Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1783

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
201207015/1/R3
Formele relaties
Herziening: ECLI:NL:RVS:2015:3598, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Rucphen 2012" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/535
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3276
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/1864
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207015/1/R3.

Datum uitspraak: 21 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Rucphen,

2. [appellant sub 2], wonend te Sint Willebrord, gemeente Rucphen,

3. [appellant sub 3], wonend te Zegge, gemeente Rucphen,

4. [appellant sub 4], wonend te Zegge, gemeente Rucphen,

5. [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]), wonend te Sprundel, gemeente Rucphen,

6. [appellant sub 6], wonend te Rucphen,

7. [appellant sub 7], handelend onder de naam Recreatiepark de Zilverden, wonend te Sint Willebrord, gemeente Rucphen,

8. [appellant sub 8], wonend te Roosendaal,

9. [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 9]), wonend te Zegge, gemeente Rucphen,

10. [appellant sub 10], wonend te Rucphen,

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Landgoed Jachthuis Schijf B.V., gevestigd te Schijf, gemeente Rucphen,

12. de minister van Defensie,

13. [appellant sub 13A] en [appellant sub 13B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 13]), wonend te Schijf, gemeente Rucphen,

14. [appellant sub 14], wonend te Roosendaal,

15. de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Tilburg, en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen, gevestigd te Sprundel, gemeente Rucphen,

16. [appellant sub 16], wonend te Rucphen,

17. [appellant sub 17], wonend te Rucphen,

18. [appellant sub 18A] en [appellant sub 18B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 18]), wonend te Sprundel, gemeente Rucphen,

19. [appellant sub 19], wonend te Rucphen,

20. [appellante sub 20], wonend te Rucphen,

21. [appellante sub 21], gevestigd te Rucphen, waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], allen wonend te Rucphen,

22. [appellant sub 22], wonend te Arnhem,

23. [appellant sub 23], wonend te Sprundel, gemeente Rucphen,

en

de raad van de gemeente Rucphen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Rucphen 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], Recreatiepark De Zilverden, [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], het Jachthuis, de minister van Defensie, [appellant sub 13], [appellant sub 14], de BMF en de Natuurwerkgroep, [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellante sub 20], [appellante sub 21], [appellant sub 22] en [appellant sub 23] tijdig beroep ingesteld.

Een aantal van hen heeft de gronden van het beroep schriftelijk aangevuld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Een aantal partijen heeft een zienswijze daarop naar voren gebracht.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 en 20 november 2013, waar een aantal appellanten zich heeft doen vertegenwoordigen of in persoon, al dan niet bijgestaan door een raadsman, is verschenen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen.

Voorts zijn verscheidene belanghebbenden gehoord die op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn toegelaten tot het geding.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 3]

2. [appellant sub 3] betoogt dat hij in strijd met artikel 3.8, eerste lid, onder c, van de Wro niet persoonlijk in kennis is gesteld van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan, terwijl hij de eigenaar is van percelen waarvan de medebestemming "Waarde - ecologie - ecologische hoofdstructuur" in de naaste toekomst voor verwezenlijking in aanmerking komt.

2.1. Ingevolge artikel 3.4 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kunnen bij een bestemmingsplan, voor zover het gronden betreft waarvan het gebruik afwijkt van het plan, een of meer onderdelen worden aangewezen ten aanzien waarvan de verwezenlijking in de naaste toekomst nodig wordt geacht.

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing, met dien verstande dat indien in het ontwerp gronden zijn aangewezen waarvan de bestemming in de naaste toekomst voor verwezenlijking in aanmerking komt, kennisgeving tevens geschiedt aan diegenen die in de basisregistratie kadaster staan vermeld als eigenaar van die gronden of als beperkt gerechtigde op die gronden.

2.2. De Afdeling overweegt dat van een aanwijzing in de zin van artikel 3.4 van de Wro geen sprake is, waardoor een kennisgeving in de zin van artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro niet nodig is.

Het betoog faalt om die reden.

3. Ten aanzien van de beroepsgrond van [appellant sub 3] dat het gemeentebestuur ten onrechte geen aantekeningen over een publiekrechtelijke beperking heeft opgenomen in de gemeentelijke beperkingenregistratie, wordt als volgt overwogen. In deze procedure ligt het besluit van de raad tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Rucphen 2012" ter beoordeling voor. Uitsluitend beroepsgronden die betrekking hebben op de vaststelling van dit bestemmingsplan kunnen in deze procedure inhoudelijk aan de orde komen. Voormelde beroepsgrond, wat daar ook van zij, heeft geen betrekking op het bestemmingsplan en kan derhalve inhoudelijk niet aan de orde komen. Dit geldt eveneens voor de beroepsgronden van [appellant sub 3] dat in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1998" ten onrechte de agrarische bestemming van een deel van zijn percelen is gewijzigd in een natuurbestemming en dat bij de totstandkoming van dat plan en bij de totstandkoming van het natuurbeheerplan van de provincie Noord-Brabant (hierna: het natuurbeheerplan) is gehandeld in strijd met artikel 23, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

4. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met de bestemming "Natuur" en de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur" ter plaatse van zijn percelen aan de [locatie 1] te Zegge. Hij voert aan dat het gebruik dat deze bestemmingen toelaten niet overeenkomt met het gebruik van de percelen dat is geregistreerd in het kadaster, noch met het gebruik van de percelen dat in het plan van kavelaanvaarding staat. [appellant sub 3] betoogt dat uit artikel 2a, onder a, van de Kadasterwet volgt dat zijn percelen mogen worden gebruikt overeenkomstig het in het kadaster geregistreerde gebruik van de percelen. Ook betoogt [appellant sub 3] dat zijn percelen door het toekennen van de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur", op grond waarvan de percelen mede zijn bestemd voor extensief recreatief medegebruik, worden belast met een publiekrechtelijke beperking. Hij stelt hierdoor in zijn belangen te worden geschaad.

4.1. In het deskundigenbericht staat dat [appellant sub 3] een vrijstaande burgerwoning bewoont en dat zijn percelen een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 3,2 ha hebben. Ter plaatse van de woning is een plandeel met de bestemming "Wonen" toegekend. Het noordwestelijke deel van de gronden bestaat uit grasland en heeft de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijk". Het zuidelijke deel van de gronden bestaat uit bos en heeft de bestemming "Natuur". Verder rust de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur" op de gronden met de bestemming "Natuur" en deels op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijk".

4.2. Ingevolge artikel 2a, aanhef en onder a, van de Kadasterwet heeft de Dienst, onverminderd het bepaalde in andere wettelijke voorschriften, als doeleinden de bevordering van de rechtszekerheid ten aanzien van registergoederen:

1°. in het rechtsverkeer;

2°. in het economisch verkeer;

3°. in het bestuurlijk verkeer tussen burgers en bestuursorganen.

4.2.1. Uit artikel 3.1, eerste lid, van de Wro, waarin is bepaald dat de raad een bestemmingsplan vaststelt waarin onder meer regels worden gegeven omtrent het gebruik van gronden, volgt dat niet in het kadaster, maar in een bestemmingsplan wordt neergelegd welk gebruik van gronden is toegestaan. In het kadaster worden de eigendomsverhoudingen van gronden geregistreerd. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gehouden om de kadastrale omschrijving of de omschrijving van het gebruik van percelen in een plan van kavelaanvaarding in acht te nemen.

Het betoog faalt.

4.3. Anders dan [appellant sub 3] kennelijk veronderstelt, legt de bepaling in artikel 32, lid 32.1.1, aanhef en onder b, van de planregels, dat de voor "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur" aangewezen gronden mede zijn bestemd voor extensief recreatief medegebruik, geen verplichting op tot openstelling van de gronden voor het recreatieve gebruik door derden. Uit de bepaling volgt enkel dat extensief recreatief medegebruik van de gronden is toegelaten. Niet is aannemelijk gemaakt dat [appellant sub 3] hierdoor in zijn belangen wordt geschaad. Het betoog faalt.

5. [appellant sub 3] betoogt dat zijn gronden in het natuurbeheerplan, de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening 2011) en op grond van artikel 6, zevende lid, van de Wet Agrarisch Grondverkeer ten onrechte als EHS zijn aangewezen. Hiertoe voert hij aan dat uit een bijlage bij de Verordening ruimte 2012 (hierna: de Verordening 2012) en het door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant uitgebrachte advies "Onderbouwing actualisatie begrenzing EHS" aan de Commissie Ruimte en Milieu van provinciale staten van 14 juli 2009 volgt dat de EHS-status van een perceel kan vervallen als een beperkte hoeveelheid bos aanwezig is op een particulier eigendom met woning, erf en tuin. Hij wijst er voorts op dat een bosgebied kleiner dan 2 ha in voormelde stukken wordt beschouwd als een beperkte hoeveelheid bos, dat over het algemeen niet bijdraagt aan de doelstelling van een robuuste provinciale EHS. Uit deze stukken volgt volgens [appellant sub 3] dat ook een groter bosperceel, zoals op zijn gronden aanwezig is, daaraan evenmin bijdraagt. [appellant sub 3] voert daarnaast aan dat het bestemmen van zijn gronden als EHS hem ertoe dwingt om zijn gronden als bosbouwer te beheren. Dit acht hij onredelijk, met name vanwege de kosten die het beheer met zich brengt. Het bestemmen van zijn gronden als EHS in een bestemmingsplan mag uitsluitend plaatsvinden als de gronden minnelijk zijn verworven, aldus [appellant sub 3]. [appellant sub 3] betoogt verder dat de natuurwaarden van zijn gronden voldoende bescherming genieten onder de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet.

5.1. Niet in het natuurbeheerplan en de Wet Agrarisch Grondverkeer, maar in de Verordening 2011 zijn algemene regels ten aanzien van de EHS opgenomen die bij de totstandkoming van een bestemmingsplan in acht moeten worden genomen. In de Verordening 2011 is, door middel van een kaart die als bijlage daarvan deel uitmaakt, vastgelegd welke percelen tot de EHS behoren. Op die kaart is een deel van de gronden van [appellant sub 3] aangewezen als EHS. De raad heeft in navolging hiervan de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur" aan dat deel van zijn gronden toegekend.

5.2. Aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals neergelegd in de Verordening 2011, kan slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

5.3. In de "Onderbouwing van de begrenzing van de ecologische hoofdstructuur" van 9 maart 2010 (hierna: de onderbouwing), die ten grondslag ligt aan de Verordening 2011, is uiteengezet hoe de begrenzing van de EHS tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat de begrenzing van de EHS, voor zover die ziet op zijn gronden, in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift of met een algemeen rechtsbeginsel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het aan het regelgevend bevoegd gezag - in dit geval provinciale staten - is om alle uiteenlopende belangen die bij het vaststellen van een algemeen verbindend voorschrift zijn betrokken, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de aanwijzing in de Verordening 2011 van de percelen van [appellant sub 3] als EHS onverbindend moet worden geacht. Het betoog faalt.

5.4. In artikel 4.2, eerste lid, van de Verordening 2011 is bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de EHS strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. De bepalingen van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet ter bescherming van natuurwaarden laten onverlet dat de raad gehouden is om in overeenstemming met voormeld artikel van de Verordening 2011 te voorzien in een passende bestemming van gronden die zijn aangewezen als EHS. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur" aan de desbetreffende gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

6. [appellant sub 3] voert aan dat ten onrechte diverse schuren die op zijn gronden staan en een zwembad niet als zodanig zijn bestemd. Hiertoe voert hij aan dat de schuren en het zwembad onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan uit 1982 en de daarop volgende bestemmingsplannen zijn gebracht. Hij verzoekt om het bouwvlak dat is toegekend aan zijn gronden te vergroten, zodat de schuren binnen het bouwvlak komen te staan. Ook voert [appellant sub 3] aan dat het plan ten onrechte niet voorziet in een erf bij de schuren. In dit verband wijst hij erop dat in artikel 2.5.16 van de bouwverordening van de gemeente Rucphen is bepaald dat bij een gebouw een erf aanwezig dient te zijn.

6.1. In het deskundigenbericht staat dat op de gronden ten westen van de woning enkele schuren staan die dienst doen als opslagruimte en dat in de schapenweide een houten stalletje staat. In het bos staan nog twee schuren. Ten aanzien van het zwembad staat in het deskundigenbericht dat in het bos achter de woning restanten liggen van wat ooit een klein openluchtzwembad was en dat momenteel geen sprake meer is van een bruikbaar zwembad.

6.2. Gezien de ligging van de restanten van het zwembad ter plaatse van het deel van de gronden waar bos aanwezig is en de omstandigheid dat het zwembad als zodanig niet langer aanwezig is, acht de Afdeling de keuze van de raad om geen zwembad ter plaatse toe te staan niet onredelijk.

De schuren zijn niet als zodanig bestemd in dit plan. Evenmin waren de schuren in het vorige bestemmingsplan als zodanig bestemd. Onbetwist is dat voor de schuren geen bouwvergunningen zijn verleend. De schuren zijn derhalve illegaal gebouwd. Het in een bestemmingsplan opgenomen bouwovergangsrecht laat het illegale karakter van bouwwerken die zijn opgericht zonder de vereiste bouwvergunning onverlet. Voor illegale bebouwing hoeft de raad in beginsel geen regeling in het plan op te nemen, omdat geen sprake is van verkregen rechten. De raad acht het als zodanig bestemmen van de schuren ongewenst en wijst erop dat een vergroting van het bouwvlak en een daarmee gepaard gaande uitbreiding van het ruimtebeslag zal moeten voldoen aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 2.1 van de Verordening 2011. In hetgeen [appellant sub 3] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding om de keuze van de raad om de schuren niet als zodanig te bestemmen onredelijk te achten.

Hetgeen [appellant sub 3] over erven bij de schuren naar voren heeft gebracht, hoeft gelet op het voorgaande geen bespreking meer.

Het betoog faalt.

7. De Afdeling vat het betoog van [appellant sub 3] ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 33, lid 33.5, van de planregels aldus op dat [appellant sub 3] betoogt dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid, op grond waarvan de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschappelijk" en "Agrarisch met waarden - Natuur" tezamen met de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie - Verbindingszone" kunnen worden gewijzigd in de bestemming "Natuur".

7.1. Anders dan [appellant sub 3] kennelijk veronderstelt, is voor zijn gronden de wijzigingsbevoegdheid in artikel 33, lid 33.5, van de planregels niet van toepassing. De raad heeft bij de vaststelling van het plan bij recht voorzien in de bestemming "Natuur" voor een deel van zijn gronden. Het betoog mist feitelijke grondslag.

8. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 4]

10. Het beroep van [appellant sub 4] heeft betrekking op het perceel [locatie 2] te Zegge. Ter zitting is gebleken dat [appellant sub 4] dit perceel heeft verkocht. Uit de door de raad overgelegde akte van levering blijkt dat de eigendomsoverdracht op 13 juni 2013 heeft plaatsgevonden. Niet is gebleken dat [appellant sub 4] ondanks het verlies van het eigendom nog belang heeft bij een uitspraak op zijn beroep tegen het bestreden besluit. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het belang van [appellant sub 4] bij zijn beroep is komen te vervallen. Het beroep van [appellant sub 4] is niet-ontvankelijk.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 5]

12. [appellant sub 5] kan zich niet verenigen met de bestemming "Groen - Landschapselement" ter plaatse van het perceel [locatie 3] te Sprundel. Hij betoogt dat ten onrechte geen woonbestemming aan het perceel is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat het college van burgemeester en wethouders bij brief heeft toegezegd dat een woonbestemming aan het perceel zal worden toegekend omdat in een identieke situatie ook medewerking is verleend aan het toekennen van een woonbestemming. Hij betoogt dat deze toezegging, die volgens hem aan de raad kan worden toegerekend, in strijd met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel niet in het plan is verwerkt. Daarnaast voert [appellant sub 5] aan dat de raad niet heeft gemotiveerd met welke bepalingen van de Verordening 2011 het toekennen van een woonbestemming in strijd zou zijn. Evenmin heeft de raad onderzocht of het mogelijk is om in dit geval van die bepalingen af te wijken, aldus [appellant sub 5]. Dit klemt volgens hem temeer nu de woning al jarenlang aanwezig is en deel uitmaakt van een cluster van woningen.

12.1. [appellant sub 5] heeft bij brief, gedateerd op 30 januari 2009, het gemeentebestuur verzocht om een woonbestemming toe te kennen aan zijn perceel indien het toentertijd geldende bestemmingsplan zou worden herzien. In antwoord op dit verzoek heeft het college van burgemeester en wethouders bij brief, gedateerd op 30 december 2009, te kennen gegeven dat het voor een vergelijkbaar geval heeft besloten om medewerking te verlenen. Gelet hierop kan niet anders besloten worden dan de woonsituatie te legaliseren en medewerking te verlenen aan het toekennen van een huisnummer met de daarbij behorende bestemming "Woondoeleinden", zo staat in de brief van het college van burgemeester en wethouders.

12.2. In het vorige plan "Buitengebied 1998" had het perceel de bestemming "Landschapselement" en waren gebouwen noch het gebruik daarvan als woning toegestaan. Het als zodanig bestemmen van de woning in dit plan betekent dat juridisch-planologisch wordt voorzien in een nieuwe woning. Op 8 maart 2011 is de Verordening 2011 in werking getreden, waarin algemene regels zijn neergelegd die de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan in acht moet nemen. In artikel 11.1, eerste lid, van de Verordening 2011 is bepaald dat nieuwe woningen in agrarisch gebied, waarbinnen het perceel van [appellant sub 5] ligt, niet zijn toegestaan. De raad heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat dit artikel in de weg staat aan het toekennen van een woonbestemming aan het perceel van [appellant sub 5].

Zoals uit het verhandelde ter zitting is gebleken, heeft de raad gezocht naar mogelijkheden om de toezegging uit de brief van het college van burgemeester en wethouders desondanks gestand te kunnen doen, maar zijn die niet gevonden. De ontheffing waar [appellant sub 5] op doelt, is volgens de raad niet haalbaar. Dat de woning al jarenlang aanwezig is en deel uitmaakt van een cluster van woningen zijn geen omstandigheden op grond waarvan mag worden afgeweken van artikel 11, eerste lid, van de Verordening 2011. Voorts is van belang dat niet is gebleken dat een bouwvergunning is verleend voor de verbouwing van een voormalige stal tot de desbetreffende woning.

Nu de Verordening 2011 in de weg staat aan het honoreren van de toezegging, nog daargelaten de vraag of sprake is van een toezegging die aan de raad kan worden toegerekend, kan het beroep van [appellant sub 5] op het vertrouwensbeginsel niet slagen. Het betoog faalt.

12.3. Ten aanzien van het betoog dat de raad het plan in zoverre in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft vastgesteld, wordt overwogen dat, wat daar verder ook van zij, dat betoog niet kan slagen, omdat het opnemen van een bestemming voor een woning in dit plan in strijd is met de algemene regels van de Verordening 2011 en gesteld noch gebleken is dat in dit geval van die regels kan worden afgeweken.

12.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 5] ongegrond.

12.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 6]

13. [appellant sub 6] kan zich niet verenigen met artikel 25, lid 25.2.3, onderdeel d, van de planregels, waarin volgens hem voor de gronden met de bestemming "Wonen" is bepaald dat een gezamenlijke oppervlakte van 100 m² bijgebouwen is toegestaan per bouwvlak. Hij voert aan dat binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel [locatie 4] te Rucphen vier woningen staan. Hij betoogt dat per woning 100 m² bijgebouwen moet worden toegestaan. In de reactie op zijn zienswijze heeft de raad gesteld dat dit artikel zou worden aangepast, aldus [appellant sub 6].

13.1. Ter plaatse van de percelen Bosheidestraat 3 tot en met 7 is een plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "maximaal aantal wooneenheden 4" toegekend. In artikel 25, lid 25.2.3, onderdeel d, van de planregels is bepaald dat de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per woning maximaal 100 m² bedraagt, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel maximaal 40% bedraagt. Hieruit volgt dat per woning bijgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van 100 m² zijn toegestaan. Het betoog mist feitelijke grondslag.

14. [appellant sub 6] betoogt dat het gebruik van een gebouw op het perceel [locatie 4] als werktuigenberging ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Hij voert aan dat op 1 oktober 1986 een bouwvergunning voor het gebouw is verleend en dat het gebouw als werktuigenberging in gebruik is. Hij voert ook aan dat uit de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2007 in zaak nr. 200701954/1 volgt dat zowel het gebouw als het gebruik ervan als werktuigenberging onder het overgangsrecht valt van de voorheen geldende plannen. Hij betoogt dat het gebruik van de werktuigenberging in dit plan voor de derde keer onder het overgangsrecht is gebracht, wat volgens hem niet is toegestaan omdat niet aannemelijk is dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd.

