Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1796

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
201305232/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:1695, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juni 2012 heeft het college aan de [vennootschap onder firma] een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van de uitbreiding van een vleesvarkenshouderij op het perceel [locatie A] te Boxtel (hierna: de inrichting).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet ammoniak en veehouderij
Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2014/2730
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6758
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/1940
JOM 2015/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201305232/1/A4.

Datum uitspraak: 21 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Gemonde, gemeente Boxtel, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant])

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 1 mei 2013 in zaak nr. 12/2212 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2012 heeft het college aan de [vennootschap onder firma] een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van de uitbreiding van een vleesvarkenshouderij op het perceel [locatie A] te Boxtel (hierna: de inrichting).

Bij uitspraak van 1 mei 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2013, waar [appellant en twee andere appellanten] en het college, vertegenwoordigd door ing. R.J.A.M. van Wersch, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

De vergunning

1. De bij het besluit van 5 juni 2012 verleende vergunning ziet op bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, het gebruik van gronden in strijd met een bestemmingsplan, als bedoeld in het eerste lid, onder c, en het veranderen van een inrichting en het in werking hebben van de gehele inrichting na die verandering, als bedoeld in het eerste lid, onder e, in samenhang met artikel 2.6, eerste lid.

De vergunning is verleend ten behoeve van de realisering van een nieuwe stal met luchtwasser en de uitbreiding van het veebestand binnen de inrichting. In de nieuwe stal (stal 2) worden 1.456 vleesvarkens gehouden. Het aantal te houden vleesvarkens in de bestaande, traditionele stal (stal 1) neemt af van 800 tot 484. De toestemming voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan ziet op de luchtwasser die hoger is dan de in de bebouwingsvoorschriften van het geldende bestemmingsplan voorgeschreven hoogte van 2,5 m.

Visuele hinder

2. [appellant] betoogt dat het bij de vergunning behorende beplantingsplan - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - niet toereikend kan worden geacht ter beperking van visuele hinder, omdat de knotwilgen die 20 jaar geleden op het perceel [locatie B] zijn geplant, daarin niet hadden mogen worden opgenomen.

2.1. Ingevolge vergunningvoorschrift A.3 dienen binnen één plantseizoen na gereedkomen van het bouwwerk de in het beplantingsplan opgenomen beplanting en werkzaamheden te worden aangebracht en in stand te worden gelaten.

2.2. Het beplantingsplan voorziet blijkens de bij het plan behorende tekening van 8 december 2011 in beplanting aan de oost-, west- en zuidzijde van de inrichting. Aan de oostzijde voorziet het beplantingsplan in een 6 m breed bosplantsoen naast de bestaande knotwilgen. De omstandigheid dat de knotwilgen op de tekening zijn weergegeven met de aanduiding 'Bestaande knotwilgen + struweel v. buren' maakt niet dat deze onderdeel uitmaken van het beplantingsplan.

Het betoog faalt.

Emissies van stoffen, algemeen

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank bij de beoordeling van de beroepsgronden over de emissie van ammoniak, geur en zwevende deeltjes er aan voorbij gaat dat de stallen moeten voldoen aan de eisen van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

3.1. Dit betoog faalt. De milieugevolgen van de inrichting dienen te worden beoordeeld aan de hand van de vergunningaanvraag. Het in de vergunningaanvraag weergegeven stalsysteem en de daarbij behorende veebezetting zijn derhalve bepalend. De vraag of de vergunningaanvraag op dit punt in overeenstemming is met de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, kan in deze procedure niet aan de orde komen.

4. Voor zover [appellant], onder verwijzing naar een artikel van begin juni 2013 uit het Brabants Dagblad, betoogt dat uit een recent onderzoek van de Algemene Rekenkamer blijkt dat de werkelijke uitstoot aan fijn stof, ammoniak en geur uit stallen met luchtwassers veel hoger is dan tot nu toe wordt aangenomen, overweegt de Afdeling dat hij met de enkele verwijzing naar dat artikel niet aannemelijk heeft gemaakt dat de rechtbank van onjuiste gegevens is uitgegaan noch dat het college de desbetreffende milieugevolgen onjuist heeft beoordeeld.

Ammoniak

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat vergunning had moeten worden geweigerd vanwege de ammoniakemissie vanuit de stallen. Daarbij wijst hij er onder meer op dat door de bouw van de nieuwe stal het veebestand in de toekomst kan worden uitgebreid tot 5.108 mestvarkens zonder dat gebruik behoeft te worden gemaakt van de depositiebank.

