Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1793

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
201301802/3/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Binnenstad Deventer" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Algemene wet bestuursrecht 8:51a
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301802/3/R1.

Datum uitspraak: 21 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Deventer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Binnenstad Deventer" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de behandeling van het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Beleggingsmaatschappij Select B.V. afgesplitst van de behandeling van het beroep in zaak nr. 201301802/1/R1 en voortgezet onder zaak nr. 201301802/2/R1.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 oktober 2013, waar [appellant], in de persoon van [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.B. Steenbruggen, ing. M.G.M. Wolbrink-Meijerink en drs. J.H. Veeneman-Schenk, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 24 december 2013, nr. 201301802/1/R1 (hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 19 december 2012 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 7 april 2014 heeft de raad om verlenging van de termijn van zestien weken verzocht.

Bij brief van 22 april 2014 is dit verzoek afgewezen.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De tussenuitspraak verplicht, gelet op artikel 8:51a, tweede lid, van de Awb, het gebrek te herstellen binnen de daartoe gestelde, tot 14 april 2014 lopende, termijn. De in de tussenuitspraak opgenomen hersteltermijn is ongebruikt verstreken, zodat niet is voldaan aan de door de Afdeling in de tussenuitspraak gegeven opdracht. De in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken in het besluit van 19 december 2012 zijn derhalve niet hersteld.

2. Gezien overweging 13.3 van de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft de plandelen met de aanduiding "specifieke vorm van horeca - horecagebied 2", voor zover daarvoor niet geldt hetgeen is opgenomen in de "Toelichting tabel" onder 1 in Bijlage 4 van de planregels, niet berust op een deugdelijke motivering. Voorts ziet de Afdeling, gezien overweging 18.3 van de tussenuitspraak, in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft de plandelen met de aanduiding "kantoor" voor de percelen Brink 13, 88 en 91, niet berust op een deugdelijke motivering.

3. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wat betreft deze plandelen van het plan wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

4. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb, de raad op te dragen om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak en met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. Bij de voorbereiding van het nieuwe besluit dient afdeling 3.4 van de Awb te worden toegepast. De Afdeling ziet tevens aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb na te melden voorlopige voorziening te treffen.

Proceskosten

5. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant] te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant a en b] tegen het besluit van de raad van de gemeente Deventer van 19 december 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Binnenstad Deventer" gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Deventer van 19 december 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Binnenstad Deventer" voor zover het betreft:

- de plandelen met de aanduiding "specifieke vorm van horeca - horecagebied 2" voor zover daarvoor niet geldt hetgeen is opgenomen in de "Toelichting tabel" onder 1 in Bijlage 4 van de planregels;

- de plandelen met de aanduiding "kantoor" wat betreft de percelen Brink 13, 88 en 91;

III. draagt de raad van de gemeente Deventer op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. treft de voorlopige voorziening dat de uitbreiding van een bestaand horecabedrijf op de bovenverdieping van een pand (verticaal) en de uitbreiding van een bestaand horecabedrijf met een naastgelegen pand (horizontaal) op de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van horeca - horecagebied 2" niet zijn toegestaan, met dien verstande dat deze voorlopige voorziening blijft gelden tot het tijdstip van inwerkingtreding van het nieuwe besluit zoals bedoeld onder III;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Deventer tot vergoeding van bij [appellant a en b] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 49,68 (zegge: negenenveertig euro en achtenzestig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Deventer aan [appellant a en b] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Bošnjaković

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014

410-749.