14.1. De raad heeft erkend dat de bestemming "Wonen" die in het plan aan het desbetreffende gebouw is toegekend niet juist is en dat een andere bestemming moet worden toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

14.2. [appellant sub 6] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze die hij over het ontwerp van het plan naar voren heeft gebracht. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 6] heeft in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

14.3. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de werktuigenberging op het perceel [locatie 4], zoals aangeduid op een bij deze uitspraak behorende kaart, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

14.4. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

15. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien van dit beroep niet gebleken.

Het beroep van [appellant sub 8]

16. [appellant sub 8] kan zich niet met het plan verenigen voor zover daarin geen recreatiewoning is toegestaan op het perceel het Meerven (ongenummerd) te Rucphen. Hij voert aan dat op andere percelen in de omgeving recreatieverblijven zijn gebouwd in strijd met het vorige plan. [appellant sub 8] betoogt dat de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door deze illegale recreatieverblijven als zodanig te bestemmen en op zijn perceel geen recreatiewoning toe te staan. Door deze handelwijze beloont de raad degenen die illegaal een recreatiewoning hebben gebouwd, aldus [appellant sub 8].

16.1. Aan het perceel zijn de bestemming "Bos" en de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur" toegekend. Het perceel heeft geen aanduiding "recreatiewoning".

In artikel 9, lid 9.1.2, van de planregels, is bepaald, kort gezegd, dat op de gronden met de bestemming "Bos" gebouwen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning" mogen worden opgericht.

16.2. Het perceel is op de bij de Verordening 2011 behorende kaart Natuur en landschap aangewezen als EHS. In artikel 4.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2011 is bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de EHS strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het opnemen van een bouwmogelijkheid voor een recreatiewoning in dit plan niet in overeenstemming is met dit artikel.

16.3. Ten aanzien van de door [appellant sub 8] gemaakte vergelijking met andere percelen in de omgeving waar wel recreatiewoningen zijn toegestaan, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie. Hiertoe heeft de raad gesteld dat het toestaan van een recreatiewoning op het perceel van [appellant sub 8] moet worden aangemerkt als nieuwvestiging, in tegenstelling tot de andere percelen waar sprake is van bestaande situaties. Het gemeentelijke beleid ten aanzien van recreatiewoningen is uitsluitend van toepassing op bestaande situaties. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 8] genoemde situaties niet overeenkomen met zijn situatie.

16.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 8] ongegrond.

16.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding.

Het beroep van Landgoed Jachthuis Schijf

17. Het Jachthuis is eigenaar van landgoed Jachthuis Schijf, dat is gelegen aan de Hoeksestraat 28 te Schijf. Het Jachthuis kan zich niet verenigen met het plan, voor zover daarin een natuurbestemming is toegekend aan het binnen het landgoed gelegen gebied "De Sneider".

Het Jachthuis betoogt dat aan dit gebied een agrarische bestemming had moeten worden toegekend. Hiertoe voert zij onder meer aan dat het gebied De Sneider, als agrarische enclave binnen het landgoed, functioneert als economische drager van het landgoed. Volgens het Jachthuis wordt dit gebied van oudsher agrarisch gebruikt en heeft dit gebied geen hoge natuurwaarden. Ook betoogt zij dat de natuurbestemming financieel niet uitvoerbaar is en dat deze bestemming niet zal worden verwezenlijkt binnen de planperiode.

17.1. Aan de gronden van het landgoed Jachthuis Schijf is in het plan de gebiedsaanduiding "landgoed" toegekend.

Aan het gebied De Sneider, dat ligt binnen het landgoed, is de bestemming "Natuur" toegekend, met onder meer de gebiedsaanduidingen "groenblauwe mantel" en "openheid". Aan dit gebied is niet de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur" toegekend.

17.2. De raad heeft zich bij de planvaststelling op het standpunt gesteld dat een natuurbestemming passend is voor het gebied De Sneider. Daarbij heeft hij onder meer van belang geacht dat het agrarische gebruik van het gebied jarenlang onderbroken is geweest en dat het gebied daardoor is verwilderd en dichtgegroeid.

17.3. In het deskundigenbericht is vermeld dat het gebied De Sneider extensief agrarisch wordt gebruikt als grasland, waarbij het gebied periodiek wordt gemaaid en waarbij het maaisel wordt afgevoerd. Blijkens het deskundigenbericht en verhandelde ter zitting vond dit gebruik, met instemming van het gemeentebestuur van Rucphen, ook plaats ten tijde van de planvaststelling.

Tussen partijen is niet in geschil dat dit extensieve agrarische gebruik niet is toegestaan op grond van de natuurbestemming die aan het gebied is toegekend. Het Jachthuis wil het bestaande gebruik van het gebied De Sneider voortzetten. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij het belang van de instandhouding van het landgoed onderschrijft en dat hij er geen bezwaar tegen heeft als het extensieve agrarische gebruik van het gebied De Sneider wordt voortgezet. Hij kan instemmen met het voornemen van het Jachthuis om dit gebied in te richten als ecologische akker met bloemrijke grasranden.

17.4. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

17.5. In hetgeen het Jachthuis heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Natuur" ter plaatse van het gebied De Sneider.

Het beroep van het Jachthuis is gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

17.6. Het Jachthuis heeft ter zitting betoogd dat aan het gebied De Sneider de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" dient te worden toegekend. Zij acht deze bestemming passend voor het gebied, omdat deze bestemming ook is toegekend aan twee andere agrarische gebieden op het landgoed. Gelet hierop heeft het Jachthuis aan de Afdeling gevraagd om op dit punt zelf in de zaak te voorzien.

De Afdeling overweegt dat zij in dit geval geen aanleiding ziet om op dit punt zelf in de zaak te voorzien, reeds omdat de raad ter zitting te kennen heeft gegeven dat hij de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" niet geheel passend acht voor het gebied De Sneider en dat hij hierover nog nader overleg met het Jachthuis wil voeren.

17.7. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

17.8. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 13]

18. [appellant sub 13] heeft ter zitting de beroepsgrond dat de bestemming "Groen - Landschapselement" moet worden toegekend ter plaatse van een bestaande paardenstal op het perceel [locatie 5] te Schijf, ingetrokken.

19. [appellant sub 13] betoogt dat de paardenstal op het perceel [locatie 5] ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Hiertoe voert hij aan dat voor de paardenstal een tijdelijke ontheffing, op grond van artikel 3.22 van de Wro, en een bouwvergunning zijn verleend. Volgens [appellant sub 13] volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 21 januari 2009 in zaak nr. 200800347/1, van 9 maart 2011 in zaak nr. 201007291/1/R3 en van 20 juni 2012 in zaak nr. 201009437/1/R2, dat de raad had moeten bezien of het als zodanig bestemmen van de paardenstal in dit plan ruimtelijk aanvaardbaar is. Dit heeft de raad ten onrechte nagelaten, aldus [appellant sub 13]. Daarnaast voert [appellant sub 13] aan dat de paardenstal geen afbreuk doet aan het bosgebied en dat onduidelijk is waarom een recreatiewoning wel passend is binnen het bosgebied.

19.1. Aan het perceel [locatie 5] zijn de bestemming "Bos", de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur" en de aanduiding "recreatiewoning" toegekend.

Uit artikel 9, lid 9.1, volgt dat de gronden met de bestemming "Bos" niet zijn bestemd voor een paardenstal.

Ingevolge artikel 32, lid 32.1.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur" aangewezen gronden mede bestemd voor, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), het behoud, beheer, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden (Ecologische Hoofdstructuur).

19.2. De paardenstal betreft een gebouw dat ingevolge een op grond van artikel 3.22 van de Wro verleende ontheffing (thans: omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) en bouwvergunning tijdelijk, tot 1 mei 2014, op het perceel [locatie 5] mag blijven staan. De raad heeft ervoor gekozen om de paardenstal niet definitief in te passen in het bestemmingsplan. Deze situatie verschilt van de situatie in de door [appellant sub 13] aangehaalde uitspraken van de Afdeling, waar een tijdelijk toegestane ontwikkeling wel definitief was ingepast in een bestemmingsplan. Reeds daarom ziet de Afdeling in die uitspraken geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in deze situatie onzorgvuldig heeft gehandeld of het bestreden besluit op dit punt ontoereikend heeft gemotiveerd.

19.3. Het standpunt van de raad dat een definitieve inpassing van de paardenstal niet bijdraagt aan het behoud en de ontwikkeling van het bosgebied waarin de stal staat en daarom onwenselijk is, acht de Afdeling niet onredelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat op grond van het vorige plan geen bebouwing op het perceel was toegestaan en dat het perceel in de EHS ligt, waar het behoud, beheer, herstel of de duurzame ontwikkeling van natuurwaarden voorop staat. Voor zover [appellant sub 13] erop wijst dat op het perceel [locatie 5] wel een recreatiewoning wordt toegestaan, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat die situatie verschilt van de thans aan de orde zijnde situatie, omdat die recreatiewoning, die reeds tientallen jaren aanwezig is, niet is gebouwd op grond van een tijdelijke bouwvergunning.

19.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 13] ongegrond.

19.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 14]

20. [appellant sub 14] is eigenaar van het perceel [locatie 6] te Schijf. Hij kan zich niet met het plan verenigen, voor zover daarin de bestemming "Groen - landschapselement" aan zijn perceel is toegekend. Volgens [appellant sub 14] leidt dit ten onrechte tot een beperking van zijn gebruiksmogelijkheden. Hij stelt dat aan de randen van zijn perceel weliswaar houtopstanden staan, maar dat het centrale gedeelte van het perceel geen natuurwaarden heeft. De raad had dan ook moeten aansluiten bij de bestemming die in het vorige plan aan zijn perceel was toegekend, zo betoogt [appellant sub 14].

20.1. Aan het perceel [locatie 6] is in het plan de bestemming "Groen - landschapselement" toegekend. Aan een deel van dit perceel is tevens de functieaanduiding "recreatiewoning" toegekend.

In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" was aan het centrale gedeelte van het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" toegekend. Aan de randen van dit perceel was de bestemming "Landschapselement" toegekend.

20.2. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft het geschil geen betrekking op de functieaanduiding "recreatiewoning" die aan het perceel van [appellant sub 14] is toegekend. Het beroep van [appellant sub 14] is uitsluitend gericht tegen de onderliggende bestemming voor het perceel.

De raad heeft ter zitting verklaard dat het zijn bedoeling was om bij de planvaststelling aan te sluiten bij het voorheen geldende plan, waarin uitsluitend de randen van het perceel zijn bestemd als landschapselement, en dat hij niet heeft beoogd het gehele perceel van [appellant sub 14] te bestemmen als landschapselement. De raad heeft te kennen gegeven dat hij het bestemmingsplan in zoverre wil herzien. Daarbij heeft hij verklaard dat hij tevens de aanduiding recreatiewoning weer aan het perceel zal toekennen.

20.3. Uit het voorgaande volgt dat het plan op dit punt niet in overeenstemming is met hetgeen de raad bij de planvaststelling heeft beoogd, zodat het plan in zoverre onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Het betoog slaagt.

20.4. In hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Groen - landschapselement" ter plaatse van het perceel [locatie 6].

Het beroep van [appellant sub 14] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

20.5. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

20.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien van dit beroep niet gebleken.

Het beroep van [appellant sub 18]

21. [appellant sub 18] kan zich niet verenigen met het plan voor zover daarin één woning is toegestaan op de percelen [locatie 7] en [locatie 8] te Sprundel. Hij betoogt dat ter plaatse twee aaneengebouwde woningen aanwezig zijn, die ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. [appellant sub 18] voert aan dat de raad ambtshalve het ontwerp van het plan gewijzigd heeft vastgesteld door onder meer de in het ontwerp opgenomen aanduiding "maximaal aantal wooneenheden 2" ter plaatse van voormelde percelen te verwijderen. Hij betoogt dat de raad deze ambtshalve wijziging ten onrechte niet heeft gemotiveerd. Ook betoogt hij dat hij, vanwege het ontbreken van een motivering in het voorstel aan de raad tot vaststelling van het plan, erop mocht vertrouwen dat het ontwerp op dit punt niet zou worden gewijzigd. Voorts voert [appellant sub 18] aan dat een bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een aanbouw aan de woning [locatie 7]. Uit de bijbehorende bouwtekening blijkt volgens hem ondubbelzinnig dat de aanbouw feitelijk een zelfstandige wooneenheid betreft. Verder voert hij aan dat het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1982 twee woningen op de percelen toestond. Daarnaast stelt hij dat het gemeentebestuur nooit handhavend heeft opgetreden tegen de tweede woning, dat een huisnummer is toegekend aan de tweede woning en dat de tweede woning wordt aanslagen voor gemeentebelastingen. [appellant sub 18] betoogt tot slot dat in een gelijk geval, op het perceel Turfstraat 18/18a, wel twee woningen zijn toegestaan.

21.1. In het deskundigenbericht staat dat op de percelen [locatie 7] en [locatie 8] een woonhuis staat dat in de huidige situatie geschikt is voor bewoning door twee zelfstandige huishoudens.

Op 18 november 1988 is een bouwvergunning verleend voor het verbouwen en vergroten van een woonhuis op het adres [locatie 7]. Het aangebouwde gedeelte staat bekend als [locatie 8].

21.2. In het voorontwerp van het plan was één woning op de percelen toegestaan. In de reactie op de inspraakreactie van [appellant sub 18], die is opgenomen in de "Notitie vooroverleg", staat dat het vorige bestemmingsplan één woning op de percelen toeliet en dat het gemeentelijke en provinciale beleid eraan in de weg staan dat een tweede woning wordt toegestaan, omdat nieuwe burgerwoningen in het buitengebied in beginsel niet zijn toegestaan. Uit de "Notitie Ambtshalve wijzigingen ‘Ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2012’", die behoort bij het besluit tot vaststelling van het plan, volgt dat de aanduiding "maximaal aantal wooneenheden 2" die in het ontwerp van het plan aan de percelen was toegekend, moet worden verwijderd.

De "Notitie vooroverleg" is als bijlage opgenomen bij de plantoelichting van het vastgestelde plan en maakt derhalve deel uit van het besluit tot vaststelling van het plan. Gelet hierop mist het betoog dat de ambtshalve wijziging niet is gemotiveerd feitelijke grondslag.

21.3. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Hiertoe wordt overwogen dat het de raad vrijstaat om een plan vast te stellen in afwijking van het ontwerp van het plan.

21.4. Aan de omstandigheden dat een huisnummer was toegekend aan de tweede woning en dat de tweede woning wordt aanslagen voor gemeentebelastingen komt geen planologische betekenis toe. Voorts kan aan de omstandigheid dat het gemeentebestuur nooit handhavend heeft opgetreden tegen het gebruik als zelfstandige woning niet de gerechtvaardigde verwachting worden ontleend dat het desbetreffende deel van de woning als zelfstandige woning zou worden bestemd. Voor zover [appellant sub 18] aanvoert dat in het ten tijde van het verlenen van de bouwvergunning geldende bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1982 wel twee woningen op de percelen waren toegestaan, wordt overwogen dat, daargelaten de juistheid van die stelling, op grond van dat plan een bouwvergunning voor een aanbouw bij de woning [locatie 7] is verleend en niet voor een tweede woning. Voorts was in het vorige bestemmingsplan op de percelen één woning toegestaan. Het als zodanig bestemmen van de tweede woning op het perceel betekent dat juridisch-planologisch wordt voorzien in een nieuwe burgerwoning. Dat feitelijk twee woningen aanwezig zijn, maakt dit niet anders. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de algemene regels die zijn neergelegd in de Verordening 2011 in de weg staan aan het toevoegen van nieuwe burgerwoningen op de percelen [locatie 7] en [locatie 8]. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling de keuze van de raad om het gebruik als tweede woning niet als zodanig te bestemmen niet onredelijk.

21.5. [appellant sub 18] heeft zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel in zijn nader stuk uitgebreid met een verwijzing naar diverse andere situaties in het plangebied. Ten aanzien van de door [appellant sub 18] gemaakte vergelijking met die situaties en de situatie op het perceel Turfstraat 18 en 18a, wordt overwogen dat, wat daar verder ook van zij, dat betoog niet kan slagen, omdat het opnemen van een bestemming voor een tweede woning in dit plan in strijd is met de algemene regels van de Verordening 2011 en gesteld noch gebleken is dat in dit geval van die regels kan worden afgeweken.

21.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 18] ongegrond.

21.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 19]

22. [appellant sub 19] exploiteert een veehouderij met een neventak akkerbouw op het perceel [locatie 9] te Rucphen. Hij kan zich niet met het plan verenigen, voor zover dat betrekking heeft op zijn perceel.

22.1. Aan het perceel [locatie 9] is in het plan de bestemming "Agrarisch" toegekend. Voor dit perceel is een bouwvlak op de verbeelding opgenomen, met de functieaanduiding "intensieve veehouderij".

Tevens is op de verbeelding de maatvoeringsaanduiding "3.100" opgenomen als maximaal toegestaan bebouwd oppervlak in m2.

Het perceel ligt in een gebied met de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied".

Functieaanduiding "intensieve veehouderij"

23. [appellant sub 19] betoogt dat aan zijn perceel ten onrechte de aanduiding intensieve veehouderij is toegekend. Daartoe voert hij aan dat op zijn bedrijf rosé-kalveren worden gehouden die voor 90% worden gevoerd met ruwvoer dat wordt geteeld op zijn eigen bedrijfsgronden en dat de door de kalveren geproduceerde mest wordt uitgereden over deze bedrijfsgronden. Gelet hierop moet het bedrijf volgens [appellant sub 19] worden aangemerkt als een grondgebonden veehouderij.

23.1. De raad stelt dat het bedrijf van [appellant sub 19] zich, blijkens het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen van 30 september 2009 met betrekking tot dit bedrijf, richt op het houden van kalveren in vleesveestallen. Volgens de raad moet een dergelijk bedrijf worden aangemerkt als een intensieve veehouderij als bedoeld in de Verordening 2011.

23.2. Ingevolge artikel 1.1, onder 36, van de Verordening 2011 wordt onder een grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan: een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt.

Ingevolge het bepaalde onder 40 wordt onder een intensieve veehouderij verstaan: een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkrundveehouderij.

23.3. In artikel 1, onder 74, van de planregels is dezelfde begripsbepaling opgenomen voor een grondgebonden agrarisch bedrijf als in artikel 1.1, onder 36, van de Verordening 2011. Daaraan is toegevoegd dat voorbeelden van grondgebonden agrarische bedrijven onder andere zijn: akkerbouw- en fruitteeltbedrijven en melkveehouderijbedrijven.

In artikel 1, onder 80, van de planregels is dezelfde begripsbepaling opgenomen voor een intensieve veehouderij als in artikel 1.1, onder 40, van de Verordening 2011.

23.4. Op het bedrijf van [appellant sub 19] worden vleeskalveren gehouden.

Blijkens de hiervoor weergegeven begripsbepalingen van intensieve veehouderij is voor de kwalificatie van een agrarisch bedrijf bepalend of het houden van de dieren al dan niet in gebouwen plaatsvindt. Hierbij is niet doorslaggevend wat de herkomst is van het voer. Evenmin is daarbij bepalend op welke wijze de mest wordt afgevoerd.

Blijkens het deskundigenbericht is de bedrijfsvoering van [appellant sub 19] gericht op het houden van vleeskalveren in gebouwen. Ter zitting heeft [appellant sub 19] bevestigd dat de vleeskalveren op zijn bedrijf uitsluitend in stallen verblijven en dat de weidegang ontbreekt.

Gelet hierop heeft de raad het bedrijf terecht aangemerkt als een intensieve veehouderij als bedoeld in de Verordening 2011.

Het betoog faalt.

Omvang bouwvlak en maximum bebouwingsoppervlak

24. [appellant sub 19] betoogt verder dat zijn bouwvlak ten onrechte is verkleind ten opzichte van het voorheen geldende plan. Volgens hem had de raad, conform het eerdere voornemen van het gemeentebestuur, het bouwvlak moeten vergroten. Bovendien biedt het plan ten onrechte niet de mogelijkheid om de vorm van het bouwvlak te veranderen, zo voert hij aan. Het feit dat de provinciale regels ter zake inmiddels zijn gewijzigd, kan volgens hem niet afdoen aan de eigen verantwoordelijkheid van de raad.

Ook voert [appellant sub 19] aan dat de raad ten onrechte een zogenaamd "slot op de muur" voor zijn perceel heeft opgenomen, waarbij in het plan is vastgelegd dat het oppervlak van de bebouwing binnen zijn bouwvlak maximaal 3.100 m2 mag bedragen.