5.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: Wav) betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de omgevingsvergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

Ingevolge het derde lid geldt het eerste lid niet voor het weigeren van de omgevingsvergunning op de grond dat door verlening daarvan niet aan artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 1°, van de Wabo kan worden voldaan en voor voorschriften die met toepassing van het bepaalde krachtens artikel 2.22, derde lid, van die wet of artikel 1.3c of 8.40 van de Wet milieubeheer worden gesteld om te bereiken dat in de veehouderij ten minste de voor de veehouderij in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Daarbij geldt dat de vergunningverlening wordt beoordeeld naar de overeenstemming van de som van de ammoniakemissies uit de tot de inrichting behorende dierenverblijven met de som van de ammoniakemissies die zijn toegestaan bij een beoordeling per afzonderlijk huisvestingssysteem, met dien verstande dat een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, afzonderlijk aan de voorschriften voldoet.

Ingevolge artikel 6 wordt een omgevingsvergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

5.2. Het gaat in deze procedure om de uitbreiding van het veebestand zoals dat bij het besluit van 5 juni 2012 is vergund. Een mogelijke, toekomstige uitbreiding van het veebestand is in deze procedure niet aan de orde. Daarvoor is een nieuwe vergunning vereist.

Het betoog faalt in zoverre.

5.3. In het besluit van 5 juni 2012 is vermeld dat de afstand tussen de rand van het dichtstbijzijnde zeer kwetsbare gebied en het dichtstbijzijnde dierenverblijf 550 m bedraagt. Dit is door [appellant] niet betwist. Gezien de afstand van meer dan 250 m tot een zeer kwetsbaar gebied, staat artikel 6 van de Wav niet in de weg aan verlening van de vergunning.

5.4. Op grond van de onderliggende vergunning van 3 september 2002 mochten 800 vleesvarkens worden gehouden in stal 1 in een traditioneel huisvestingssysteem. Bij het bestreden besluit is het houden van 484 vleesvarkens in stal 1 in een traditioneel huisvestingssysteem vergund. Dit huisvestingssysteem voldoet niet afzonderlijk aan de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Niet in geschil is dat dit huisvestingssysteem op 1 januari 2007 in de veehouderij aanwezig was. Gelet daarop hoeft stal 1 niet afzonderlijk aan de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken te voldoen, zodat het college op grond van artikel 3, derde lid, van de Wav ten aanzien van dat huisvestingssysteem interne saldering kon toepassen.

5.5. Bij interne saldering wordt ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wav aan de hand van de maximale emissiewaarden als bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: Besluit huisvesting) voor de desbetreffende inrichting vastgesteld welke ammoniakemissie plaatsvindt wanneer bij het houden van het aangevraagde aantal dieren de beste beschikbare technieken worden toegepast. Wanneer de emissie van de inrichting daaraan gelijk of lager is, mag de vergunning worden verleend.

5.6. De in het Besluit huisvesting vastgestelde maximale emissiewaarde voor vleesvarkens bedraagt 1,4 kg NH3 per dierplaats per jaar. De ammoniakemissie die plaatsvindt wanneer bij het houden van het aangevraagde aantal dieren, te weten 1.940 vleesvarkens, de beste beschikbare technieken worden toegepast, bedraagt 2.716 kg per jaar. De daadwerkelijke ammoniakemissie van de inrichting in de vergunde situatie bedraagt 2.707,7 kg per jaar. Aangezien de daadwerkelijke ammoniakemissie van de inrichting lager is dan 2.716 kg per jaar, verzet de Wav zich niet tegen vergunningverlening.

5.7. Gelet op het voorgaande behoefde de vergunning niet te worden geweigerd vanwege de ammoniakemissie vanuit de stallen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

Geur

6. [appellant] heeft eerst ter zitting in hoger beroep gronden aangevoerd over geurhinder van het laden en lossen van mest en het openen van de mestput. Bij de rechtbank heeft hij slechts gronden over de geurhinder van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven aangevoerd.

Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom de gronden over geurhinder van het laden en lossen van mest en het openen van de mestput niet reeds bij de rechtbank konden worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dienen deze gronden buiten beschouwing te blijven.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de beoordeling van de geurhinder de afstand van de inrichting tot de woningen onjuist heeft berekend. De door het college gehanteerde afstanden wijken af van de afstanden die zijn vermeld in het bij de vergunningaanvraag gevoegde akoestisch rapport en in andere ten aanzien van de inrichting genomen besluiten. De woning aan de [locatie C] staat - anders dan waar het college van uitgaat - in werkelijkheid dichterbij de stallen 1 en 2 dan de woning aan de [locatie D]. Verder is het college bij de geurberekening ten onrechte uitgegaan van een geuremissiefactor van 23,0 bij stal 1, aldus [appellant].

