Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1784

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
201211612/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 augustus 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] over het jaar 2008 herzien en op € 5.268,00 gesteld en het te veel betaalde voorschot van hem teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211612/1/A2.

Datum uitspraak: 21 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 november 2012 in zaak nr. 12/1585 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] over het jaar 2008 herzien en op € 5.268,00 gesteld en het te veel betaalde voorschot van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 9 maart 2012, aangevuld bij besluiten van 24 maart 2012 en 20 september 2012, (hierna tezamen: het besluit op bezwaar) heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het voorschot herzien op nihil vastgesteld.

Bij uitspraak van 1 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door M.A.C. Loerakker-Schouten, vergezeld door J.H.C. Blok, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij die dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder kinderopvang verstaan: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen en opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand, waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), met uitzondering van artikel 49, van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht;

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3˚. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. Aan het besluit op bezwaar heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2008 kosten voor kinderopvang heeft gehad, omdat hij geen betaalbewijzen heeft verstrekt.

In beroep heeft [appellant] alsnog betaalbewijzen overgelegd. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in reactie daarop op het standpunt gesteld dat uit die betaalbewijzen niet blijkt dat [appellant] de zogenoemde eigen bijdrage heeft betaald.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] geen aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft over het jaar 2008, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. Daarbij heeft zij overwogen dat niet alsnog aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag kan worden voldaan door het deel van de kosten dat nog niet was betaald alsnog te betalen, dan wel door de kinderopvangtoeslag door een herberekening naar beneden bij te stellen, omdat dit misbruik van de regeling in de hand zou werken.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank met dit oordeel heeft miskend dat artikel 5, eerste lid, van de Wko spreekt van "te betalen kosten" en niet van "betaalde kosten", als gevolg waarvan het moment van voldoening van die kosten irrelevant is voor de aanspraak op kinderopvangtoeslag. Een andere opvatting zou volgens [appellant] in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid en de rechtszekerheid, nu niet alleen nergens uit blijkt dat de kosten van kinderopvang in het toeslagjaar zelf moeten worden betaald, maar een door een vergissing niet gedane betaling in dat geval niet meer kan worden hersteld. Dat hij op 18 december 2012 het laatste deel van het bedrag aan kosten van kinderopvang heeft betaald betekent dan ook niet dat die kosten niet kunnen worden toegerekend aan het jaar 2008, zodat hij aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag, aldus [appellant].

Voorts betoogt hij dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen de toeslag ten onrechte op nihil heeft gesteld, omdat hij geen kosten van kinderopvang zou hebben gehad. In dat kader voert hij aan dat de Belastingdienst/Toeslagen heeft erkend dat hij een bedrag ter hoogte van de voorschotten aan de gastouder en het gastouderbureau heeft betaald, zodat hij in zoverre wel kosten voor kinderopvang heeft gehad. Gelet daarop, had de Belastingdienst/Toeslagen, indien de betaling van 18 december 2012 toch niet meer meegenomen kan worden, de hoogte van de toeslag moeten herberekenen aan de hand van dat bedrag. In dat geval komt immers alsnog een deel van de kosten voor eigen rekening, aldus [appellant].

4.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 november 2013 in zaak nr. 201210719/1/A2), dienen alle verschuldigde kosten voor kinderopvang daadwerkelijk ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna te worden voldaan om voor toepassing van de Wko in aanmerking te kunnen worden genomen. De reden hiervoor is gelegen in het belang van de Belastingdienst/Toeslagen om betrekkelijk kort na afloop van het kalenderjaar - aan de hand van de verstrekte gegevens over de tussen partijen gemaakte afspraken - definitief te kunnen vaststellen of voor dat jaar aanspraak bestaat op kinderopvangtoeslag en wat in dat geval de hoogte van de tegemoetkoming is.

In dit kader is van belang dat de Belastingdienst/Toeslagen zich bij de vaststelling van de tegemoetkoming baseert op de tussen partijen gemaakte afspraken. De hoogte van de toeslag is ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wko namelijk onder meer afhankelijk van de tussen partijen gemaakte afspraken over het aantal kinderen dat wordt opgevangen, het aantal uren opvang en het gehanteerde uurtarief. Deze afspraken dienen, gelet op artikel 52 van de Wko, te zijn vastgelegd in een door partijen gesloten schriftelijke overeenkomst, om te vermijden dat onduidelijkheid bestaat over de hoogte van de kosten voor kinderopvang voor het desbetreffende jaar.