Ten slotte is volgens hem ten onrechte niet duidelijk welke bebouwing meetelt bij de berekening van het maximum oppervlak. Hij betoogt dat alleen de stalruimte ten behoeve van de intensieve veehouderijtak moet worden meegeteld en dat het oppervlak van de overige bebouwing op zijn perceel, waaronder de bedrijfswoning, buiten beschouwing moet worden gelaten. Als de overige bebouwing wel moet worden meegeteld, dan dient het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak hoger te worden vastgesteld, zo betoogt hij. Ook heeft de raad volgens hem ten onrechte geen rekening gehouden met het oppervlak van een nieuw te bouwen stal, waarvoor een bouwvergunning eerste fase is verleend.

24.1. In artikel 2, lid 2.1, onderdeel 2.1.2, van de planregels is bepaald dat de bebouwde oppervlakte van een bouwperceel of een ander terrein moet worden gemeten door de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen en overkappingen bij elkaar op te tellen, tenzij in de regels anders is bepaald.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onderdeel 3.2.1, mogen gebouwen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden opgericht ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf, met inachtneming van de op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding "maximum oppervlakte" aangegeven maximum oppervlakte.

In onderdeel 3.2.1 zijn, onder d, specifieke regels opgenomen voor de bouw van bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken.

Ingevolge artikel 39, lid 39.15, onder 39.15.2, is vormverandering van een bouwvlak voor intensieve veehouderij of uitbreiding van een intensieve veehouderij niet toegestaan op gronden met de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied".

24.2. De raad heeft in het plan niet voorzien in een uitbreiding of vormverandering van het bouwvlak voor het bedrijf van [appellant sub 19], omdat de Verordening 2011 hiertoe, gelet op de ligging van het bedrijf in een extensiveringsgebied, niet de mogelijkheid biedt.

Verder stelt de raad dat het bij een intensieve veehouderij in een extensiveringsgebied, gelet op het bepaalde in de Verordening 2011, noodzakelijk is om het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak in het plan vast te leggen, om te voorkomen dat de intensieve veehouderij kan worden uitgebreid.

24.3. Ingevolge artikel 9.2, eerste lid, van de Verordening 2011 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een extensiveringsgebied dat:

a. nieuwvestiging, uitbreiding, hervestiging van en omschakeling naar intensieve veehouderij niet zijn toegestaan;

c. bouwblokken voor intensieve veehouderij ten hoogste de omvang hebben zoals opgenomen in bestemmings-, uitwerkings- of wijzigingsplannen waarover Gedeputeerde Staten een onherroepelijk besluit tot goedkeuring van dat plan hebben genomen ná 17 juli 1992 en vóór 22 april 2005 alsmede de bouwrechten waaraan vanaf 22 april 2005 planologische medewerking is verleend;

e. vormverandering van een bouwblok voor intensieve veehouderij niet is toegestaan.

Ingevolge het derde lid geldt, in afwijking van het eerste lid, onder c, dat in een bestemmingsplan is vastgelegd dat het percentage dat de grootte van het deel van het bouwblok aangeeft dat ten hoogste bebouwd mag worden ten behoeve van een intensieve veehouderij, overeenkomt met de bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij welke aanwezig of in uitvoering was dan wel gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning gebaseerd op een volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan op de peildatum 1 oktober 2010.

24.4. [appellant sub 19] heeft ter zitting medegedeeld niet langer te betwisten dat een uitbreiding of vormverandering van zijn bouwvlak in strijd is met artikel 9.2, eerste lid, van de Verordening 2011.

Nu de raad gehouden was een plan vast te stellen met inachtneming van deze algemene regels, leidt hetgeen [appellant sub 19] heeft aangevoerd niet tot het oordeel dat het plan ten onrechte niet voorziet in een uitbreiding of vormverandering van dit bouwvlak.

De Afdeling stelt evenwel vast dat het bouwvlak dat op de verbeelding is opgenomen voor het perceel [locatie 9] kleiner is dan het bouwvlak dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" voor dit perceel was opgenomen.

Het plan is op dit punt niet in overeenstemming met hetgeen de raad bij de planvaststelling heeft beoogd, nu het blijkens de zienswijzennota en het verhandelde ter zitting de bedoeling van de raad is geweest om wat betreft de omvang van het bouwvlak aan te sluiten bij het voorheen geldende plan. Gelet hierop is het plan in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Het betoog slaagt.

24.5. [appellant sub 19] heeft ter zitting voorts medegedeeld niet langer te betwisten dat de raad, gelet op het bepaalde in artikel 9.2, derde lid, van de Verordening 2011, het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak voor zijn perceel in het plan diende vast te leggen.

Gelet hierop ziet de Afdeling zich uitsluitend nog gesteld voor de vraag of de raad voor dit perceel een maximum bebouwingsoppervlak van 3.100 m2 heeft kunnen vaststellen.

24.6. Blijkens de zienswijzennota en het verhandelde ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat een redelijke uitleg van artikel 9.2, derde lid, van de Verordening 2011 met zich brengt dat alle bedrijfsgebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak moeten worden meegeteld bij het vastleggen van het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak. Dit uitgangspunt heeft een vertaling gekregen in artikel 2, lid 2.1, onderdeel 2.1.2, van de planregels. Dit betekent, zo heeft de raad ter zitting toegelicht, dat bij gemengde agrarische bedrijven ook de gebouwen en overkappingen moeten worden meegeteld die worden gebruikt voor de grondgebonden tak van het bedrijf, zoals bijvoorbeeld loodsen en machinebergingen. Hiermee wordt voorkomen dat voor de grondgebonden tak van het bedrijf nieuwe bebouwing kan worden opgericht die nadien, zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning voor bouwen nodig is, in gebruik kan worden genomen voor het houden van dieren, zo stelt de raad.

In hetgeen [appellant sub 19] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad hiermee heeft gehandeld in strijd met de Verordening 2011. Daarbij is van belang dat op pagina 6 van de toelichting op de Verordening 2011 is vermeld dat bij een gemengd bedrijf geen onderscheid dient te worden gemaakt tussen de intensieve veehouderijtak en de overige agrarische bedrijfstakken en dat in die situatie dient te worden voldaan aan de bepalingen van hoofdstuk 9 van de Verordening 2011.

24.7. De raad heeft voorts het uitgangspunt gehanteerd dat het oppervlak van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals mestplaten en kuilvoeropslagen buiten beschouwing moet blijven bij het vastleggen van het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak en dat het oppervlak van de bedrijfswoning met de bijbehorende bouwwerken daarbij evenmin moet worden meegeteld.

Naar het oordeel van de Afdeling is dit, gelet op het doel en de strekking van artikel 9.2, derde lid, van de Verordening 2011, geen onredelijke uitleg van die bepaling. Daarbij heeft de raad van belang kunnen achten dat bij bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en bedrijfswoningen met de bijbehorende bouwwerken niet het gevaar bestaat dat deze bebouwing in gebruik kan worden genomen voor het houden van dieren zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning voor bouwen is vereist. Gelet hierop ziet de Afdeling op dit punt evenmin grond voor het oordeel dat de raad heeft gehandeld in strijd met de Verordening 2011.

Hetgeen [appellant sub 19] heeft aangevoerd, leidt niet tot de conclusie dat dit uitgangspunt onvoldoende duidelijk in het plan is vastgelegd. Uit artikel 2, lid 2.1, onderdeel 2.1.2, van de planregels blijkt immers dat het oppervlak van bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet moet worden meegeteld bij het bepalen van het bebouwde oppervlak. Verder blijkt uit de genoemde bepaling, bezien in samenhang met artikel 3, lid 3.2, onderdeel 3.2.1, aanhef en onder d, dat de bedrijfswoning met de bijbehorende bouwwerken buiten beschouwing moet blijven bij het bepalen van het bebouwde oppervlak.

24.8. Ten slotte heeft de raad zich bij het vastleggen van het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak op het standpunt gesteld dat geen rekening dient te worden gehouden met het oppervlak van een gebouw waarvoor een bouwvergunning eerste fase als bedoeld in artikel 56a van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang (hierna: bouwvergunning eerste fase), is verleend. Als voor een dergelijk gebouw een bouwvergunning tweede fase is verleend, kan het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak worden gewijzigd door een herziening van het bestemmingsplan, zo stelt de raad.

Naar het oordeel van de Afdeling verdraagt dit standpunt zich niet met artikel 9.2, derde lid, van de Verordening 2011. Uit de genoemde bepaling volgt immers dat bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij welke gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning gebaseerd op een volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan op de peildatum 1 oktober 2010 dient te worden meegenomen bij het bepalen van het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak. Een gebouw, waarvoor een bouwvergunning eerste fase is verleend, is in planologisch opzicht toegestaan. Overigens wijst de Afdeling er op dat in artikel 9.2, eerste lid, onder c, van de Verordening 2012 een bepaling is opgenomen die wat betreft doel en strekking overeenkomt met artikel 9.2, derde lid, van de Verordening 2011 en dat op pagina 83 van de toelichting op de Verordening 2012 staat dat bij het bepalen van de omvang van de aanwezige bebouwing tevens rekening moet worden gehouden met "de bebouwing die opgericht mag worden op grond van een voor 1 oktober 2010 ingediende ontvankelijke bouwaanvraag (fase 1) die ook gehonoreerd kan worden omdat deze past binnen het op dat moment vigerende bouwblok". De Afdeling ziet hierin een bevestiging van haar uitleg van artikel 9.2, derde lid, van de Verordening 2011 dat bij het vastleggen van het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak rekening dient te worden gehouden met het oppervlak van een gebouw waarvoor een bouwvergunning eerste fase is verleend.

24.9. Uit het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de op het perceel van [appellant sub 19] aanwezige bedrijfsgebouwen en overkappingen een gezamenlijk oppervlak hebben van ongeveer 3.100 m2.

Uit het deskundigenbericht blijkt echter dat op 21 september 2009 een bouwvergunning eerste fase is verleend voor de bouw van een nieuwe stal met een oppervlakte van 1.064 m2 op het perceel. Verder is in het deskundigenbericht vermeld dat binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning eerste fase een aanvraag om bouwvergunning tweede fase is ingediend. De raad heeft dit bevestigd. Nu de raad het oppervlak van deze nieuwe stal niet heeft meegenomen bij de vaststelling van het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak van 3.100 m2, is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 9.2, derde lid, van de Verordening 2011. Het betoog slaagt.

Conclusie beroep [appellant sub 19]

25. In hetgeen [appellant sub 19] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de vaststelling van het bouwvlak voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het perceel [locatie 9] te Rucphen, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 19] heeft aangevoerd ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de vaststelling van het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak van "3.100" voor het bovengenoemde perceel, is genomen in strijd met artikel 9.2, derde lid, van de Verordening 2011.

25.1. Het beroep van [appellant sub 19] is gegrond en het bestreden besluit dient op bovengenoemde onderdelen te worden vernietigd.

25.2. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

De Afdeling ziet voorts aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat als gevolg van deze vernietiging geen maximum bebouwingsoppervlak voor het desbetreffende perceel geldt.

25.3. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellante sub 21]

26. [appellante sub 21] exploiteert een intensieve veehouderij, met een neventak akkerbouw, aan de [locatie 10] te Rucphen. Zij betoogt dat de raad ten onrechte een zogenaamd "slot op de muur" voor haar perceel heeft opgenomen, waarbij in het plan is vastgelegd dat het oppervlak van de bebouwing binnen het bouwvlak maximaal 2.503 m2 mag bedragen. Zij acht dit in strijd met het Reconstructieplan De Baronie, waaruit blijkt dat de uitbreiding van een intensieve veehouderij in een extensiveringsgebied mogelijk is. In elk geval dient volgens [appellante sub 21] uitbreidingsruimte te worden geboden als dat nodig is voor milieumaatregelen, dierenwelzijn of omschakeling naar grondgebonden intensieve veehouderij.

Ook voert [appellante sub 21] aan dat het bestaande en het vergunde oppervlak van de gebouwen op haar perceel groter is dan 2.503 m2.

Daarbij betoogt zij dat het maximaal toegestane oppervlak uitsluitend dient te gelden voor stalruimte en niet voor overige bebouwing, zoals loodsen, de bedrijfswoning, voeropslagen en sleufsilo's, dan wel voor gebouwen die nodig zijn voor de grondgebonden landbouw.

26.1. Aan het perceel [locatie 10] is in het plan de bestemming "Agrarisch" toegekend. Voor dit perceel is een bouwvlak op de verbeelding opgenomen, met de functieaanduiding "intensieve veehouderij".

Tevens is op de verbeelding de maatvoeringsaanduiding "2.503" opgenomen als maximaal toegestaan bebouwd oppervlak in m2.

Het perceel ligt in een gebied met de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied".

26.2. Voor een weergave van artikel 2, lid 2.1, onderdeel 2.1.2, artikel 3, lid 3.2, onderdeel 3.2.1, en artikel 39, lid 39.15, onder 39.15.2, van de planregels wordt verwezen naar overweging 24.1.

26.3. De raad stelt dat het bij een intensieve veehouderij in een extensiveringsgebied, gelet op het bepaalde in de Verordening 2011, noodzakelijk is om het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak in het plan vast te leggen, om te voorkomen dat de intensieve veehouderij kan worden uitgebreid.

Verder stelt de raad zich op het standpunt dat het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak, dat op de verbeelding is opgenomen voor het perceel van [appellante sub 21], overeenkomt met het bestaande, vergunde oppervlak van de bebouwing.

26.4. Voor een weergave van artikel 9.2, eerste en derde lid, van de Verordening 2011 wordt verwezen naar overweging 24.3.

26.5. Ter zitting heeft [appellante sub 21] medegedeeld niet langer te betwisten dat de raad, gelet op het bepaalde in artikel 9.2, derde lid, van de Verordening 2011, het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak voor haar perceel in het plan diende vast te leggen.

Gelet hierop ziet de Afdeling zich uitsluitend nog gesteld voor de vraag of de raad voor dit perceel een maximum bebouwingsoppervlak van 2.503 m2 heeft kunnen vaststellen.

26.6. Blijkens de zienswijzennota en het verhandelde ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat een redelijke uitleg van artikel 9.2, derde lid, van de Verordening 2011 met zich brengt dat alle bedrijfsgebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak moeten worden meegeteld bij het vastleggen van het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak. Dit uitgangspunt heeft een vertaling gekregen in artikel 2, lid 2.1, onderdeel 2.1.2, van de planregels. Dit betekent, zo heeft de raad ter zitting toegelicht, dat bij gemengde agrarische bedrijven ook de gebouwen en overkappingen moeten worden meegeteld die worden gebruikt voor de grondgebonden tak van het bedrijf, zoals bijvoorbeeld loodsen en machinebergingen. Hiermee wordt voorkomen dat voor de grondgebonden tak van het bedrijf nieuwe bebouwing kan worden opgericht die nadien, zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning voor bouwen nodig is, in gebruik kan worden genomen voor het houden van dieren, zo stelt de raad.

In hetgeen [appellante sub 21] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad hiermee heeft gehandeld in strijd met de Verordening 2011. Daarbij is van belang dat op pagina 6 van de toelichting op de Verordening 2011 is vermeld dat bij een gemengd bedrijf geen onderscheid dient te worden gemaakt tussen de intensieve veehouderijtak en de overige agrarische bedrijfstakken en dat in die situatie dient te worden voldaan aan de bepalingen van hoofdstuk 9 van de Verordening 2011.

26.7. De raad heeft voorts het uitgangspunt gehanteerd dat het oppervlak van bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals mestplaten en kuilvoeropslagen buiten beschouwing moet blijven bij het vastleggen van het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak en dat het oppervlak van de bedrijfswoning met de bijbehorende bouwwerken daarbij evenmin moet worden meegeteld.

Naar het oordeel van de Afdeling is dit, gelet op het doel en de strekking van artikel 9.2, derde lid, van de Verordening 2011, geen onredelijke uitleg van die bepaling. Daarbij heeft de raad van belang kunnen achten dat bij bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en bedrijfswoningen met de bijbehorende bouwwerken niet het gevaar bestaat dat deze bebouwing in gebruik kan worden genomen voor het houden van dieren zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning voor bouwen is vereist. Gelet hierop ziet de Afdeling op dit punt evenmin grond voor het oordeel dat de raad heeft gehandeld in strijd met de Verordening 2011.

Hetgeen [appellante sub 21] heeft aangevoerd, leidt niet tot de conclusie dat dit uitgangspunt onvoldoende duidelijk in het plan is vastgelegd. Uit artikel 2, lid 2.1, onderdeel 2.1.2, van de planregels blijkt immers dat het oppervlak van bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet moet worden meegeteld bij het bepalen van het bebouwde oppervlak. Verder blijkt uit de genoemde bepaling, bezien in samenhang met artikel 3, lid 3.2, onderdeel 3.2.1, aanhef en onder d, dat de bedrijfswoning met de bijbehorende bouwwerken buiten beschouwing moet blijven bij het bepalen van het bebouwde oppervlak.

26.8. Ten slotte heeft de raad zich bij het vastleggen van het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak op het standpunt gesteld dat geen rekening dient te worden gehouden met het oppervlak van een gebouw waarvoor een bouwvergunning eerste fase als bedoeld in artikel 56a van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang (hierna: bouwvergunning eerste fase), is verleend. Als voor een dergelijke gebouw een bouwvergunning tweede fase is verleend, kan het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak worden gewijzigd door een herziening van het bestemmingsplan, zo stelt de raad.

Naar het oordeel van de Afdeling verdraagt dit standpunt zich niet met artikel 9.2, derde lid, van de Verordening 2011. Uit de genoemde bepaling volgt immers dat bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij welke gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning gebaseerd op een volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan op de peildatum 1 oktober 2010 dient te worden meegenomen bij het bepalen van het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak. Een gebouw, waarvoor een bouwvergunning eerste fase is verleend, is in planologisch opzicht toegestaan. Overigens wijst de Afdeling er op dat in artikel 9.2, eerste lid, onder c, van de Verordening 2012 een bepaling is opgenomen die wat betreft doel en strekking overeenkomt met artikel 9.2, derde lid, van de Verordening 2011 en dat op pagina 83 van de toelichting op de Verordening 2012 staat dat bij het bepalen van de omvang van de aanwezige bebouwing tevens rekening moet worden gehouden met "de bebouwing die opgericht mag worden op grond van een voor 1 oktober 2010 ingediende ontvankelijke bouwaanvraag (fase 1) die ook gehonoreerd kan worden omdat deze past binnen het op dat moment vigerende bouwblok". De Afdeling ziet hierin een bevestiging van haar uitleg van artikel 9.2, derde lid, van de Verordening 2011 dat bij het vastleggen van het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak rekening dient te worden gehouden met het oppervlak van een gebouw waarvoor een bouwvergunning eerste fase is verleend.

26.9. Uit het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de op het perceel van [appellante sub 21] aanwezige bedrijfsgebouwen en overkappingen een gezamenlijk oppervlak hebben van ongeveer 2.500 m2.

De raad heeft ter zitting echter erkend dat bij het vastleggen van het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak ten onrechte geen rekening is gehouden met een onherroepelijke bouwvergunning voor het uitbreiden van de bestaande stalruimte.

26.10. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden van na het bestreden besluit hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet reeds hierom worden geoordeeld dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

26.11. In hetgeen [appellante sub 21] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de vaststelling van het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak van "2.503" voor het perceel [locatie 10] te Rucphen, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

26.12. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient op dit punt dient te worden vernietigd.

26.13. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

De Afdeling ziet voorts aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat als gevolg van deze vernietiging geen maximum bebouwingsoppervlak voor het desbetreffende perceel geldt.

26.14. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 9]

27. [appellant sub 9] heeft ter zitting zijn beroepsgrond dat een woon- dan wel een recreatieve bestemming moet worden toegekend ter plaatse van het hoofdgebouw op het perceel Onze Lieve Vrouwestraat (ongenummerd) te Zegge, dat ten noorden en ten oosten van het perceel Onze Lieve Vrouwestraat 56 ligt, ingetrokken.

28. [appellant sub 9] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover daarin niet is voorzien in de aanduiding "bouwvlak" ter plaatse van een stenen gebouw met zadeldak, waarin hij regelmatig verblijft, op het perceel Onze Lieve Vrouwestraat (ongenummerd), dat ten noorden en ten oosten van het perceel Onze Lieve Vrouwestraat 56 ligt. Hiertoe voert hij aan dat een bouwvergunning is verleend voor het gebouw.

28.1. Aan het perceel van [appellant sub 9] is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijk", zonder aanduiding "bouwvlak", toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, van de planregels mogen gebouwen uitsluitend binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak worden opgericht (…).