7.1. Zoals het college heeft toegelicht kunnen de voor de afstandsmeting relevante emissiepunten en gevelelementen verschillen naar gelang het doel waarvoor de meting wordt gedaan. De afstanden die worden gehanteerd bij de beoordeling van de geuremissie kunnen derhalve afwijken van de afstanden die worden gehanteerd voor de beoordeling van geluidhinder.

In tabel 4b van het besluit van 5 juni 2012 is vermeld dat de woningen aan de [locatie C] en [locatie D] op een afstand van respectievelijk 102 en 106 m van het dichtstbijgelegen emissiepunt van de stallen van de inrichting liggen. Volgens nadere door het college uitgevoerde metingen bedragen deze afstanden respectievelijk 95 en 94 m. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de laatstgenoemde afstanden onjuist zijn. Met deze afstanden wordt - zoals de rechtbank terecht heeft overwogen - ruimschoots aan de ingevolge artikel 5 van de Wet geurhinder en veehouderij vereiste afstand van 25 m voldaan.

Het betoog faalt in zoverre.

7.2. Het betoog dat in de geurberekening ten onrechte is uitgegaan van een geuremissiefactor van 23,0 bij stal 1 faalt evenzeer, nu in bijlage 1 bij de Regeling geurhinder en veehouderij deze geuremissiefactor voor het in stal 1 toegepaste stalsysteem is vastgesteld en het college op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij, gelezen in verbinding met artikel 2, zesde lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij, gehouden is de in bijlage 1 opgenomen geuremissiefactoren te hanteren.

Geluidhinder

8. [appellant] betoogt dat het laden en lossen van de vleesvarkens inpandig moet plaatsvinden.

8.1. Het college dient te besluiten op de vergunningaanvraag zoals die is ingediend. Het inpandig laden en lossen van vleesvarkens is niet aangevraagd en is binnen de inrichting ook niet mogelijk. Een voorschrift met die strekking zou niet passen binnen de grondslag van de vergunningaanvraag. Gelet hierop heeft het college het stellen van een dergelijk voorschrift terecht achterwege gelaten. De conclusie van de rechtbank komt hiermee overeen.

Het betoog faalt.

9. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het aantal vervoersbewegingen voor de afvoer van mest is onderschat omdat de in de mestboekhouding vermelde mestproductie van 0,8 tot 0,9 m3 mest per dierplaats te laag is.

9.1. In het bij de vergunning behorende akoestisch rapport van 17 januari 2012 van G&O Consult (hierna: het akoestisch rapport), is onder paragraaf 3.2 'Representatieve bedrijfssituatie' vermeld dat ten hoogste één keer per week mest wordt afgevoerd en dat hiervoor ten hoogste twee vrachtwagens per dag de inrichting bezoeken. Dat betekent dat één dag per week mest mag worden afgevoerd met maximaal twee vrachtwagens. Onder paragraaf 3.3 'Regelmatige afwijkingen' is vermeld dat er in het voorjaar op ten hoogste tien dagen tien extra vrachten met mest worden afgevoerd.

De vergunninghoudster is aan deze beperking van het aantal transportbewegingen gehouden. Voor zover er meer transportbewegingen plaatsvinden kan daartegen handhavend worden opgetreden. Overigens is niet gebleken dat met dit aantal transportbewegingen een normale bedrijfsuitoefening niet mogelijk is.

Het betoog faalt.

10. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat ook bij de woning [locatie C] niet wordt voldaan aan de richtwaarde uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening.

10.1. Uit het akoestisch rapport, tabel 5.1, blijkt dat bij de woning [locatie C] wordt voldaan aan de richtwaarde. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding aan de juistheid van het rapport te twijfelen.

Het betoog faalt.

11. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat, anders dan het college stelt, wel doelmatige geluidreducerende maatregelen aan de bron of in de afschermende sfeer mogelijk zijn om geluidoverlast voor omwonenden als gevolg van de afvoer van varkens vanaf 06:00 uur te verminderen. Hij wijst op de mogelijkheden van het plaatsen van een geluidscherm en het maken van een dichte poort.