4.1.2. Opmerking verdient dat het beleid van de Belastingdienst/Toeslagen inhoudt dat niet in alle gevallen strikt aan de hiervoor in 4.1.1 weergegeven regels wordt vastgehouden. Zo aanvaardt de dienst betaling van kosten van kinderopvang ook indien zij niet ten tijde van de opvang of kort daarna plaatsvindt, mits aannemelijk wordt gemaakt dat tijdige voldoening niet mogelijk was en een door partijen overeengekomen uitstel van de voldoening tijdig aan hem wordt doorgegeven. Voorts erkent de Belastingdienst/Toeslagen dat de omstandigheden van de vraag- of gastouder gedurende het toeslagjaar kunnen wijzigen, waardoor behoefte kan bestaan af te wijken van de in de schriftelijke overeenkomst vastgelegde afspraken omtrent de kinderopvang of de betaling daarvan. In beginsel is de Belastingdienst/Toeslagen in een dergelijk geval bereid om de kinderopvangtoeslag te berekenen aan de hand van de aan hem doorgegeven gewijzigde afspraken. Volgens het beleid van de Belastingdienst/Toeslagen kan, indien een dergelijke wijziging tot uitdrukking komt in de jaaropgave van het gastouderbureau, de aanspraak op kinderopvangtoeslag berekend worden aan de hand van het op de jaaropgave vermelde bedrag aan kosten voor kinderopvang, namelijk indien deze jaaropgave het daadwerkelijk genoten aantal uren kinderopvang per kind en de daarvoor afgesproken prijs vermeldt.

4.2. Vast staat dat [appellant] een deel van de kosten over toeslagjaar 2008 pas op 18 december 2012 heeft voldaan. Aangezien deze betaling niet ten tijde van de opvang of kort daarna heeft plaatsgevonden, is deze in beginsel te laat om voor toepassing van de Wko in aanmerking te kunnen worden genomen. Volgens [appellant] is de reden van deze late voldoening dat hij niet had begrepen dat hij een deel van de kosten voor kinderopvang zelf diende te dragen, als gevolg waarvan hij, door het bedrag van de voorschotten te delen door het totale aantal uren kinderopvang, een nieuw, lager uurtarief heeft berekend en dat, na aftrek van de bureaukosten, aan de gastouder heeft betaald. [appellant] heeft dit evenwel, wat hier ook van zij, niet aan de Belastingdienst/Toeslagen doorgegeven, bijvoorbeeld door middel van een mutatieformulier. Evenmin heeft hij in zijn reactie van 19 juli 2009 op de brief van de Belastingdienst/Toeslagen van 30 juni 2009, waarin hij werd verzocht om ten behoeve van de definitieve vaststelling van zijn tegemoetkoming voor 2008 door te geven wat de daadwerkelijk gemaakte kosten over dat jaar waren, te kennen gegeven dat het uurtarief was gewijzigd. Gelet hierop, heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich, ook indien rekening wordt gehouden met het hiervoor in 4.1.2 vermelde beleid, terecht op het standpunt gesteld dat de kosten over 2008 die [appellant] in 2012 heeft voldaan voor toepassing van de Wko niet kunnen worden aangemerkt als kosten van in 2008 verleende opvang.

4.3. Ook het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen de toeslag had moeten herberekenen aan de hand van het bedrag dat hij wel tijdig heeft betaald en de toeslag aldus evenredig lager had moeten vaststellen, faalt. Volgens de door hem op 19 juli 2009 aan de Belastingdienst/Toeslagen overgelegde gegevens zou hij voor kinderopvang in 2008 € 7.038,00 hebben betaald. Ten tijde van zijn reactie van 19 juli 2009 had [appellant] echter een deel van deze kosten niet voldaan, noch had hij op dat moment aan de dienst doorgegeven dat hij dat deel van het bedrag nog niet had voldaan, zodat deze kosten voor de toepassing van de Wko, ook met inachtneming van het ter zake door de Belastingdienst/Toeslagen gevoerde beleid, niet kunnen worden aangemerkt als kosten van in 2008 verleende kinderopvang. Als gevolg hiervan stemt het bedrag aan kosten dat [appellant] volgens de door hem gemaakte afspraken aan kosten van kinderopvang verschuldigd is niet overeen met de voor de toepassing van de Wko in aanmerking te nemen daadwerkelijk betaalde kosten. Mede gelet op het hiervoor onder 4.1.1 weergegeven belang van de Belastingdienst/Toeslagen om betrekkelijk kort na afloop van het kalenderjaar op basis van de verstrekte gegevens over de gemaakte afspraken te kunnen vaststellen of voor dat jaar aanspraak bestaat op kinderopvangtoeslag, moet onder deze omstandigheden worden aangenomen dat de kinderopvang niet heeft plaatsgevonden op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 Wko. Het gevolg daarvan is dat [appellant] voor het jaar 2008 geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de toeslag derhalve terecht op nihil gesteld.

4.4. Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.J. Borman en dr. M.W.C. Feteris, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014

17-752.