28.2. De raad heeft in het verweerschrift en ter zitting te kennen gegeven dat een agrarisch bouwvlak ter plaatse van het desbetreffende gebouw moet worden toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

28.3. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijk" ter plaatse van het stenen gebouw met zadeldak, waarvoor op 30 juni 1988 een bouwvergunning is verleend, op het perceel Onze Lieve Vrouwestraat (ongenummerd), dat ten noorden en ten oosten van het perceel Onze Lieve Vrouwestraat 56 ligt, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 9] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

28.4. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

28.5. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 23]

29. [appellant sub 23] exploiteert een vleesvarkensbedrijf op het perceel [locatie 11] te Sprundel. Ook woont hij op dit perceel. Hij kan zich niet verenigen met het plan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel [locatie 12]/[locatie 13] te Sprundel.

29.1. De raad en [belanghebbende], die woont op het perceel [locatie 13], betogen dat het beroep van [appellant sub 23] niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

29.1.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient sprake te zijn van een voldoende objectief, actueel, eigen, persoonlijk belang dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

29.1.2. Blijkens het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting bedraagt de afstand tussen het perceel van [appellant sub 23] en het perceel [locatie 12]/[locatie 13] ongeveer 80 meter. Verder is ter zitting onweersproken gesteld dat de varkenshouderij op het perceel van [appellant sub 23] weliswaar eigendom is van [bedrijf], maar dat [appellant sub 23] directeur en enig aandeelhouder is van die besloten vennootschap. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het belang van [appellant sub 23] rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken.

Hetgeen de raad en [belanghebbende] hebben aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het beroep van [appellant sub 23] niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van belanghebbendheid.

29.1.3. De Afdeling stelt evenwel vast dat het beroep van [appellant sub 23], voor zover dat is gericht tegen de vaststelling van artikel 25, lid 25.5, onderdelen 25.5.1, 25.5.2 en 25.5.3, van de planregels niet steunt op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Gelet hierop is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.

29.2. [appellant sub 23] betoogt dat op het perceel [locatie 12]/[locatie 13], in afwijking van het voorheen geldende plan, ten onrechte twee afzonderlijke woningen zijn toegestaan. Ook voert hij aan dat het plan ten onrechte de mogelijkheid biedt om de woning met het huisnummer 28a uit te breiden. [appellant sub 23] vreest dat de exploitatie van zijn vleesvarkensbedrijf hierdoor wordt bemoeilijkt.

29.3. Blijkens het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting staan op het perceel [locatie 12]/[locatie 13] twee afzonderlijke woningen.

Aan dit perceel is in het plan de bestemming "Wonen" toegekend. Tevens is op de verbeelding de maatvoeringsaanduiding "2" opgenomen als maximaal aantal wooneenheden.

Ingevolge artikel 25, lid 25.2, onderdeel 25.2.2, sub e, van de planregels mag de inhoud van deze woningen maximaal 600 m³ bedragen.

Ingevolge lid 25.6, onderdeel 25.6.1, is het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarden bevoegd de bestemming 'Wonen' te wijzigen voor het vergroten van de maximale inhoud van een woning tot 750 m³.

29.4. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend. Aan de woning met het huisnummer 28 is in dat plan de medebestemming "Woondoeleinden" toegekend, met de nadere aanduiding "W2". Voor de woning met het huisnummer 28a is in dat plan een afzonderlijk bestemmingsvlak opgenomen, met de medebestemming "Woondoeleinden" en de nadere aanduiding "W3".

Ingevolge artikel 21, lid 1, van de voorschriften van het plan "Buitengebied 1998" zijn de gronden die op de detailplankaart zijn aangewezen voor "Woondoeleinden" mede bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 2 zijn op de gronden met de aanduiding "W2" halfvrijstaande woningen toegestaan en zijn op de gronden met de aanduiding "W3" woongedeelten toegestaan.

In artikel 1, lid 78, is een woongedeelte omschreven als: "een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw bestemd voor de zelfstandige huisvesting van een huishouden, met dien verstande dat de inhoud maximaal 250 m3 mag bedragen.

29.5. De raad stelt dat de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan aldus dienen te worden uitgelegd dat zowel op de gronden met de aanduiding "W2" als op de gronden met de aanduiding "W3" een woning voor een zelfstandig huishouden was toegestaan. Gelet hierop waren op het perceel [locatie 12]/[locatie 13] twee afzonderlijke woningen toegestaan. Het voorliggende plan voorziet niet in de toevoeging van een nieuwe burgerwoning in het buitengebied, aldus de raad.

Hetgeen [appellant sub 23] heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat de raad hiervan bij de planvaststelling niet heeft kunnen uitgaan. De Afdeling volgt dan ook niet het betoog van [appellant sub 23] dat de gronden met de aanduiding "W3" in het voorheen geldende plan uitsluitend waren bestemd voor inwoning ten behoeve van mantelzorg.

29.6. Blijkens de plantoelichting hanteert de raad het uitgangspunt dat in het plan een eenduidig te hanteren systematiek moet worden toegepast. De raad heeft in verband hiermee - anders dan in het voorheen geldende plan - geen onderscheid meer gemaakt tussen woningen met de aanduidingen "W1", "W2, "W3" en "W4", maar heeft voor woningen met een woonbestemming in beginsel dezelfde bouwmogelijkheden in het plan opgenomen.

Hetgeen [appellant sub 23] heeft aangevoerd, leidt niet tot de conclusie dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. De door de raad gemaakte keuze heeft weliswaar tot gevolg dat de bouwmogelijkheden voor de woning aan de [locatie 13] zijn toegenomen ten opzichte van het voorheen geldende plan, maar [appellant sub 23] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Daarbij is van belang dat in het deskundigenbericht is vermeld dat het plan in zoverre niet in de weg staat aan de uitbreiding van het varkensbedrijf van [appellant sub 23], hetgeen door [appellant sub 23] niet is bestreden.

29.7. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 23], voor zover ontvankelijk, ongegrond.

29.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beroepen van de minister van Defensie en de BMF en de Natuurwerkgroep over militaire terreinen

Terrein Backhuys Roozeboom

30. De minister van Defensie en de BMF en de Natuurwerkgroep kunnen zich niet verenigen met het plan, voor zover dat betrekking heeft op het militaire terrein Backhuys Roozeboom, gelegen ten zuiden van De Schietbaan te Rucphen.

30.1. De minister betoogt, onder verwijzing naar het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro), dat de raad de bestemming "Maatschappelijk - militair terrein" aan dit terrein had moeten toekennen.

Ook voert de minister aan dat aan een deel van dit terrein ten onrechte de functieaanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - tentenkamp" is toegekend met de maatvoeringsaanduiding "1.491" als maximaal toegestaan bebouwd oppervlak in m2. Het desbetreffende gedeelte van het terrein is volgens de minister niet in gebruik als tentenkamp.

Ter zitting heeft de minister de beroepsgrond dat artikel 32 van de planregels ten onrechte in de weg staat aan het oprichten van nieuwe bebouwing op het terrein, ingetrokken.

30.2. De BMF en de Natuurwerkgroep betogen dat het plan te ruime bebouwingsmogelijkheden biedt voor het terrein Backhuys Roozeboom. Zij voeren daartoe aan dat in de planregels voor dit terrein geen maximum aantal gebouwen is opgenomen en dat gebouwen mogen worden opgericht binnen het gehele bestemmingsvlak. Volgens de BMF en de Natuurwerkgroep is de noodzaak hiervoor niet aangetoond.

30.3. Aan het terrein Backhuys Roozeboom is in het plan de bestemming "Maatschappelijk - Defensie" toegekend, met de functieaanduiding "militair oefenterrein". Aan een gedeelte van het terrein is tevens de functieaanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - tentenkamp" toegekend, met de maatvoeringsaanduiding "1.491" als maximaal toegestaan bebouwd oppervlak in m2.

Ingevolge artikel 17, lid 17.1, onderdeel 17.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Maatschappelijk - Defensie" en de functieaanduiding "militair oefenterrein" bestemd voor een militair oefenterrein waarop tevens helicopterlandingen zijn toegestaan met bijbehorende bebouwing zoals bergingen, toiletgebouwen, kantine, kantoor, gebouwen ten behoeve van communicatiedoeleinden, een instructielokaal en een slechtweeraccommodatie, een en ander met behoud van de aanwezige natuur- en landschapswaarden.

In lid 17.2, onderdeel 17.2.1, sub a, onder b, is bepaald dat de oppervlakte van een gebouw maximaal 20% van het bestemmingsvlak bedraagt.

30.4. Aan het terrein Backhuys Roozeboom is in het plan tevens de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur" toegekend.

Ingevolge artikel 32, lid 32.1, onderdeel 32.1.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden (Ecologische Hoofdstructuur).

Ingevolge lid 32.2, onder 32.2.1, mag in afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemmingen (artikelen 3 tot en met 25) alleen ten behoeve van deze bestemming worden gebouwd.

In lid 32.3 is bepaald dat het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde onder 32.2.1 voor het bouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, met dien verstande dat geen aantoonbare onevenredige aantasting plaatsvindt van de ecologische hoofdstructuur.

30.5. Ingevolge artikel 2.6.2, eerste lid, van het Barro worden als militair terrein aangewezen de in de ministeriële regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met de Minister van Defensie genoemde militaire terreinen waarvan de geometrische plaatsbepaling is vervat in het daarachter genoemde GML-bestand en is verbeeld op de daarachter genoemde kaart.

Ingevolge artikel 2.6.3, eerste lid, van het Barro wordt bij de eerstvolgende herziening van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een militair terrein voor die gronden de bestemming "Maatschappelijk - militair terrein" opgenomen en worden geen bestemmingen opgenomen die een belemmering kunnen vormen voor de functionele bruikbaarheid van dat terrein.

Het terrein Backhuys Roozeboom was reeds ten tijde van de planvaststelling krachtens artikel 2.6.2, eerste lid, van het Barro aangewezen als militair terrein als bedoeld in artikel 2.6.3 van het Barro.

30.6. De raad heeft ter zitting verklaard dat hij kan instemmen met het betoog van de minister dat een andere bestemming aan het terrein Backhuys Roozeboom moet worden toegekend. De raad heeft daarbij aangegeven dat hij het plan in zoverre wil herzien en dat hij daarbij de bestemming "Maatschappelijk - militair terrein" aan dit terrein wil toekennen.

Verder heeft de raad in het verweerschrift erkend dat aan een deel van het terrein Backhuys Roozeboom ten onrechte de functieaanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - tentenkamp" is toegekend met de maatvoeringsaanduiding "1.491" als maximaal toegestaan bebouwd oppervlak in m2. Deze aanduidingen moeten volgens de raad worden geschrapt, omdat deze niet van toepassing zijn op het terrein Backhuys Roozeboom.

30.7. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden van na het bestreden besluit hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van de minister slaagt.

30.8. Over het betoog van de BMF en de Natuurwerkgroep dat het plan te ruime bebouwingsmogelijkheden biedt voor het terrein Backhuys Roozeboom, overweegt de Afdeling het volgende.

30.9. Blijkens de zienswijzennota en het verhandelde ter zitting heeft de raad bij de planvaststelling, wat betreft het terrein Backhuys Roozeboom, aangesloten bij het voorheen geldende bestemmingsplan. Daarbij heeft de raad de keuze gemaakt om in artikel 17 van de planregels dezelfde regels op te nemen ten aanzien van de bouw van nieuwe gebouwen op dit terrein.

In hetgeen de BMF en de Natuurwerkgroep hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bouw van nieuwe gebouwen op het terrein - gezien het bepaalde in artikel 32 van de planregels - niet rechtstreeks is toegestaan, maar dat ter zake een afwijkingsbevoegdheid in het plan is opgenomen, waarbij regels zijn gesteld ter bescherming van de ecologische hoofdstructuur.

Voor zover de BMF en de Natuurwerkgroep ter zitting hebben gewezen op de uitspraak van 11 april 2012 in zaak nr. 201003878/1/R3, overweegt de Afdeling dat die zaak betrekking heeft op een bestemmingsplan met andere planregels, dat is vastgesteld voor de inwerkingtreding van artikel 2.6.3 van het Barro en voor de inwerkingtreding van de Verordening ruimte 2011. Gelet hierop heeft die uitspraak voor dit geschil geen betekenis.

Het betoog van de BMF en de Natuurwerkgroep faalt.

Terrein Tentenkamp

31. De minister kan zich niet verenigen met het plan, voor zover dat betrekking heeft op het militaire terrein Tentenkamp, gelegen ten noorden van De Oliepot. De minister betoogt, onder verwijzing naar het Barro, dat de raad de bestemming "Maatschappelijk - militair terrein" aan dit terrein had moeten toekennen.

Verder voert de minister aan dat op de verbeelding ten onrechte niet de maatvoeringsaanduiding "1.491" als maximaal toegestaan bebouwd oppervlak in m2 is opgenomen.

31.1. Aan het terrein Tentenkamp is in het plan de bestemming "Maatschappelijk - Defensie" toegekend, met de functieaanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - tentenkamp".

Op de verbeelding is geen maatvoeringsaanduiding opgenomen voor het maximaal toegestaan bebouwd oppervlak in m2.

31.2. De raad heeft ter zitting verklaard dat hij kan instemmen met het betoog van de minister dat een andere bestemming aan het terrein Tentenkamp moet worden toegekend. De raad heeft daarbij aangegeven dat hij het plan in zoverre wil herzien en dat hij daarbij de bestemming "Maatschappelijk - militair terrein" aan dit terrein wil toekennen.

Verder heeft de raad in het verweerschrift erkend dat op de verbeelding ter plaatse van het terrein Tentenkamp ten onrechte niet de maatvoeringsaanduiding "1.491" als maximaal toegestaan bebouwd oppervlak in m2 is opgenomen.

31.3. Nu de raad zich op dit punt op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden van na het bestreden besluit hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van de minister slaagt.

Terrein aan de Zundertseweg 45

32. De minister kan zich niet verenigen met het plan, voor zover dat betrekking heeft op het militaire terrein aan de Zundertseweg 45. Op dit terrein ligt een munitiedepot. De minister betoogt, onder verwijzing naar het Barro, dat de raad het gehele terrein Zundertseweg 45 als munitiedepot had moeten aanmerken en dat hij aan het gehele terrein de bestemming "Maatschappelijk - militair munitiedepot" had moeten toekennen.

Verder voert de minister aan dat de raad de veiligheidszones rond het munitiedepot ten onrechte heeft getrokken over het militaire terrein. Volgens de minister leidt dit tot een beperking van de gebruiks- en bouwmogelijkheden op het terrein en is uitbreiding van het munitiedepot hierdoor ten onrechte niet mogelijk. Hij betoogt dat de veiligheidszones moeten worden getrokken vanaf de perceelsgrens van het militaire terrein.

32.1. Aan het terrein Zundertseweg 45 is in het plan de bestemming "Maatschappelijk - Defensie" toegekend.

Aan een beperkt deel van de gronden, die zijn gelegen midden op het terrein Zundertseweg 45, is de functieaanduiding "munitiedepot" toegekend. Aan de gronden met deze functieaanduiding en aan de gronden in een cirkel direct daaromheen is in het plan de gebiedsaanduiding "veiligheidszone - munitie - a" toegekend. Aan de gronden, gelegen in twee cirkels rond die gebiedsaanduiding, zijn de aanduidingen "veiligheidszone - munitie - b" en "veiligheidszone - munitie - c" toegekend.

Nagenoeg het hele militaire terrein Zundertseweg 45 ligt binnen die drie veiligheidszones.

32.2. Ingevolge artikel 2.6.2, elfde lid, van het Barro worden als munitieopslagplaats aangewezen de in de ministeriële regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming met de Minister van Defensie genoemde munitieopslagplaatsen waarvan de geometrische plaatsbepaling is vervat in het daarachter genoemde GML-bestand en is verbeeld op de daarachter genoemde kaart.

Ingevolge artikel 2.6.5, eerste lid, van het Barro wordt bij de eerstvolgende herziening van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een munitieopslagplaats voor die gronden de bestemming "Maatschappelijk - militair munitiedepot" opgenomen en worden geen bestemmingen opgenomen die een belemmering kunnen vormen voor de functionele bruikbaarheid van de munitieopslagplaats.

In het tweede lid is bepaald dat bij ministeriële regeling voor elke munitieopslagplaats drie veiligheidszones worden aangewezen, aan te duiden als A-zone, B-zone en C-zone, waarbij de A-zone de kleinste afstand tot de munitieopslagplaats heeft en de C-zone de grootste afstand.

32.3. In artikel 2.1, elfde lid, van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: de Rarro) is bepaald dat als munitieopslagplaatsen, bedoeld in artikel 2.6.2, elfde lid, van het besluit, en bijbehorende veiligheidszones, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van het besluit worden aangewezen de in bijlage 12 vermelde opslagplaatsen en de in bijlage 13 vermelde veiligheidszones.

Bijlage 12, kaart 12.15, betreft een verbeelding waarop de ligging van munitieopslagplaats "MC Rucphen" is aangegeven.

In bijlage 13 is voor de ligging van de veiligheidszones rond "MC Rucphen" eveneens verwezen naar kaart 12.15 in bijlage 12.

32.4. De Afdeling stelt vast dat het gehele terrein Zundertseweg 45 op kaart 12.15 is aangewezen als munitieopslagplaats. Deze kaart was ten tijde van de planvaststelling reeds van kracht, zodat de raad deze kaart bij het nemen van het bestreden besluit in acht diende te nemen.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad aan het gehele terrein Zundertseweg 45 de bestemming "Maatschappelijk - militair munitiedepot" had moeten toekennen. Het standpunt van de raad dat deze bestemming uitsluitend mag worden toegekend aan het deel van het terrein waarop het munitiedepot, op grond van een daarvoor verleende vergunning, is gevestigd of mag worden gevestigd, is onjuist.

Het betoog van de minister slaagt.

32.5. De Afdeling overweegt verder dat op kaart 12.15 in bijlage 12 bij de Rarro ook de veiligheidszones rond de munitieopslagplaats "MC Rucphen" zijn aangewezen. De Afdeling stelt vast dat deze veiligheidszones overeenkomen met de drie veiligheidszones die zijn vastgelegd op de verbeelding bij het bestemmingsplan.

In hetgeen de minister heeft aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat het bestemmingsplan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 2.6.5, tweede lid, van het Barro.

32.6. De raad heeft ter zitting verklaard dat de regels die gelden voor de veiligheidszones rond de munitieopslagplaats geen belemmering mogen vormen voor de functionele bruikbaarheid van het terrein Zundertseweg 45. Volgens de raad is dit in de planregels ten onrechte niet gewaarborgd. De raad heeft daarbij aangegeven dat hij het plan in zoverre wil herzien.

Nu de raad zich op dit punt op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden van na het bestreden besluit hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog van de minister slaagt.

Conclusie beroep minister

33. In hetgeen de minister heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Maatschappelijk - Defensie" ter plaatse van de terreinen Backhuys Roozeboom en Tentenkamp, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

In hetgeen de minister heeft aangevoerd ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk - Defensie" ter plaatse van het terrein Zundertseweg 45, is genomen in strijd met artikel 2.6.5, eerste lid, van het Barro en met artikel 3:2 van de Awb.

33.1. Het beroep van de minister is gegrond en het bestreden besluit dient op bovengenoemde onderdelen te worden vernietigd.

33.2. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de vernietigde plandelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

33.3. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien van dit beroep niet gebleken.

Het beroep van de BMF en de Natuurwerkgroep ten aanzien van het perceel De Oliepot 9 en het beroep van [appellant sub 7] (recreatiepark De Zilverden)

De BMF en de Natuurwerkgroep

34. De BMF en de Natuurwerkgroep kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" ter plaatse van het zuidwestelijke deel van recreatiepark De Zilverden aan De Oliepot 9 te Rucphen. Zij voeren aan dat de aldaar reeds gerealiseerde uitbreiding van het recreatiepark ten onrechte als zodanig is bestemd, omdat niet tevens in het plan is voorzien in de daarvoor vereiste natuurcompensatie. Zij betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met de artikelen 2.1, 2.2, 4.2, en 6.3 van de Verordening 2011.

34.1. De raad heeft naar voren gebracht dat nog concrete afspraken moeten worden gemaakt over de natuurcompensatie en dat in het vastgestelde plan abusievelijk is voorzien in een bestemming als zodanig van de uitbreiding van het recreatiepark zonder dat tevens is voorzien in de daarvoor vereiste natuurcompensatie. Gelet hierop slaagt het betoog.

