, lucht en geur, zijn beoordeeld. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek (industrielawaai); Unibroed Van Lith B.V.; Project: Zuid Carolinaweg 30 te Langenboom" van 21 december 2010, opgesteld door onderzoeksbureau Amitec, volgt dat aan de van toepassing zijnde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Verder staat in de plantoelichting dat ook wat betreft de aspecten lucht en geur er geen belemmeringen zijn. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding aan deze conclusies te twijfelen. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Het betoog faalt.

5. [appellant sub 1] betoogt dat de aanduiding "agrarisch - overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf" niet is opgenomen in de bouwvoorschriften, zodat er geen maximum bebouwingspercentage geldt. Ook meent hij dat artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.2, sub e en f, van de planregels overbodig is.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de algemene bouwregels gelden.

5.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub a, van de planregels geldt voor het bouwen van bouwwerken in het algemeen dat gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en voorzieningen zoals verhardingen, mestzakken en foliebassins uitsluitend binnen een bouwvlak zijn toegestaan.

Ingevolge het bepaalde onder 3.2.2, geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen:

a. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 7 m;

b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m;

c. de oppervlakte aan teeltondersteunende kassen mag niet meer bedragen dan 5.000 m²;

d. het bebouwingspercentage van het bouwvlak aan bedrijfsgebouwen ten behoeve van een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" mag ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" per bouwvlak niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage (%)" is aangegeven;

e. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 1" is de bestaande oppervlakte aan bebouwing toegestaan;

f. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 2" zijn geen bedrijfsgebouwen toegestaan.

5.3. Blijkens de verbeelding hebben de gronden binnen het bouwvlak de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf". Er is geen bebouwingspercentage opgenomen. De systematiek van dit plan brengt met zich dat het bouwvlak dan ook in zijn geheel bebouwd mag worden. Zoals de raad ter zitting heeft toegelicht, is dit ook beoogd. Over artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.2, sub e en f, van de planregels overweegt de Afdeling dat er, hoewel deze bepalingen overbodig zijn, omdat op de verbeelding bedoelde aanduidingen niet voorkomen, geen aanleiding bestaat het bestreden besluit in zoverre te vernietigen. Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande zijn het beroep van [appellant sub 1], voor zover gericht tegen het besluit van 19 september 2013, en het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Gezien het vorenstaande vormt het plan dat bij het besluit 15 november 2012 is vastgesteld niet langer het geldende planologische regime. Nu ook overigens niet is gebleken dat [appellant sub 1] nog enig belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen dat besluit, ziet de Afdeling aanleiding zijn beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] voor zover gericht tegen het besluit van 15 november 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Probroed & Sloot, team Langenboom, Zuid Carolinaweg 26" niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1], voor het overige, en het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Van Hardeveld

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014

288-661.