11.1. In het akoestisch rapport, blz. 17, staat dat geen maatregelen aan de vrachtwagens kunnen worden getroffen omdat dit materieel van derden betreft en dat het verladen van de varkens zelf niet dusdanig te beïnvloeden is, dat dit met een lager geluidniveau gepaard gaat. Voorts staat in het akoestisch rapport dat een geluidscherm ten bedrage van ongeveer € 34.650,00 en een geluiddichte poort ten bedrage van ongeveer € 5.000,00 mogelijk zijn, maar dat daarbij de overschrijdingen van het maximale geluidniveau zouden blijven bestaan. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het realiseren van een geluidscherm en de dichte poort een grote investering vergt terwijl daarmee slechts een geringe reductie van geluid wordt bereikt, zodat die maatregelen niet doelmatig zijn. Naar het oordeel van de Afdeling kon het college zich in redelijkheid op dat standpunt stellen.

Het betoog faalt.

Bestemmingsplan

12. [appellant] betoogt dat de vergunning niet had mogen worden verleend omdat in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2006' staat dat nieuwvestiging van intensieve bedrijven in verwevingsgebieden niet mogelijk is.

12.1. Ten tijde van het nemen van het besluit van 5 juni 2012 gold ter plaatse het bestemmingsplan 'Buitengebied 2006'. Ingevolge dit bestemmingsplan rustte op het perceel [locatie A] de bestemming 'agrarische bedrijfsdoeleinden' met de aanduiding 'intensieve veehouderij toegestaan'. De vergunningaanvraag is hiermee niet in strijd. Voor zover het bestemmingsplan het vestigen van nieuwe intensieve bedrijven ter plaatse niet toestaat, raakt dit niet het besluit van 5 juni 2012 omdat dat niet ziet op vestiging van een nieuw bedrijf.

Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid

13. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat vergunningverlening leidt tot verkeersgevaarlijke situaties op de Schijndelsedijk.

13.1. Voor zover de vergunning betrekking heeft op het veranderen van de inrichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, overweegt de Afdeling het volgende.

13.2. Ingevolge artikel 2.14, derde lid, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

Ingevolge artikel 2.22, tweede lid, worden aan een omgevingsvergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20.

13.3. Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 3 april 2013, in zaak nr. 201110836/1/A4, betreft het belang van de verkeersveiligheid niet het belang van de bescherming van het milieu in de zin van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer (oud). Er is geen aanleiding om ten aanzien van artikel 2.14, derde lid, van de Wabo hierover anders te oordelen. Gelet hierop konden de gevolgen van het in werking zijn van de inrichting voor de verkeersveiligheid voor het college geen aanleiding zijn de gevraagde vergunning voor het veranderen van de inrichting te weigeren of naast vergunningvoorschrift E.8 nadere voorschriften daarover aan de vergunning te verbinden.

13.4. Voor zover de vergunning betrekking heeft op bouw van een bouwwerk als bedoeld in artikel, 2, eerste lid, onder a, van de Wabo, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 2.10, eerste lid, de vergunning niet op grond van de verkeersonveiligheid kan worden geweigerd.

13.5. Voor zover de vergunning betrekking heeft op het afwijken van de in het bestemmingsplan voorgeschreven bouwhoogte, overweegt de Afdeling het volgende.

Het bestemmingsplan 'Buitengebied 2006' staat ter plaatse van het perceel [locatie A] intensieve veehouderijen toe. In het plan is ten aanzien van de voorgeschreven bouwhoogte van 2,5 m een vrijstellingsmogelijkheid opgenomen tot een hoogte van 10 m. Gelet op het vorenstaande moet er van worden uitgegaan dat bij de vaststelling van dat plan met de verkeersaantrekkende werking van inrichtingen als de in geding zijnde rekening is gehouden. Verder houdt de verkeersaantrekkende werking van de inrichting in dit geval niet direct verband met de afwijking van de voorgeschreven bouwhoogte. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien de vergunning op grond van de verkeersveiligheid te weigeren of naast vergunningvoorschrift E.8 nadere voorschriften daarover aan de vergunning te verbinden. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

13.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het betoog faalt.

Overige gronden

14. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de vrijgekomen ruimte in de oude stal gebruikt gaat worden als afleverruimte.

14.1. De rechtbank is er terecht van uitgegaan dat de aanvraag geen betrekking heeft op een afleverruimte en dat geen afleverruimte is vergund.

Het betoog faalt.

15. [appellant] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank over de invloed van de inrichting op de gezondheid van de omwonenden.

15.1. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom het oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn.

Het betoog faalt reeds daarom.

Conclusie

16. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014

190-687.