[appellant sub 7]

35. [appellant sub 7], exploitant van recreatiepark De Zilverden, kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" die is toegekend aan de gronden ten westen van de gronden met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aan De Oliepot 9. Hij betoogt dat de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie", met bouwmogelijkheden, moet worden toegekend, omdat deze gronden reeds lange tijd bij recreatiepark De Zilverden in gebruik zijn. Subsidiair voert [appellant sub 7] aan dat een wijzigingsbevoegdheid moet worden opgenomen om de agrarische bestemming te kunnen wijzigen in een verblijfsrecreatieve bestemming.

35.1. In het vorige plan was een agrarische bestemming aan de desbetreffende gronden toegekend. Het door [appellant sub 7] gestelde recreatieve gebruik van de gronden was in strijd met die bestemming. [appellant sub 7] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan een concreet bouwplan bestond voor de door hem gewenste verdere uitbreiding van het recreatiepark op de desbetreffende gronden, noch anderszins aannemelijk gemaakt dat het voornemen zodanig concreet was dat dit zonder meer in het voorliggende plan kon worden opgenomen. In hetgeen [appellant sub 7] aanvoert, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" aan de desbetreffende gronden heeft kunnen toekennen, zonder te voorzien in de door [appellant sub 7] gewenste wijzigingsbevoegdheid. Het betoog faalt.

36. [appellant sub 7] richt zich voorts tegen de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" van recreatiepark De Zilverden. Hij vreest dat de chalets op het recreatiepark als stacaravan als bedoeld in artikel 1, onder 128, van de planregels zullen worden aangemerkt, omdat zij zijn voorzien van een chassis, een onderstel en wielen. Voor stacaravans gelden andere maatvoeringseisen, waaraan de chalets niet voldoen, aldus [appellant sub 7]. Verder voert [appellant sub 7] aan dat de oppervlakte en de bouwhoogte van een aantal chalets op het recreatiepark de in het plan toegestane maatvoering overschrijden, zodat deze maatvoering moet worden aangepast.

36.1. Ter plaatse van de gronden aan de Oliepot 7 en 9, waar camping De Oliepot en recreatiepark De Zilverden zijn gevestigd, is een plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" met de aanduidingen "specifieke vorm van recreatie - recreatiepark", "kampeerterrein" en "bedrijfswoning" toegekend.

Ingevolge artikel 1, onder 128, van de planregels wordt verstaan onder stacaravan: een onderkomen, onder welke benaming ook aangeduid, dat uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot recreatief woon-, dag- of nachtverblijf van één of meer personen en dat door aanwezigheid van een chassis, assenstelsel en wielen wel over korte afstand naar een vaste standplaats kan worden verreden, doch dat niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen als aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen.

Ingevolge artikel 1, onder 139, wordt verstaan onder vakantiebungalow/chalet: een gebouw, geen woonkeet, geen caravan, geen stacaravan of ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd als onderkomen, onder welke benaming ook aangeduid, dat uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot recreatief woon-, dag-, of nachtverblijf van één of meer personen.

Ingevolge artikel 20, lid 20.1.1, aanhef en onder a, c en g, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor verblijfsrecreatieve voorzieningen, en ter plaatse van de aanduidingen "kampeerterrein" en "specifieke vorm van recreatie - recreatiepark" voor onderscheidenlijk een camping en een recreatiepark.

Ingevolge lid 20.2.1, aanhef en onder d, onder c, gelden voor een chalet ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - recreatiepark" de volgende regels:

1. de oppervlakte bedraagt maximaal 75 m²;

2. de goothoogte bedraagt maximaal 3,5 meter;

3. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4,5 meter.

36.2. In het deskundigenbericht staat dat de chalets op het recreatiepark voornamelijk uit twee delen bestaan die op de standplaats aan elkaar zijn gemonteerd. De chalets staan op een chassis met wielen, maar kunnen niet (meer) als geheel worden verreden, zelfs niet over een korte afstand naar een (andere) standplaats, aldus het deskundigenbericht. Desgevraagd heeft [appellant sub 7] bevestigd dat de chalets alleen te verplaatsen zijn als zij worden gedemonteerd.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de chalets, ondanks de aanwezigheid van een chassis, assenstelsel en wielen, niet kunnen worden aangemerkt als een stacaravan als bedoeld in artikel 1, onder 128, van de planregels, nu de chalets niet als geheel kunnen worden verplaatst. De raad heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de chalets moeten worden aangemerkt als chalets als bedoeld in artikel 1, onder 139, van de planregels. Het betoog faalt.

36.3. In de beleidsnota "Kamperen", die door de raad is vastgesteld op 27 maart 2008, zijn de toegestane maximale oppervlakte, goot- en bouwhoogte voor vakantiebungalows vastgesteld op onderscheidenlijk 75 m², 3,5 m en 4,5 m. De raad heeft in navolging van zijn beleid deze maatvoering als maximaal toegestane maatvoering in het plan opgenomen voor de chalets. [appellant sub 7] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de raad in afwijking van zijn beleid had moeten voorzien in een ruimere maatvoering voor de chalets op zijn terrein. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de chalets zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning zijn geplaatst. Ook wordt in aanmerking genomen dat in de ten tijde van het plaatsen van de chalets geldende plannen "Buitengebied 1998" en "Rucphense bossen" geen ruimere maatvoering voor de chalets was toegestaan dan de maatvoering die in het voorliggende plan is opgenomen, dan wel dat in het geheel geen gebouwen waren toegestaan. Het betoog faalt.

Overigens heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat zal worden gezocht naar een passende oplossing voor de chalets met een afwijkende maatvoering.

36.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 7] ongegrond.

36.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding.

Het beroep van de BMF en de Natuurwerkgroep ten aanzien van het perceel Heimolendreef 12A en de beroepen van [appellant sub 17] en [appellante sub 20] (outdoorcentrum Steketee Paintball & Survival B.V.)

37. [appellant sub 17] en [appellante sub 20] hebben ter zitting de beroepsgrond dat de bouwregels in de artikelen 19 en 32 van de planregels onderling tegenstrijdig zijn, ingetrokken.

38. De BMF en de Natuurwerkgroep en [appellant sub 17] en [appellante sub 20] kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" ter plaatse van het terrein aan de Heimolendreef 12a te Rucphen, waar outdoorcentrum Steketee Paintball & Survival B.V. is gevestigd.

De BMF en de Natuurwerkgroep en [appellant sub 17] en [appellante sub 20] betogen dat het plan in strijd is met artikel 4.2 van de Verordening 2011. [appellant sub 17] en [appellante sub 20] voeren hiertoe aan dat het plan in strijd met dit artikel voorziet in intensivering van een recreatieve functie, verstening van het gebied en een toename van het aantal verkeersbewegingen. De BMF en de Natuurwerkgroep voeren aan dat het plan in strijd met het eerste lid van dit artikel voorziet in nieuwvestiging van een recreatieve functie in de EHS. Volgens hen was het outdoorcentrum in het vorige plan niet als zodanig bestemd. Daarnaast voeren de BMF en de Natuurwerkgroep aan dat het plan in strijd met het vierde lid van dit artikel voorziet in de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" voor het deel van het terrein dat buiten de EHS ligt. In dit verband voeren zij aan dat het intensieve recreatieve gebruik en de verkeersbewegingen vanwege het outdoorcentrum leiden tot aantasting van de natuurwaarden van de EHS. Ten onrechte is hiernaar geen onderzoek gedaan, noch worden de negatieve effecten beperkt en gecompenseerd, aldus de BMF en de Natuurwerkgroep.

[appellant sub 17] en [appellante sub 20] betogen dat in strijd met artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening 2011 een verantwoording als omschreven in dat artikel ontbreekt bij het bestemmingsplan.

38.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening 2011 draagt een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. De toelichting bij dat plan bevat daaromtrent een verantwoording.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, bevat de toelichting bij een bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, een verantwoording van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft of van het gebied waarvan de gemeente de voorgenomen ontwikkeling in de hoofdlijnen heeft beschreven.

In artikel 4.2, eerste lid, is bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de ecologische hoofdstructuur:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;

b. regels stelt ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en daarbij rekening houdt met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken.

Ingevolge het tweede lid neemt een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid de geldende niet-natuurbestemming en de met het oog daarop gegeven regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daarop bevindende bouwwerken in acht.

Ingevolge het vierde lid strekt een bestemmingsplan dat is gelegen buiten de ecologische hoofdstructuur en dat leidt tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur, ertoe dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd waarbij wordt voldaan aan de regels inzake het compenseren van verlies van ecologische waarden en kenmerken, bedoeld in artikel 4.11.

38.2. Ter plaatse van het terrein aan de Heimolendreef 12a zijn de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" en de aanduidingen "specifieke vorm van recreatie - outdoor" en "bedrijfswoning" toegekend. Aan het zuidoostelijke deel van het terrein is tevens de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur" toegekend. Het noordwestelijke deel van het terrein, zonder deze dubbelbestemming, is voorzien van een bouwvlak en de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak 1.000 m²".

Ingevolge artikel 19, lid 19.1.1, aanhef en onder c, zijn de voor "Recreatie - Dagrecreatie" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - outdoor" bestemd voor outdooractiviteiten.

Ingevolge artikel 32, lid 32.1.1, zijn de voor "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

a. het behoud, beheer, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden (Ecologische Hoofdstructuur); alsmede voor:

b. extensief recreatief medegebruik;

(…).

38.3. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" was aan het zuidoostelijke deel van het terrein de bestemming "Multifunctioneel Bos" toegekend, grotendeels met de medebestemming "Recreatieve doeleinden" met de aanduidingen "R8e sportvelden" en "goothoogte 0 meter, nokhoogte 0 meter en bebouwingsoppervlak 0 m²". Het noordwestelijke deel van het terrein had de bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarde".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, zijn de gronden op plankaart 1 aangewezen voor "Multifunctioneel bos" bestemd voor:

a. instandhouding van het bos met daarop afgestemde bosbouw;

b. instandhouding van de aanwezige natuurwaarden;

c. extensief recreatief medegebruik;

d. militair medegebruik.

Ingevolge het vierde lid mag op de gronden niet worden gebouwd.

Ingevolge artikel 7 zijn de gronden op plankaart 1 aangewezen voor "Agrarisch gebied met natuurwaarde" bestemd voor de volgende doeleinden:

a. een duurzame agrarische bedrijfsvoering;

b. instandhouding van natuurlijke, landschappelijke en abiotische waarden in combinatie met agrarische bedrijfsvoering;

c. extensief recreatief medegebruik;

d. militair gebruik.

Ingevolge het derde lid mag op de gronden niet worden gebouwd.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, zijn de gronden die op plankaart 1 zijn aangewezen voor "Recreatieve doeleinden" overeenkomstig de aanduidingen op de kaart mede bestemd voor:

R8 (a/b/c/d/e): sportvelden.

38.4. In het deskundigenbericht staat dat het zuidelijke deel van het terrein met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" in de loop van de jaren negentig in gebruik is genomen voor outdooractiviteiten. De eigenaar van het outdoorcentrum wil zijn bedrijfsactiviteiten moderniseren en uitbreiden op het noordelijke deel van dit terrein.

38.5. Het zuidoostelijke deel van het terrein, waar momenteel het outdoorcentrum is gevestigd, is op de bij de Verordening 2011 behorende kaart Natuur en landschap aangewezen als EHS. Aan een groot deel van het terrein waren in het voorheen geldende plan de medebestemming "Recreatieve doeleinden" en de aanduiding "R8e sportvelden" toegekend. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2002, in zaak nr. 199901202/1, volgt dat het gebruik van dat deel van het terrein voor survival-, paintball- en spelactiviteiten hiermee als zodanig was bestemd. De raad heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik van het zuidoostelijke deel van het terrein voor outdooractiviteiten reeds in het vorige plan was toegestaan. Nu het vorige plan reeds voorzag in dit gebruik, is geen sprake van nieuwvestiging van het outdoorcentrum op dit deel van het terrein en heeft de raad de vorige bestemming van het terrein voor outdooractiviteiten overeenkomstig artikel 4.2, tweede lid, van de Verordening 2011 in het voorliggende plan in acht genomen. Dat het gebruik van het terrein voor survival-, paintball- en spelactiviteiten sinds de vaststelling van het vorige plan dusdanig is geïntensiveerd dat het niet langer passend is binnen de vorige bestemming, zoals de BMF en de Natuurgroep ter zitting hebben betoogd, is niet aannemelijk gemaakt. In hetgeen de BMF en de Natuurwerkgroep aanvoeren, ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met artikel 4.2, eerste lid, van de Verordening 2011. De betogen falen.

38.6. Ten aanzien van het betoog dat de voorziene uitbreiding van het outdoorcentrum op het noordwestelijke deel van het terrein leidt tot aantasting van de EHS, wordt als volgt overwogen. Ten behoeve van de uitbreiding van het outdoorcentrum is het rapport "Ruimtelijke onderbouwing. Uitbreiding en herinrichting van Steketee Paintball & Survival B.V. Heimolendreef 12a te Rucphen", gedateerd op 1 juni 2011, opgesteld. In dit rapport staat dat de aanwezigheid van kwetsbare soorten niet is te verwachten op het deel van het terrein dat in de EHS ligt vanwege het huidige gebruik ervan en de verstoring die daarvan uitgaat. De raad heeft, onder verwijzing naar dit rapport, naar voren gebracht dat het deel van het terrein dat als EHS is aangewezen reeds in het vorige plan voor outdooractiviteiten was bestemd en als zodanig in gebruik was en zich op het standpunt gesteld dat de natuurwaarden op dat deel van het terrein niet verder zullen worden aangetast door het toestaan van outdooractiviteiten en bebouwing op het noordwestelijke deel van het terrein.

Gelet op voormeld rapport en de omstandigheid dat het deel van het terrein dat in de EHS ligt reeds in het voorgaande plan voor outdooractiviteiten was bestemd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat op dit punt onvoldoende onderzoek is verricht. De Afdeling ziet voorts in hetgeen de BMF en de Natuurwerkgroep en [appellant sub 17] en [appellante sub 20] hebben aangevoerd onvoldoende grond voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de raad dat de voorziene uitbreiding op het noordwestelijke deel van het terrein niet zal leiden tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de omliggende gronden die als EHS zijn aangewezen. Voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met artikel 4.2, vierde lid, van de Verordening 2011 bestaat derhalve geen aanleiding. De betogen falen.

38.7. Met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" met bijbehorende bouwmogelijkheden ter plaatse van het noordwestelijke deel van het terrein, voorziet het plan in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Verordening 2011. De verantwoording die ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening 2011 in de toelichting van een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet zijn opgenomen, is volgens de raad neergelegd in de anterieure overeenkomst die is gesloten tussen de eigenaar van het terrein en het gemeentebestuur, de rapportage van de Adviescommissie Toerisme en Recreatie met betrekking tot de uitbreiding van het outdoorcentrum Steketee Paintball Survival B.V. van 19 april 2010 en het rapport "Ruimtelijke onderbouwing. Uitbreiding en herinrichting van Steketee Paintball & Survival B.V. Heimolendreef 12a te Rucphen". Dit standpunt is door [appellant sub 17] en [appellante sub 20] niet bestreden.

De Afdeling stelt vast dat deze stukken niet in de plantoelichting staan, noch behoren tot de bijlagen die deel uitmaken van de plantoelichting. Derhalve is niet voldaan aan artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening 2011. De stukken zijn echter toegevoegd aan het verweerschrift van de raad, zodat de vereiste verantwoording daarmee is gegeven. Gelet hierop en nu niet aannemelijk is dat belanghebbenden hierdoor worden benadeeld, is de Afdeling van oordeel dat het gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

39. [appellant sub 17] en [appellante sub 20] vrezen voor geluidsoverlast vanwege de voorziene uitbreiding van het outdoorcentrum en de toename van verkeersbewegingen. Hierbij is volgens hen van belang dat onduidelijk is waar een nieuwe parkeerplaats zal worden aangelegd en welke effecten de nieuwe locatie op de aard en intensiteit van de verkeersbewegingen zal hebben. Ten onrechte is geen onderzoek gedaan naar deze aspecten, aldus [appellant sub 17] en [appellante sub 20]. Zij betogen dat ook onderzoek had moeten worden verricht naar het schietlawaai.

39.1. Ten behoeve van het plan is akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting vanwege de outdooractiviteiten, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "akoestisch onderzoek "reguliere activiteiten" Steketee Paintball & Survival Heimolendreef 12a te Rucphen" van 18 april 2011 van Wematech Milieu Adviseurs B.V. (hierna: het akoestisch rapport). In het akoestisch onderzoek is de geluidbelasting vanwege diverse outdooractiviteiten, waaronder het paintballen, vanwege stemgeluid van bezoekers en vanwege het verkeer van en naar de inrichting onderzocht, waarbij rekening is gehouden met de aanleg van een nieuwe parkeerplaats. Het betoog van [appellant sub 17] en [appellante sub 20] dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek is verricht naar deze aspecten, mist derhalve feitelijke grondslag.

39.1.1. In het akoestisch rapport is uitgegaan van de aanleg van een parkeerplaats op het noordelijke deel van het terrein, grenzend aan de Gastelseweg. Dat een parkeerplaats wordt aangelegd op het zuidelijke deel van het terrein, op kortere afstand van de woningen van [appellant sub 17] en [appellante sub 20], acht de Afdeling niet aannemelijk, gezien de aanwezige bebossing op dat deel van het terrein en de daarop rustende dubbelbestemming "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur" die voorziet in bescherming van de bebossing.

Het standpunt van [appellante sub 20], onder verwijzing naar het deskundigenbericht, dat in het akoestisch rapport ten onrechte ervan is uitgegaan dat haar woning op een afstand van 50 m in plaats van 35 m van het outdoorterrein staat, faalt. De desbetreffende passage in het deskundigenbericht heeft betrekking op een ander rapport. In het akoestisch rapport is de geluidbelasting vanwege het outdoorterrein gemeten ter plaatse van de woning van [appellante sub 20]. In hetgeen [appellant sub 17] en [appellante sub 20] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat in het akoestisch rapport in zoverre is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten.

39.1.2. Uit het akoestisch rapport volgt dat in de representatieve bedrijfssituatie ter plaatse van de woningen van [appellant sub 17] en [appellante sub 20] wordt voldaan aan de maximale geluidgrenswaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 40 dB(A) die in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening is genoemd voor een landelijke omgeving en aan de maximale geluidgrenswaarde van 70 dB(A) die in voormelde Handreiking is genoemd voor piekniveaus. De beoordeling van de geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar het outdoorcentrum is in het akoestisch rapport gebaseerd op de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996. De conclusie van het akoestisch rapport is dat de geluidbelasting de in de circulaire genoemde voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschrijdt. In hetgeen [appellant sub 17] en [appellante sub 20] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet heeft kunnen uitgaan van deze berekeningen.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene uitbreiding van het outdoorcentrum niet zal leiden tot een onaanvaardbare geluidbelasting ter plaatse van de woningen van [appellant sub 17] en [appellante sub 20]. Het betoog faalt.

40. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 17] en [appellante sub 20] ongegrond.

41. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 17] en [appellante sub 20] geen aanleiding.

Het beroep van de BMF en de Natuurwerkgroep voor het overige

Omvang van het geding

42. De BMF en de Natuurwerkgroep hebben de volgende beroepsgronden ingetrokken:

- de natuurwaarden ter plaatse van de Lokkerstraat en de Turfstraat, ter plaatse van beekdal Blikloop en ter plaatse van de eigendommen van Vereniging Natuurmonumenten, ten zuiden van Sprundel, worden onvoldoende beschermd;

- ten onrechte is de aanduiding "intensieve veehouderij" niet toegekend aan de percelen Bredasebaan 18, Omgangstraat 12 en Bernhardstraat 40;

- diverse zandpaden, met uitzondering van de Zurendonkseweg en het zuidelijke deel van de Kronenstraat, en de landschapselementen langs het Moervenstraatje worden onvoldoende beschermd;

- de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" en/of "Agrarisch met waarden - Natuur" met de aanduiding "teeltondersteunende kassen toegestaan" liggen in strijd met artikel 8.3, vierde lid, van de Verordening 2011 niet binnen het gebied dat in de Verordening 2011 is aangewezen als "gebied teeltondersteunende kassen toegestaan".

Natura 2000-gebieden

43. De BMF en de Natuurwerkgroep voeren aan dat het plan negatieve effecten kan hebben op de Natura 2000-gebieden Brabantse Wal, Ulvenhoutse Bos, Kalmthoutse Heide en De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld die in de nabijheid van het plangebied liggen. Zij wijzen in dit verband op de wijzigingsbevoegdheid voor vormverandering onderscheidenlijk vergroting van een agrarisch bouwvlak, opgenomen in artikel 3, lid 3.6.2, artikel 4, lid 4.6.2 en artikel 5, lid 5.6.2, van de planregels, onderscheidenlijk in artikel 3, lid 3.6.3 en lid 3.6.4, artikel 4, lid 4.6.3 en lid 4.6.4, en artikel 5, lid 5.6.3 en lid 5.6.4, van de planregels. Ook wijzen zij op de wijzigingsbevoegdheid voor de hervestiging en omschakeling van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij, opgenomen in artikel 5, lid 5.6.5, van de planregels, en voor omschakeling naar een productiegerichte paardenhouderij, opgenomen in artikel 3, lid 3.6.8, artikel 4, lid 4.6.8, en artikel 5, lid 5.6.7, van de planregels. Daarnaast wijzen zij op de wijzigingsbevoegdheid voor het uitbreiden van teeltondersteunende voorzieningen in artikel 3, lid 3.6.1, artikel 4, lid 4.6.1, en artikel 5, lid 5.6.1, van de planregels. Verder wijzen zij op de afwijkingsbevoegdheid voor het overschrijden van de bouwgrens van een agrarisch bouwvlak, opgenomen in artikel 3, lid 3.3.1, artikel 4, lid 4.3.1, en artikel 5, lid 5.3.1, van de planregels. Onder verwijzing naar de uitspraak van 11 april 2012, in zaak nr. 201003878/1/R3, betogen de BMF en de Natuurwerkgroep dat gelet op deze mogelijkheden een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) en een milieueffectrapport (hierna: MER) als bedoeld in artikel 7.2a van de Wet milieubeheer, waarvan volgens laatstgenoemde bepaling de passende beoordeling deel uitmaakt, noodzakelijk waren.

43.1. De raad stelt dat het plan een conserverend karakter heeft en niet bij recht voorziet in activiteiten waarvoor een MER is vereist. Als onder toepassing van een wijzigingsbevoegdheid een dergelijke activiteit mogelijk wordt gemaakt, zal in de wijzigingsprocedure een MER worden opgesteld, aldus de raad. De raad stelt daarnaast dat in de wijzigingsvoorwaarden is gewaarborgd dat toepassing van de wijzigingsbevoegdheden niet mogelijk is als daardoor negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden. Ook stelt de raad dat gezien het bepaalde in de provinciale Verordening Stikstof en Natura 2000 (hierna: de stikstofverordening) is gewaarborgd dat de stikstofdepositie niet zal toenemen bij een toename van het aantal dieren.

43.2. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, aanhef en onder a, van de Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.

Ingevolge het vierde lid maakt de passende beoordeling van deze plannen deel uit van de ter zake van die plannen voorgeschreven milieueffectrapportage.

Ingevolge artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer, wordt een milieueffectrapport gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998.

43.3. In het deskundigenbericht staat dat de Natura 2000-gebieden Brabantse Wal, Ulvenhoutse Bos, Kalmthoutse Heide en De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld op een afstand van onderscheidenlijk 6,5, 11,2, 6,5 en 5,4 km van het plangebied liggen. In de Natura 2000-gebieden Brabantse Wal en Ulvenhoutse Bos komen habitattypen voor die gevoelig dan wel zeer gevoelig zijn voor verzuring. Deze gebieden kennen een overbelaste situatie met betrekking tot de stikstofdepositie.

43.4. Bij de totstandkoming van het voorliggende plan is geen onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van de in dit plan voorziene ontwikkelingen voor Natura 2000-gebieden. De raad heeft derhalve niet inzichtelijk gemaakt dat op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat de door de BMF en de Natuurwerkgroep genoemde ontwikkelingen waarin het plan voorziet de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, zodat geen passende beoordeling en evenmin een MER hoefden te worden gemaakt.

Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat de gevolgen van de toepassing van de door de BMF en de Natuurwerkgroep genoemde wijzigingsbevoegdheden voor Natura 2000-gebieden zal worden bezien in een wijzigingsprocedure, wordt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2011 in zaak nr. 200907076/1/R3, overwogen dat dit de raad niet ontslaat van de verplichting om bij de vaststelling van het plan te beoordelen of het plan in overeenstemming is met artikel 19j, eerste en tweede lid, van de Nbw. Die verplichting hangt mede samen met het uitgangspunt dat opname van een wijzigingsbevoegdheid inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel als in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht.

Het standpunt van de raad dat de Natura 2000-gebieden voldoende zijn beschermd omdat als wijzigingsvoorwaarde is opgenomen dat geen sprake mag zijn van een onevenredige aantasting van de in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem- en waterhuishoudkundige en milieuhygiënische waarden, kan niet worden gevolgd. Hiertoe wordt overwogen dat het onderzoek naar de gevolgen voor een Natura 2000-gebied ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 had moeten worden verricht bij de voorbereiding van het plan.

Voor zover de raad onder verwijzing naar de stikstofverordening betoogt dat maatregelen kunnen worden genomen om eventuele negatieve effecten op te heffen, wordt overwogen, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 7 september 2011 in zaak nr. 201003301/1/R2 en van 7 mei 2008 in zaak nr. 200604924/1, dat mitigerende maatregelen niet bij de beoordeling mogen worden betrokken of sprake kan zijn van significante gevolgen als bedoeld in artikel 19j van de Nbw 1998. Bij het beoordelen of sprake kan zijn van significante gevolgen gaat het er immers om te bezien of het plan als zodanig niet leidt tot significante gevolgen. Wanneer niet kan worden uitgesloten dat door het plan significante gevolgen zullen optreden, dient volgens artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 een passende beoordeling aanwezig te zijn, voordat beslist kan worden over de vaststelling van het plan. Bij die passende beoordeling kunnen mitigerende maatregelen in aanmerking worden genomen. Het betoog slaagt.

Recreatiewoningen

44. De BMF en de Natuurwerkgroep betogen dat het plan in strijd met artikel 4.2 van de Verordening 2011 voorziet in de aanduiding "recreatiewoning" ter plaatse van illegale recreatiewoningen die in de EHS staan.

44.1. In artikel 4.2, eerste lid, van de Verordening 2011 is bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de ecologische hoofdstructuur:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;

b. regels ter bescherming stelt van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en daarbij rekening houdt met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken.

44.2. Aan de door de BMF en de Natuurwerkgroep bedoelde recreatiewoningen zijn de bestemming "Bos", de medebestemming "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur" en de aanduiding "recreatiewoning" toegekend.

Ingevolge artikel 9, lid 9.1.1, aanhef en onder g, van de planregels zijn de voor "Bos" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning" bestemd voor één recreatiewoning met bijgebouw.

Ingevolge artikel 32, lid 32.1.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

a. het behoud, beheer, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden (Ecologische Hoofdstructuur); alsmede voor:

b. extensief recreatief medegebruik;

(…).

Ingevolge lid 32.1.2 mogen op deze gronden, met inachtneming van de op de kaart aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 32.1.1 genoemde bestemmingen worden opgericht: bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge lid 32.2.1 mag in afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemmingen (artikelen 3 tot en met 25) alleen ten behoeve van deze bestemming worden gebouwd.

Ingevolge lid 32.3 kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 32.2.1 voor het bouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, met dien verstande dat geen aantoonbare onevenredige aantasting plaatsvindt van de ecologische hoofdstructuur.

44.3. De desbetreffende recreatiewoningen zijn in de jaren ‘60 en ‘70 zonder bouwvergunning gebouwd in de Rucphense bossen. Dit gebied is op de bij de Verordening 2011 behorende kaart "Natuur en landschap" aangewezen als EHS. Niet in geschil is dat de recreatiewoningen in het voorheen geldende plan niet als zodanig waren bestemd. Met het toekennen van de aanduiding "recreatiewoning" ter plaatse van de recreatiewoningen voorziet het plan juridisch-planologisch in de nieuwvestiging van de recreatiewoningen. Het standpunt van de raad dat het als zodanig bestemmen van de recreatiewoningen geen nieuwe ontwikkeling is gezien de reeds jarenlange aanwezigheid van de recreatiewoningen, berust derhalve op een onjuist uitgangspunt. Nu het plan voorziet in nieuwvestiging, na verkrijging van een omgevingsvergunning tot afwijken als bedoeld in artikel 32, lid 32.3, van de planregels, van de door BMF en de Natuurwerkgroep bedoelde recreatiewoningen in de EHS, heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre in overeenstemming met artikel 4.2, eerste lid, van de Verordening 2011 voorziet in het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de EHS. Het betoog slaagt.

45. De BMF en de Natuurwerkgroep betogen dat het aanduidingsvlak "recreatiewoning" niet in alle gevallen overeenkomt met de exacte locatie van de bestaande recreatieobjecten. Zij voeren aan dat de EHS hierdoor kan worden aangetast, omdat in die gevallen de bestaande recreatieobjecten kunnen worden verplaatst naar het nog onbebouwde aanduidingsvlak.

45.1. De raad heeft te kennen gegeven dat dossieronderzoek is verricht naar de locaties van de recreatieobjecten en de eventueel daarbij behorende tuinen en erven en dat de aanduidingsvlakken "recreatiewoning" vervolgens zijn toegekend ter plaatse van die locaties. De BMF en de Natuurwerkgroep hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre leidt tot aantasting van de EHS. Het betoog faalt.

Camping De Posthoek

46. De BMF en de Natuurwerkgroep kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" ter plaatse van camping De Posthoek aan de Posthoorn 7a te Rucphen. Zij betogen dat het plan in strijd met artikel 4.2 van de Verordening 2011 voorziet in uitbreiding van de bebouwde oppervlakte en in intensivering van het gebruik. In dit verband voeren zij aan dat het voorheen geldende plan uitsluitend voorzag in dagrecreatie en dat een oppervlakte van maximaal 100 m² bebouwing was toegestaan.

46.1. In artikel 4.2, eerste lid, van de Verordening 2011 is bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de ecologische hoofdstructuur:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;

b. regels stelt ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en daarbij houdt rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken.

46.2. Aan de gronden ter plaatse van de Posthoorn 7a, waar camping De Posthoek is gevestigd, zijn de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie", de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie - Ecologische hoofdstructuur" en de aanduidingen "specifieke vorm van recreatie - naturistenterrein" en "maximum bebouwd oppervlak 350 m²" toegekend.

Ingevolge artikel 20, lid 20.1.1, aanhef en onder a en f, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor verblijfsrecreatieve voorzieningen en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - naturistenterrein" voor een naturistenterrein met camping.

Ingevolge lid 20.2.1, aanhef en onder a, mogen gebouwen uitsluitend binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak worden opgericht met inachtneming van de op de kaart aangegeven aanduidingen en van de op de kaart ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwde oppervlakte" in m² aangegeven maximum oppervlakte voor bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat wanneer geen oppervlakte is aangeduid het bouwvlak in zijn geheel mag worden bebouwd.

46.3. In het voorheen geldende plan "Buitengebied 1998" had het grootste gedeelte van de gronden ter plaatse van de camping de bestemming "Multifunctioneel Bos" en had een klein deel van de gronden de bestemming "Natuurgebied". De gronden hadden daarnaast de medebestemming "Recreatieve doeleinden" met de aanduidingen "R3 naturistenterrein" en "goothoogte 3 meter, nokhoogte 5 meter en bebouwingsoppervlak 100 m²".

In artikel 1, onder 54, van de planvoorschriften van dat plan wordt onder naturistenterrein verstaan een terrein ingericht voor het uitoefenen van het naturisme, inclusief naturistische dag- en verblijfsrecreatie en ontwikkeling en behoud van de natuur.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, zijn de gronden die zijn aangewezen voor "Recreatieve doeleinden" mede bestemd voor een naturistenterrein.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, zijn op de gronden in verband met de bestemming toegelaten gebouwen ten behoeve van de in lid 1 bedoelde recreatieve doeleinden, zoals nader omschreven in lid 3 en 4.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, mag het gezamenlijk oppervlak van de gebouwen, de bedrijfswoning daaronder niet begrepen, niet meer bedragen dan het op de plankaart aangeduide maximale bebouwingsoppervlak.

46.4. Uit de begripsomschrijving van naturistenterrein in de planvoorschriften van het voorheen geldende plan volgt dat op de gronden van het recreatieterrein niet uitsluitend dagrecreatie, maar ook verblijfsrecreatie was toegelaten. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

46.5. Het terrein waar camping De Posthoek is gevestigd en dat de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" heeft, heeft een oppervlakte van 7,5 ha. Het terrein is op de bij de Verordening 2011 behorende kaart "Natuur en Landschap" aangewezen als EHS. Het voorliggende plan voorziet ten opzichte van het vorige plan in een verruiming van de maximaal toegestane bebouwde oppervlakte tot 350 m². De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat per abuis in het plan geen voorwaarden of beperkingen zijn gesteld aan de situering van de bebouwing die op het recreatieterrein is toegestaan. Gelet hierop heeft de raad zijn standpunt dat het toestaan van de verruimde bouwmogelijkheden niet in strijd is met artikel 4.2 van de Verordening 2011 op een onjuist uitgangspunt gebaseerd. De Afdeling ziet daarom aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet met de te betrachten zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

Bescherming natuurwaarden

47. De BMF en de Natuurwerkgroep kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijk" die is toegekend aan het zuidelijke deel van de Zurendonksestraat te Sprundel. Zij betogen dat de bestemming "Verkeer" en de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - onverharde weg" moet worden toegekend, om te voorkomen dat het aanwezige zandpad kan worden verhard. Ook voeren zij aan dat het zuidelijke deel van de Kronenstraat te Sprundel ten onrechte niet is voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - onverharde weg".

47.1. De raad heeft erkend dat het zuidelijke, onverharde deel van de Zurendonksestraat ten onrechte niet is voorzien van de bestemming "Verkeer" en de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - onverharde weg" en dat het zuidelijke, onverharde deel van de Kronenstraat ten onrechte niet is voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - onverharde weg". Gelet hierop bestaat aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre onzorgvuldig heeft voorbereid. Het betoog slaagt.

48. De BMF en de Natuurwerkgroep betogen dat het plan niet voorziet in voldoende bescherming van de natuur- en landschapswaarden op gronden met de bestemming "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschappelijk" en "Agrarisch met waarden - Natuur". Hiertoe voeren zij aan dat de bij deze bestemmingen behorende planregels niet voorzien in een plicht tot het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden, ter bescherming van die waarden. Verder betogen zij dat de algemene gebiedsaanduidingen die in het plan zijn opgenomen geen betrekking hebben op de bescherming van natuur- en landschapswaarden. Ook voeren zij aan dat een aantal landschapselementen op gronden met voormelde bestemmingen ten onrechte niet is voorzien van de bestemming "Groen - Landschapselement".

48.1. De gronden met de bestemming "Agrarisch" zijn, ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels, bestemd voor agrarische bedrijven en hun bedrijfsvoering. Uit pagina 48 van bijlage 1 van de plantoelichting volgt dat aan gronden die agrarisch worden gebruikt en waar landschaps- en natuurwaarden aanwezig zijn, niet de bestemming "Agrarisch", maar de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschappelijk" en "Agrarisch met waarden - Natuur" zijn toegekend. De BMF en de Natuurwerkgroep hebben niet aannemelijk gemaakt dat op de gronden in het plangebied met de bestemming "Agrarisch" beschermingswaardige natuurwaarden aanwezig zijn. Voor het oordeel dat de raad voor de gronden met de bestemming "Agrarisch" niet heeft voorzien in voldoende bescherming van landschaps- en natuurwaarden, bestaat daarom geen aanleiding. Het betoog faalt.

48.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, aanhef en onder a en b, en artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder a en b, van de planregels, voor zover van belang, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschappelijk" onderscheidenlijk "Agrarisch met waarden - Natuur" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch grondgebruik en de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Ter bescherming van de natuur- en landschapswaarden op deze gronden is in de bestemmingsomschrijving van de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijk" en "Agrarisch met waarden - Natuur" bepaald dat gronden met deze bestemmingen ook zijn bestemd voor het behoud, herstel of de ontwikkeling van de abiotische, landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden en kenmerken, onderscheidenlijk het behoud, herstel of de ontwikkeling van de landschappelijke, ecologische, cultuurhistorische en natuurlijke waarden en kenmerken. Verder is in het plan voorzien in gebiedsaanduidingen met daarbij behorende aanlegvergunningstelsels voor de gronden met deze bestemmingen ter bescherming van specifieke natuur- en landschapswaarden, zoals de gebiedsaanduidingen "openheid", "beslotenheid", "cultuurhistorisch vlak", "attentiegebied ehs" en "groenblauwe mantel". Aan de landschapselementen die in het voorheen geldende bestemmingsplan waren opgenomen en de door de gemeente geïnventariseerde landschapselementen is de bestemming "Groen - Landschapselement" toegekend, zo staat op pagina 48 van bijlage 1 van de plantoelichting. Ook was de onderverdeling van het plangebied in gronden met een bestemming als agrarisch, agrarisch met natuurwaarden of agrarisch met landschappelijke waarden reeds in het voorheen geldende plan "Buitengebied 1998" opgenomen.

Het voorgaande in aanmerking nemend, ziet de Afdeling in hetgeen de BMF en de Natuurwerkgroep hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voldoende bescherming biedt aan natuur- en landschapswaarden op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" of "Agrarisch met waarden - Natuur". Het betoog faalt.

49. De BMF en de Natuurwerkgroep voeren aan dat de bermen langs de oostkant van het Bakkersmeer en aan weerszijden van de Pauwenstraat en de Kronenstraat onvoldoende zijn beschermd in het plan. Hiertoe voeren zij aan dat de bermen, met name de oostelijke berm langs het Bakkersmeer, zich onderscheiden van het landschap vanwege hun natuurwaarden. In dit verband stellen zij dat een aantal dier- en plantensoorten die op de zogenoemde Rode lijst staan zijn waargenomen in de bermen. De BMF en de Natuurwerkgroep voeren verder aan dat de bermen een verbinding vormen tussen verspreid liggende bosjes en groenelementen en het natuurgebied Lange Maten. Ook stellen zij dat het gemeentebestuur bij brief van 9 augustus 2011 heeft toegezegd dat aan de bermen langs het Bakkersmeer de bestemming "Natuur" wordt toegekend.

49.1. Aan de desbetreffende bermen is in het plan de bestemming "Verkeer" toegekend. Ingevolge artikel 22, lid 22.1.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn gronden met deze bestemming onder andere bestemd voor groenvoorzieningen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de BMF en de Natuurwerkgroep niet aannemelijk gemaakt dat de bermen zodanige natuur- en/of landschapswaarden bevatten dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Verkeer", waarin is voorzien in groenvoorzieningen, aan de bermen heeft kunnen toekennen. Hierbij is van belang dat de niet nader onderbouwde stelling van de BMF en de Natuurwerkgroep dat zij in de bermen dier- en plantensoorten hebben aangetroffen die op de zogenoemde Rode lijst staan, onvoldoende is om aan te nemen dat zich in de bermen te beschermen planten- en diersoorten bevinden.

Bij brief van 3 augustus 2011, verzonden op 9 augustus 2011, is de beantwoording door het college van burgemeester en wethouders van de inspraakreactie op het voorontwerp van het plan aan de Natuurwerkgroep toegezonden. Nog daargelaten dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan bij de raad en niet bij het college van burgemeester en wethouders berust, wordt overwogen dat aan een voorontwerp niet het vertrouwen kan worden ontleend dat het plan overeenkomstig het voorontwerp of de beantwoording van de inspraakreactie daarop zal worden vastgesteld. Het betoog faalt.

50. De BMF en de Natuurwerkgroep voeren aan dat aan het Hippelpad, voor zover daaraan de bestemming "Agrarisch" is toegekend, en aan Ut Stuivestrotje ten onrechte niet de bestemming "Natuur" of "Groen-Landschapselement" is toegekend. Hiertoe voeren zij aan dat deze wegen vanuit landschappelijk en ecologisch oogpunt zeer waardevol zijn.

De BMF en de Natuurwerkgroep voeren verder aan dat aan een landschapselement ten westen van het natuurgebied de Lange Maten ten onrechte niet de bestemming "Natuur" is toegekend. De in het plan toegekende bestemming "Groen - Landschapselement" voorziet volgens hen niet in voldoende bescherming van de natuurwaarden van het landschapselement.

50.1. Het Hippelpad en Ut Stuivestrotje hebben de bestemming "Agrarisch", zonder aanduiding "bouwvlak". Gronden met deze bestemming zijn ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels onder meer bestemd voor extensief recreatief gebruik en infrastructurele voorzieningen. De paden zijn in gebruik als voetpad. De BMF en de Natuurwerkgroep hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze paden dusdanige natuur- en landschapswaarden hebben dat moet worden geoordeeld dat de raad de bestemming "Agrarisch" niet passend heeft kunnen achten. Het betoog faalt.

50.2. Gronden met de bestemming "Groen - Landschapselement" zijn bestemd voor de instandhouding van natuurlijke en/of cultuurhistorisch en/of landschappelijk waardevolle landschapselementen. De BMF en de Natuurwerkgroep hebben niet aannemelijk gemaakt dat de natuurwaarden van het landschapselement ten westen van het natuurgebied De Lange Maten onvoldoende worden beschermd met deze bestemming. De raad heeft derhalve in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om de bestemming "Natuur" aan het landschapselement toe te kennen. Het betoog faalt.

51. De BMF en de Natuurwerkgroep betogen dat de in de Verordening 2011 aangewezen ecologische verbindingszone (hierna: EVZ) ter hoogte van de Zundertseweg en het Moervenstraatje te Sprundel ten onrechte niet is voorzien van de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie - Verbindingszone". Zij wijzen erop dat de procedure tot wijziging van het tracé van de EVZ niet is gevolgd. Ook voeren de BMF en de Natuurwerkgroep aan dat de EVZ ter hoogte van de Rucphenseweg en de Gastelseweg te Rucphen ten onrechte evenmin is voorzien van de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie - Verbindingszone". Zij betogen dat het plan op deze punten in strijd is met artikel 4.3 van de Verordening 2011.

51.1. De raad stelt ten aanzien van de EVZ ter plaatse van de Zundertseweg en het Moervenstraatje dat voldoende groenelementen aanwezig zijn om de aanwezige verbindingszone te ondersteunen. Ook stelt de raad dat het tracé is komen te vervallen, omdat het niet is gelukt om de gronden in het tracé te verwerven. Ten aanzien van de EVZ ter plaatse van de Rucphenseweg en de Gastelseweg heeft de raad naar voren gebracht dat in overleg met de provincie Noord-Brabant en de Stichting het Brabants Landschap is gekozen voor een alternatief tracé.

51.2. Ingevolge artikel 4.3, eerste lid, van de Verordening 2011 strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in een zoekgebied voor ecologische verbindingszone tot de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone.

Ingevolge het tweede lid, stelt een bestemmingsplan, als bedoeld in het eerste lid:

a. beperkingen aan stedelijke, agrarische en recreatieve ontwikkelingen, in het bijzonder wat betreft de daarmee verband houdende bebouwing, voor zover zulks nodig is om te voorkomen dat dit gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone;

b. regels ten aanzien van het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m², anders dan een bouwwerk.

Ingevolge artikel 4.10, tweede lid, kan de gemeenteraad het college van gedeputeerde staten verzoeken om de begrenzing van een zoekgebied voor ecologische verbindingszone te wijzigen (…).

Ingevolge het vierde lid maakt het voornemen om een verzoek te doen, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel uit van de voorbereiding van een bestemmingsplan, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de wet waarbij in dat bestemmingsplan de volgende twee gebiedsaanduidingen worden opgenomen:

a. gebiedsaanduiding: overig - verwijderd zoekgebied voor ecologische verbindingszone;

b. gebiedsaanduiding: overig - toegevoegd zoekgebied voor ecologische verbindingszones.

51.3. Ter plaatse van de Zundertseweg en het Moervenstraatje en de Rucphenseweg en de Gastelseweg zijn op de bij de Verordening 2011 behorende kaart Natuur en landschap stroken grond aangewezen als "Zoekgebied voor ecologische verbindingszone".

De gronden ter plaatse van het tracé van de EVZ ter hoogte van de Zundertseweg en het Moervenstraatje hebben de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijk", zonder aanduiding "bouwvlak", en de gebiedsaanduiding "attentiegebied ehs". Een klein deel van de strook heeft de bestemming "Groen - Landschapselement". De gronden ter plaatse van het tracé van de EVZ ter hoogte van de Rucphenseweg en de Gastelseweg hebben de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - Natuur".

51.4. De omstandigheid dat ter plaatse van de Zundertseweg en het Moervenstraatje voldoende landschapselementen aanwezig zijn om de al aanwezige EVZ te ondersteunen, laat naar het oordeel van de Afdeling onverlet de uit artikel 4.3, eerste lid, voortvloeiende verplichting om in een bestemmingsplan te voorzien in regels ter verwezenlijking, behoud en beheer van een EVZ.

Ter zitting heeft de raad erkend dat voor het wijzigen van het tracé van de EVZ ter hoogte van de Rucphenseweg en de Gastelseweg niet de in artikel 4.10 van de Verordening 2011 voorgeschreven procedure is gevolgd. De raad was bij de vaststelling van het plan derhalve gehouden om in het plan te voorzien in de verwezenlijking, het behoud en het beheer van het oorspronkelijke tracé van de EVZ. De raad is hieraan ten onrechte voorbij gegaan.

Gelet op het voorgaande en nu overigens niet aannemelijk is gemaakt dat de aan de EVZ’s toegekende bestemmingen voorzien in regels als bedoeld in artikel 4.3, tweede lid, van de Verordening 2011, heeft de raad zich, voor zover het de hier aan de orde zijnde EVZ’s betreft, ten onrechte op het standpunt gesteld dat het plan voldoet aan het bepaalde in artikel 4.3 van de Verordening 2011. Het betoog slaagt.

Teeltondersteunende voorzieningen

52. De BMF en de Natuurwerkgroep kunnen zich niet verenigen met de regeling ten aanzien van teeltondersteunende voorzieningen die is opgenomen in de artikelen 4 en 5 van de planregels.

52.1. Ten eerste voeren zij aan dat in het reconstructieplan De Baronie gebieden zijn aangewezen waar verruimde mogelijkheden voor teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan. Zij betogen dat de wijzigingsbevoegdheid voor de uitbreiding van teeltondersteunende voorzieningen op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" in strijd met het reconstructieplan buiten die gebieden toepassing kan vinden.

52.1.1. Ingevolge artikel 5, lid 5.6.6, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" te wijzigen door het veranderen van de vorm of het vergroten van de aanduiding "bouwvlak" voor de realisatie van teeltondersteunend glas tot maximaal 1,5 hectare, met dien verstande dat:

a. wijziging uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "teeltondersteunende kassen toegestaan".

52.1.2. In het reconstructieplan is op de bijbehorende plankaart 2 een gebied "verruimde mogelijkheden" aangeduid. In bijlage 7 van het reconstructieplan staat dat in dit gebied extra mogelijkheden zijn toegestaan voor hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen voor bedrijven. Het gebied "verruimde mogelijkheden" komt overeen met het gebied waaraan in het voorliggende bestemmingsplan de gebiedsaanduiding "teeltondersteunende kassen toegestaan" is toegekend. De wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 5, lid 5.6.6, van de planregels kan uitsluitend toepassing vinden ter plaatse van deze gebiedsaanduiding. Het betoog mist derhalve feitelijke grondslag.

52.2. Ten tweede hebben de BMF en de Natuurwerkgroep bezwaren tegen de in het plan geboden mogelijkheden voor teeltondersteunende voorzieningen op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" en/of "Agrarisch met waarden - landschap" die in de groenblauwe mantel liggen. In dit verband betogen de BMF en de Natuurwerkgroep dat artikel 4, lid 4.6.1, en artikel 5, lid 5.6.1, van de planregels in strijd met artikel 6.3 van de Verordening 2011 voorzien in wijzigingsbevoegdheden voor het uitbreiden van teeltondersteunende voorzieningen op die gronden. Zij voeren aan dat toepassing van de wijzigingsbevoegdheden zal leiden tot afname van het leef- en foerageergebied van kwetsbare soorten en tot aantasting van het landschap.

Daarnaast betogen de BMF en de Natuurwerkgroep dat artikel 4, lid 4.2.1, en artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels in strijd met artikel 6.4 van de Verordening 2011 voorzien in de bouw van permanente teeltondersteunende kassen in de groenblauwe mantel.

52.2.1. In artikel 6.3, eerste lid, van de Verordening 2011 is bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel:

a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheidene gebieden;

b. regels stelt ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

Ingevolge artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2011 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf worden geconcentreerd in een bouwblok.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kan een bestemmingsplan, als bedoeld in het eerste lid, binnen het bouwblok voorzien in:

a. de bouw of de uitvoering van permanente teeltondersteunende voorzieningen.

Ingevolge artikel 1.1, onder 42, wordt verstaan onder kas: agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas hoger dan 1,5 meter.

Ingevolge artikel 1.1, onder 62, wordt verstaan onder permanente teeltondersteunende voorziening: teeltondersteunende voorziening die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas.

Ingevolge artikel 1.1, onder 74, wordt verstaan onder teeltondersteunende voorziening: ondersteunende voorziening die een onderdeel is van de vollegrondse bedrijfsvoering van een tuinbouwbedrijf of boomkwekerij.

52.2.2. De artikelen 4 en 5 van de planregels hebben betrekking op onderscheidenlijk de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijk" en de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur".

Ingevolge lid 4.1.1, aanhef en onder a en b, onderscheidenlijk lid 5.1.1, aanhef en onder a en b, zijn gronden met voormelde bestemmingen bestemd voor agrarisch grondgebruik en de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf.

Ingevolge lid 4.2.1 onderscheidenlijk lid 5.2.1 mogen gebouwen uitsluitend binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak worden opgericht ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf (…). Daarnaast gelden de onder sub a tot en met sub e opgenomen specifieke regels.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, sub c, onder b, onderscheidenlijk artikel 5, lid 5.2.1, sub c, onder b, mogen permanente teeltondersteunende kassen worden opgericht met inachtneming van de volgende regel:

de gezamenlijke oppervlakte van kassen bedraagt maximaal 5.000 m², met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "teeltondersteunende kassen toegestaan" de gezamenlijke oppervlakte van kassen maximaal 1,5 hectare bedraagt.

Ingevolge artikel 4, lid 4.6.1, en artikel 5, lid 5.6.1, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijk" onderscheidenlijk "Agrarisch met waarden - Natuur" te wijzigen voor het oprichten van permanente teeltondersteunende voorzieningen door middel van oprichting, vormverandering en/of vergroting van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" al dan niet in combinatie met vormverandering en/of vergroting van de aanduiding "bouwvlak", met dien verstande dat

a. de omvang van het bouwvlak mag worden vergroot tot maximaal:

1. voor lage permanente teeltondersteunende voorzieningen met een maximale bouwhoogte van 1,5 meter: netto oppervlakte 4,5 hectare;

2. voor hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen met een maximale bouwhoogte van 5 meter: netto oppervlakte 2 hectare;

3. voor permanente teeltondersteunende kassen met een maximale bouwhoogte van 8 meter: netto oppervlakte 0,5 hectare;

4. voor permanente teeltondersteunende kassen met een maximale bouwhoogte van 8 meter gelegen ter plaatse van de aanduiding "teeltondersteunende kassen toegestaan": netto oppervlakte 1,5 hectare; (…);

b. vormverandering en / of vergroting van de aanduiding "bouwvlak" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" dient direct aan te sluiten op het bestaande bouwvlak dan wel gescheiden door niet meer dan een weg, watergang of landschapselement met een maximale onderlinge afstand van 25 meter. Indien een scheiding plaatsvindt door een weg, watergang of landschapselement dient op de verbeelding een relatieteken te worden opgenomen;

e. er is sprake van een goede landschappelijke inpassing die dient te worden aangetoond door het overleggen van een door het bevoegd gezag goedgekeurd landschaps- en onderhouds-, en -beheerplan. De landschappelijke inpassing dient in het wijzigingsplan te worden vastgelegd door het opnemen van de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing";

f. er geen sprake is van een aantoonbaar onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem- en waterhuishoudkundige en milieuhygiënische waarden.

52.2.3. Een deel van de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" of "Agrarisch met waarden - Landschap" ligt binnen het gebied dat in het plan, overeenkomstig de bij de Verordening 2011 behorende kaart Natuur en Landschap, is aangewezen als groenblauwe mantel.

52.2.4. Gezien het bepaalde in artikel 6.4, tweede lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 1.1, aanhef en onder 41 en 62, van de Verordening 2011 mogen op gronden die zijn aangewezen als groenblauwe mantel geen kassen worden opgericht, omdat kassen zijn uitgesloten van de begripsomschrijving van permanente teeltondersteunende voorzieningen die in de groenblauwe mantel zijn toegestaan. Het bestemmingsplan maakt gezien het bepaalde in artikel 4, lid 4.2.1, sub c, onder b, en artikel 5, lid 5.2.1, sub c, onder b, van de planregels echter op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" en "Agrarisch met waarden - Natuur" die in de groenblauwe mantel liggen kassen mogelijk. Het betoog dat het plan in zoverre in strijd is met de Verordening 2011, slaagt.

52.2.5. Het plan voorziet met de gebiedsaanduiding "groenblauwe mantel", die is toegekend aan de gronden die op de bij de Verordening 2011 behorende kaart Natuur en landschap zijn aangewezen als groenblauwe mantel, en het daarbij behorende artikel 39, lid 39.8, van de planregels in bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel. Daarnaast mag van de wijzigingsbevoegdheden in artikel 4, lid 4.6.1, en artikel 5, lid 5.6.1, van de planregels alleen gebruik worden gemaakt als de uitbreiding landschappelijk wordt ingepast en de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast. Het voorgaande in aanmerking nemend en gelet op de omvang van het deel van het plangebied dat in de groenblauwe mantel ligt, ziet de Afdeling in het niet nader onderbouwde betoog van de BMF en de Natuurwerkgroep geen grond voor het oordeel dat de desbetreffende wijzigingsbevoegdheden in strijd zijn met artikel 6.3, eerste lid, van de Verordening 2011. Het betoog faalt.

52.3. Ten derde voeren de BMF en de Natuurwerkgroep aan dat de aanduiding "teeltondersteunende kassen toegestaan" ter plaatse van de gronden aan de Puinbroekstraat en het Moervenstraatje in strijd is met de aanduiding "openheid" van deze gronden.

52.3.1. De desbetreffende gronden hebben zowel de gebiedsaanduiding "openheid" als de gebiedsaanduiding "teeltondersteunende kassen toegestaan". Het standpunt van de raad dat deze gebiedsaanduidingen ter plaatse van die gronden elkaar niet uitsluiten, acht de Afdeling niet onredelijk, nu de gronden met de gebiedsaanduiding "teeltondersteunende kassen" aan de rand liggen van het gebied met de gebiedsaanduiding "openheid" en slechts een zeer klein gedeelte van dat gebied uitmaken. Het betoog faalt.

Intensieve veehouderijen

53. De BMF en de Natuurwerkgroep betogen dat ten onrechte een bestaande intensieve veehouderij op het perceel Kerkstraat 19 te Rucphen niet als zodanig is bestemd. Ook betogen zij dat ten onrechte de aanduiding intensieve veehouderij is toegekend aan het perceel Langendijksestraat 7 te Rucphen.

53.1. De BMF en de Natuurwerkgroep hebben in hun zienswijze naar voren gebracht dat onder meer het perceel Kerkstraat 19 ten onrechte niet als intensieve veehouderij is aangeduid. In de zienswijzennota, die deel uitmaakt van het bestreden besluit, stelt de raad dat voor onder meer dit perceel de aanduiding "intensieve veehouderij" op de verbeelding wordt opgenomen. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging niet is verwerkt op de verbeelding die door de raad is gewaarmerkt als behorend bij het bestreden besluit. Dit heeft de raad in het verweerschrift erkend. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingsbesluit. In hetgeen de BMF en de Natuurwerkgroep hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang bezien in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog slaagt.

53.2. Ter zitting heeft de raad erkend dat per abuis in het vastgestelde plan de aanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend aan het perceel Langendijksestraat 7. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

Conclusie beroep van de BMF en de Natuurwerkgroep

54. Gelet op hetgeen is overwogen onder 34.1, 43.4, 44.3, 46.5, 47.1, 51.4, 52.2.4, 53.1 en 53.2 is de Afdeling van oordeel dat het beroep van de BMF en de Natuurwerkgroep gegrond is en dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, dan wel is vastgesteld in strijd met onderscheidenlijk artikel 4.2, eerste lid, artikel 4.3 en artikel 6.4 van de Verordening 2011,

A. voor zover het betreft de vaststelling van:

- het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" ter plaatse van het zuidwestelijke deel van de gronden aan De Oliepot 9, zoals aangeduid op bij deze uitspraak behorende kaart;

- artikel 3, leden 3.3.1, 3.6.1, 3.6.2, 3.6.3, 3.6.4, en 3.6.8;

- artikel 4, leden 4.3.1, 4.6.1, 4.6.2, 4.6.3, 4.6.4, en 4.6.8;

- artikel 5, leden 5.3.1, 5.6.1, 5.6.2, 5.6.3, 5.6.4, 5.6.5, en 5.6.7;

- de aanduiding "recreatiewoningen" ter plaatse van 35 recreatieobjecten die in het vorige plan niet als zodanig waren bestemd en waarvoor geen bouwvergunningen zijn verleend, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaarten;

- het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" ter plaatse van het perceel De Posthoorn 7a;

- het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijk" ter plaatse van het zuidelijke, onverharde deel van de Zurendonksestraat;

- artikel 4, lid 4.2.1, sub c, onder b, van de planregels;

- artikel 5, lid 5.2.1, sub c, onder b, van de planregels;

- de aanduiding "intensieve veehouderij" ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "bouwvlak" dat is toegekend aan het perceel Langendijksestraat 7;

B. voor zover daarin niet is voorzien in:

- de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - onverharde weg" ter plaatse van het zuidelijke, onverharde deel van de Kronenstraat;

- regels die strekken tot de verwezenlijking, het behoud en het beheer van de EVZ’s die op de bij de Verordening 2011 behorende kaart "Natuur en Landschap" zijn aangeduid ter hoogte van de Zundertseweg en het Moervenstraatje en ter hoogte van de Rucphenseweg en de Gastelseweg;

- de aanduiding "intensieve veehouderij" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijk" en de aanduiding "bouwvlak" dat is toegekend aan het perceel Kerkstraat 19.

55. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden die de BMF en de Natuurwerkgroep ten aanzien van het perceel De Posthoorn 7a hebben aangevoerd, alsmede het betoog dat het bepaalde in artikel 3, lid 3.3.1, artikel 4, lid 4.3.1, en artikel 5, lid 5.3.1, van de planregels in strijd is met de artikelen 6.5, 8.3 en 8.4 van de Verordening 2011, geen bespreking.

56. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor een deel van de bovenvoormelde plandelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

57. De Afdeling ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ten aanzien van de aanduiding "recreatiewoningen" ter plaatse van 35 recreatieobjecten die in het vorige plan niet als zodanig waren bestemd in stand te laten, omdat niet vaststaat dat de desbetreffende recreatiewoningen kunnen worden aangemerkt als bestaande bebouwing in de zin van artikel 1.2, derde lid, van de inmiddels in werking getreden Verordening 2012 en dat derhalve de uitzondering in artikel 4.2, tweede lid, van die Verordening van toepassing is.

58. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 22]

59. [appellant sub 22] kan zich niet verenigen met het plan voor zover daarin één bijgebouw met een oppervlakte van maximaal 10 m² is toegestaan bij zijn recreatiewoning op het perceel [locatie 14]. Hij voert aan dat bij zijn recreatiewoning meerdere bijgebouwen staan die gezamenlijk een grotere oppervlakte dan 10 m² hebben. Hij stelt dat de bijgebouwen worden beschermd door het overgangsrecht van het vorige plan en derhalve legaal aanwezig zijn. Ook wijst hij op brieven van het gemeentebestuur, die naar zijn mening als vergunningen kunnen worden aangemerkt. [appellant sub 22] voert daarnaast aan dat een grotere oppervlakte aan bijgebouwen noodzakelijk is om zijn machines en gereedschap te kunnen stallen die nodig zijn voor het onderhoud van het bos op zijn perceel.

59.1. Ter plaatse van het perceel [locatie 14] zijn de bestemming "Bos" en de aanduiding "recreatiewoning" toegekend.

Ingevolge artikel 9, lid 9.2.2, van de planregels mogen gebouwen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning" worden opgericht met inachtneming van de volgende regels:

a. uitsluitend één recreatiewoning is toegestaan;

h. maximaal één bijbehorend bouwwerk is bij een recreatiewoning toegestaan;

j. de oppervlakte van het bijbehorend bouwwerk bedraagt maximaal 10 m².

59.2. Niet is aannemelijk gemaakt dat bouwvergunningen zijn verleend voor de op het perceel aanwezige bijgebouwen. Anders dan [appellant sub 22] betoogt, kunnen de door hem bedoelde brieven van het gemeentebestuur die betrekking hebben op de bijgebouwen niet worden aangemerkt als bouwvergunningen. De bijgebouwen zijn derhalve illegaal gebouwd. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 9] dat de bijgebouwen onder het overgangsrecht van het vorige plan waren gebracht, overweegt de Afdeling dat het in een bestemmingsplan opgenomen bouwovergangsrecht het illegale karakter van bouwwerken onverlet laat. Voor illegale bebouwing hoeft de raad in beginsel geen regeling in het plan op te nemen, omdat geen sprake is van verkregen rechten.

De raad heeft toegelicht dat het merendeel van de recreatiewoningen in bos- of natuurgebied ligt en dat ter bescherming van de natuurwaarden van die gebieden is gekozen voor een beperkte bouwmogelijkheid van één bijgebouw met een uniforme maatvoering van maximaal 10 m² voor recreatiewoningen. Deze oppervlakte acht de raad voldoende groot voor het opslaan van benodigdheden voor recreatief gebruik en onderhoud van het perceel. De Afdeling acht deze keuze van de raad niet onredelijk. Hetgeen [appellant sub 22] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid aan de gekozen uniforme maatvoering heeft kunnen vasthouden.

59.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 22] ongegrond.

59.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding.

Beroep van [appellant sub 10]

60. [appellant sub 10] woont op het perceel [locatie 15] te Rucphen.

Hij betoogt in zijn beroepschrift dat zijn woning ten onrechte is opgenomen in één gezamenlijk bouwvlak met de manege die is gelegen op het perceel [locatie 16]. [appellant sub 10] voert aan dat zijn woning wordt bewoond als burgerwoning en dat hij geen enkele binding heeft met de manege. Volgens [appellant sub 10] had de raad dan ook een afzonderlijke woonbestemming in plaats van een sportbestemming aan zijn woonperceel moeten toekennen.

Ter zitting heeft [appellant sub 10] zijn beroep wat betreft het bouwvlak ingetrokken.

60.1. [appellant sub 10] betoogt dat de raad bij de planvaststelling heeft besloten om in het plan - vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Wet plattelandswoningen - een regeling op te nemen voor het gebruik van voormalige (agrarische) bedrijfswoningen als burgerwoning. Hiertoe wijst [appellant sub 10] onder meer op artikel 3, lid 3.6, onder 3.6.16, van de planregels.

Nu de woning op het perceel [locatie 15] eveneens een voormalige (agrarische) bedrijfswoning betreft, had de raad met het oog op deze woning een vergelijkbare regeling moeten opnemen in artikel 21 van de planregels, zo betoogt [appellant sub 10].

60.2. Aan de percelen [locatie 15] en [locatie 16] is in het plan de bestemming "Sport" toegekend. Voor beide percelen is één gezamenlijk bouwvlak op de verbeelding opgenomen, met de nadere functieaanduidingen "manege" en "bedrijfswoning". Tevens is op de verbeelding de maatvoeringsaanduiding "2" opgenomen als maximaal aantal wooneenheden.

Op grond van deze planregeling is de woning van [appellant sub 10] bestemd als één van de twee bedrijfswoningen bij de manege.

60.3. In bijlage 1 bij de plantoelichting, waarin het beleidskader is opgenomen waarop de raad zich bij de planvaststelling heeft gebaseerd, staat dat in het plan zal worden vooruitgelopen op de wijziging van de Wabo en enkele andere wetten om de planologische status van gronden en opstallen bepalend te laten zijn voor de mate van milieubescherming alsmede om de positie van agrarische bedrijfswoningen aan te passen (plattelandswoningen) (hierna: de wijzigingswet). Blijkens het gestelde op pagina 89 van deze bijlage heeft de raad daarbij het uitgangspunt gehanteerd dat een voormalige agrarische bedrijfswoning of een voormalige niet-agrarische bedrijfswoning onder voorwaarden, door het college van burgemeester en wethouders te beoordelen, kan worden losgekoppeld van het bedrijf waartoe de woning behoorde en dat deze voormalige bedrijfswoning kan worden bewoond door derden, waarbij de woning het beschermingsniveau houdt van een bedrijfswoning.

In aansluiting op dit uitgangspunt heeft de raad in de planregels een aantal wijzigingsbevoegdheden opgenomen.

In artikel 3, lid 3.6, onder 3.6.16, van de planregels, dat van toepassing is op de gronden met de bestemming "Agrarisch", is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders onder de in de bepaling opgenomen voorwaarden bevoegd is de bestemming "Agrarisch" met de op de verbeelding opgenomen aanduiding "bouwvlak" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalige bedrijfswoning".

Ingevolge artikel 1, onder 1.149, wordt onder een "voormalige (agrarische) bedrijfswoning" verstaan: een voormalige (agrarische) bedrijfswoning die (tevens) door derden mag worden bewoond en die niet wordt beschermd tegen milieugevolgen van het bijbehorende bedrijf en/of van omliggende bedrijven.

Voor de gronden met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschappelijk" en "Agrarisch met waarden - Natuur" zijn met artikel 3, lid 3.6, onder 3.6.16, vergelijkbare wijzigingsbevoegdheden opgenomen in artikel 4, lid 4.6, onder 4.6.16, en in artikel 5, lid 5.6, onder 5.6.15, van de planregels.

Een dergelijke wijzigingsbevoegdheid is niet opgenomen in artikel 21 van de planregels, dat van toepassing is op de gronden met de bestemming "Sport".

60.4. Uit het bestreden besluit blijkt niet waarom de raad, in afwijking van het door hem bij de planvaststelling gehanteerde uitgangspunt dat zal worden vooruitgelopen op de inwerkingtreding van de wijzigingswet, in artikel 21 van de planregels geen wijzigingsbevoegdheid heeft opgenomen voor het gebruik van voormalige bedrijfswoningen als burgerwoning.

Gelet hierop berust het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, niet op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt.

60.5. In hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 10] is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

60.6. De raad heeft aan de Afdeling gevraagd om de rechtsgevolgen van het besluit op dit punt in stand te laten. Daartoe stelt de raad dat de wijzigingswet uitsluitend van betekenis is voor voormalige agrarische bedrijfswoningen en dat het toepassingsbereik van deze wet zich niet uitstrekt tot andere voormalige bedrijfswoningen. Een agrarisch bedrijf is in artikel 1.1, onder 9, van de Verordening 2011 omschreven als een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren. In artikel 1, onder 12, van de planregels is dezelfde begripsbepaling opgenomen. Aangezien het bij een manege gaat om een gebruiksgerichte paardenhouderij en niet om een productiegerichte paardenhouderij, kan een manege niet worden aangemerkt als een agrarisch bedrijf. Dit betekent volgens de raad dat een voormalige bedrijfswoning bij een manege niet kan worden aangemerkt als een voormalige agrarische bedrijfswoning en dat hiervoor geen wijzigingsbevoegdheid kan worden opgenomen in artikel 21 van de planregels.

60.7. Op grond van de wijzigingswet, die op 1 januari 2013 in werking is getreden, is een nieuw artikel 1.1a in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is opgenomen.

Ingevolge het eerste lid van dit artikel wordt een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan door een derde bewoond mag worden, met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald.

Ingevolge het tweede lid wordt voor de toepassing van het eerste lid onder landbouwinrichting verstaan: inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten, zijnde het telen of kweken van landbouwgewassen of het fokken, mesten, houden of verhandelen van landbouwhuisdieren, dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht.

Gelet op de hiervoor weergegeven bepalingen is in dit geval niet van belang of een manege een agrarisch bedrijf is als bedoeld in de Verordening 2011 of het bestemmingsplan, maar of een manege dient te worden aangemerkt als een landbouwinrichting als bedoeld in artikel 1.1a van de Wabo. Die laatste vraag beantwoordt de Afdeling bevestigend. Hiertoe overweegt de Afdeling dat uit de toelichting op de wijzigingswet kan worden afgeleid dat de begrippen 'landbouwinrichting' en 'landbouwhuisdier' zijn ontleend aan het Besluit landbouw milieubeheer. In dat Besluit, dat inmiddels is vervallen, was niet gedefinieerd wat onder een 'landbouwhuisdier' moet worden verstaan. In de uitspraak van 15 december 2010 in zaak nr. 201004062/2/M2) heeft de Afdeling een invulling gegeven aan dit begrip. Onder verwijzing naar hetgeen in die uitspraak is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat paarden, ook als deze worden gehouden voor het berijden daarvan, zijn aan te merken als landbouwhuisdieren en dat de bedrijfsvoering in een manege is gericht op het houden van landbouwhuisdieren en het verrichten van activiteiten die daarmee verband houden.

Hetgeen de raad heeft betoogd, kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat in artikel 21 van de planregels geen wijzigingsbevoegdheid kan worden opgenomen voor het gebruik van voormalige bedrijfswoningen als burgerwoning.

Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dat naar aanleiding van het door [appellant sub 10] aangevoerde wordt vernietigd, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, in stand te laten.

60.8. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

60.9. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 2]

Teeltondersteunende voorzieningen

61. [appellant sub 2] heeft ter zitting de beroepsgrond dat tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen ten onrechte niet buiten het bouwvlak zijn toegestaan, ingetrokken.

62. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de planregels ten aanzien van teeltondersteunende voorzieningen. Hij betoogt dat teeltondersteunende voorzieningen ten onrechte voor een periode van slechts zes maanden zijn toegestaan. Hij voert aan dat het voor de gewassen die hij teelt nodig is dat gedurende negen maanden teeltondersteunende voorzieningen aanwezig zijn. De bepalingen uit de Verordening 2011 staan niet in de weg aan het opnemen van een dergelijke termijn, aldus [appellant sub 2]. [appellant sub 2] betoogt voorts dat onduidelijk is of een voorziening voor het opslaan van materialen en schaftgelegenheid als teeltondersteunende voorziening wordt aangemerkt. Hij betoogt dat een dergelijke voorziening moet worden toegestaan.

62.1. [appellant sub 2] pacht gronden met een oppervlakte van 3 ha aan het Jasperheide Voetpad en de Vaartweg te Sint Willebrord. Aan deze gronden zijn de bestemming "Agrarisch" en de gebiedsaanduiding "teeltondersteunende kassen toegestaan" toegekend.

Ingevolge artikel 1, onder 1.131, wordt verstaan onder teeltondersteunende kas: een teeltondersteunende voorziening, bestaande uit een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden. Schuurkassen en permanente tunnel- of boogkassen (hoger dan 1,5 meter) worden beschouwd als een kas.

Ingevolge artikel 1, onder 1.132, wordt verstaan onder teeltondersteunende voorzieningen: een voorziening in, op of boven de grond die door de agrarische bedrijven met plantaardige teelten wordt gebruikt om de volgende doelen na te streven:

1. verbetering van de productie, onder meer door teeltvervroeging en -verlating, terugdringing van onkruidgroei en beperking van vraatschade;

2. verbetering van de arbeidsomstandigheden, onder meer door gewassen verhoogd te telen;

3. bereiken van positieve effecten op milieu en water (bodembescherming, terugdringen onkruidbestrijding, effectief omgaan met water). Voorbeelden van teeltondersteunende voorzieningen zijn: aardbeientafels, afdekfolies, antiworteldoek, boomteelthekken, hagelnetten, insectengaas, plastic tunnels, ondersteunende kas, schaduwhallen en vraatnetten.

Ingevolge artikel 1, onder 1.134, wordt verstaan onder tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: voorzieningen zoals folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten. Onder tijdelijk wordt verstaan dat deze teeltondersteunende voorzieningen op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van 6 maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch grondgebruik;

b. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, (…).

Ingevolge lid 3.2.1 mogen gebouwen uitsluitend binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak worden opgericht ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf, (…).

Ingevolge lid 3.2.2 zijn gebouwen buiten het bouwvlak uitsluitend toegestaan in de vorm van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, waarvan de bouwhoogte maximaal 4 meter bedraagt, voor een periode van maximaal van 6 maanden per jaar, of zoveel korter de teelt vereist.

Ingevolge lid 3.2.3, onder b, aanhef en sub d, mogen buiten het bouwvlak de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht: tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, waarvan de bouwhoogte maximaal 4 meter bedraagt, uitsluitend voor een maximum van 6 maanden, of zoveel korter dan de teelt vereist.

Ingevolge artikel 39, lid 39.18, zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "teeltondersteunende kassen toegestaan", behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor teeltondersteunende kassen.

62.2. In de Verordening 2011 zijn geen bepalingen opgenomen over tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. In de toelichting bij artikel 8.3 van de Verordening 2011 staat dat onder tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen wordt verstaan voorzieningen die op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zolang de teelt dit vereist, met een maximum van ongeveer zes maanden. De raad heeft aangesloten bij deze termijn en zich op het standpunt gesteld dat teeltondersteunende voorzieningen die voor een periode van negen maanden aanwezig mogen zijn een tijdelijk karakter ontberen en daardoor een andere ruimtelijke uitstraling hebben dan de in het plan toegestane tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Dit standpunt van de raad acht de Afdeling niet onredelijk. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid een groter belang kunnen hechten aan het waarborgen van het tijdelijke karakter van teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak dan aan het belang dat [appellant sub 2] stelt te hebben bij het plaatsen van teeltondersteunende voorzieningen voor een termijn van maximaal negen maanden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in het deskundigenbericht staat dat de gewassen die [appellant sub 2] teelt niet de aanwezigheid van teeltondersteunende voorzieningen voor een periode langer dan zes maanden vereisen, omdat de voorzieningen alleen nodig zijn in een bepaalde periode in de groeifase van de gewassen.

Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de periode van zes maanden ten onrechte aaneengesloten moet zijn, stelt de raad dat deze lezing van artikel 3, lid 3.2.2, van de planregels onjuist is. Volgens de raad staat de bepaling in dit artikel dat tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen voor een periode van maximaal van 6 maanden per jaar zijn toegestaan er niet aan in de weg dat deze periode over verschillende tijdsvakken in het jaar wordt verspreid, mits de tijdsvakken in totaal de periode van zes maanden niet overschrijden. De Afdeling acht deze uitleg van de raad niet onjuist. Het betoog van [appellant sub 2] mist derhalve feitelijke grondslag.

62.3. Uit artikel 3, lid 3.2.1 en lid 3.2.2, van de planregels volgt dat buiten het bouwvlak tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in de vorm van gebouwen dan wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend zijn toegelaten op gronden met de bestemming "Agrarisch". Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit de begripsomschrijving van teeltondersteunende voorziening die is opgenomen in artikel 1, onder 1.132, van de planregels dat het gebruik van een tijdelijke teeltondersteunende voorziening als schaftkeet en voor de stalling van materialen niet is toegelaten. De raad heeft als uitgangspunt gehanteerd dat alle bebouwing van een agrarisch bedrijf moet worden geconcentreerd binnen een bouwvlak, behoudens tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen die een directe relatie met het grondgebruik hebben. De opslag van materialen en het verwerken van de producten dient volgens de raad daarom plaats te vinden binnen een bouwvlak. Dit uitgangspunt acht de Afdeling niet onredelijk. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de raad in redelijkheid niet in het plan heeft behoeven te voorzien in een schaftkeet of stelling voor materialen. Het betoog faalt.

Paardenhouderij

63. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de aanduiding "paardenhouderij" die aan het perceel [locatie 17] te Sint Willebrord is toegekend. Hij betoogt dat ter plaatse slechts hobbymatig paarden worden gehouden. Ook stelt hij onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2011, zaak nr. 200907076/1/R3 (www.raadvanstate.nl) dat het huidige gebruik niet is aan te merken als een paardenhouderij als bedoeld in de planregels.

63.1. Aan het perceel [locatie 17] is de bestemming "Agrarisch" met de aanduidingen "bouwvlak" en "paardenhouderij" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, aanhef en onder a en b, voor zover van belang, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch grondgebruik en de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding paardenhouderij tevens een productiegerichte paardenhouderij is toegestaan.

Ingevolge artikel 1, onder 1.119, wordt verstaan onder productiegerichte paardenhouderij: een bedrijf uitsluitend of in hoofdzaak gericht op het voortbrengen van producten door middel van het houden van paarden dan wel een bedrijf dat is gericht op het africhten, opleiden, trainen alsmede het opvangen en stallen van paarden en/of pony's al dan niet in combinatie met het fokken van paarden en/of pony's. Voorbeelden van productiegerichte paardenhouderijen zijn: een paardenfokkerij, hengsten- en/of merriehouderij, paardenmelkerij met daaraan ondergeschikt een africhtingsstal, trainingsstal, handelsstal, stalhouderij en/of pensionstalling. Tevens is als ondergeschikte nevenactiviteit het geven van lessen en/of het verzorgen van instructies toegestaan. Het exploiteren van een manege is niet toegestaan.

63.2. In het deskundigenbericht staat dat op het perceel twaalf paardenboxen aanwezig zijn en dat tien paarden worden gehouden. De paarden worden afgericht en gestald. De eigenaar voorziet met deze activiteit in zijn inkomsten, aldus het deskundigenbericht. Verder staat in het deskundigenbericht dat een milieuvergunning is verleend voor het houden van 50 paarden op het perceel.

63.3. Uit het deskundigenbericht blijkt dat het gebruik van het perceel voor het houden van paarden een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie betreft. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat op het perceel slechts hobbymatig dieren worden gehouden.

Uit de begripsomschrijving van paardenhouderij volgt dat daaronder onder meer wordt verstaan een bedrijf dat is gericht op het africhten, opleiden, trainen alsmede het opvangen en stallen van paarden en/of pony’s. Uit het deskundigenbericht volgt dat deze activiteiten op het perceel worden uitgeoefend. De raad heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de bedrijfsactiviteiten als zodanig zijn bestemd met de aanduiding "paardenhouderij". Voor zover [appellant sub 2] verwijst naar de uitspraak van 7 september 2011, wordt overwogen dat in die uitspraak een situatie aan de orde was waarin een paardenfokkerij niet als zodanig was bestemd. Die situatie verschilt derhalve van de thans aan de orde zijnde situatie.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de aanduiding "paardenhouderij" aan het perceel [locatie 17] heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

Conclusie

64. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

65. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 16]

66. [appellant sub 16] kan zich niet verenigen met de bestemming "Bos" voor het perceel Postbaan (ongenummerd), kadastraal bekend gemeente Rucphen, sectie K, nummer 1636. Hij voert aan dat op het perceel een caravan en bijgebouw staan, die hij voor verblijfsrecreatie gebruikt. Hij betoogt dat hiervoor ten onrechte geen passende bestemming in het plan is opgenomen. Hiertoe voert hij aan dat de bebouwing en het gebruik ten onrechte wederom onder het overgangsrecht zijn gebracht, wat niet is toegestaan. In dit verband stelt hij dat de caravan kan worden aangemerkt als een bouwwerk. Ook betwist [appellant sub 16] het standpunt van de raad dat minstens een jaar geen gebruik zou zijn gemaakt van de bebouwing. Hij stelt nog regelmatig gebruik te maken van de caravan. [appellant sub 16] voert voorts aan dat andere caravans wel als zodanig zijn bestemd in het plan. Niet valt in te zien waarom zijn caravan niet als zodanig kan worden bestemd. [appellant sub 16] voert ook aan dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat de caravan op zijn perceel zou mogen staan. In dit verband stelt hij dat hij voorafgaand aan de koop van het perceel van gemeentewege heeft vernomen dat de caravan legaal op het perceel staat, wat ook schriftelijk is bevestigd. Daarnaast heeft het gemeentebestuur gedurende 40 jaar niet handhavend opgetreden tegen de aanwezigheid van de caravan. Ook blijkt uit het aankoopbedrag en de WOZ-waarde dat de caravan legaal is, aldus [appellant sub 16].

66.1. De raad stelt dat de caravan en het bijgebouw voor dagrecreatie worden gebruikt en minstens een jaar niet in gebruik zijn geweest voor verblijfsrecreatie. Hij wijst in dit verband op waarnemingen van gemeenteambtenaren en op de staat van de caravan. Volgens de raad valt het beweerdelijke verblijfsrecreatieve gebruik van het perceel daarom niet onder het overgangsrecht. De raad acht het toekennen van een aanduidingsvlak "recreatiewoning" ter plaatse van de toercaravan onwenselijk, omdat de toercaravan dan mag worden vervangen door een recreatiewoning.

66.2. Aan het perceel is de bestemming "Bos" toegekend. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1998" was aan het perceel de bestemming "Multifunctioneel bos" toekend. Het gebruik van het perceel voor recreatieve doeleinden en het plaatsen van bebouwing op het perceel is niet in overeenstemming met deze bestemmingen.

Ingevolge artikel 1, onder 1.140, van de planregels wordt onder verblijfsrecreatie verstaan het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de eerste woning, waarbij ten minste één nacht wordt doorgebracht, met uitzondering van overnachtingen bij familie en kennissen.

66.3. In het deskundigenbericht staat dat rond 1970 een toercaravan en een bijgebouw op het perceel zijn geplaatst en dat [appellant sub 16] het perceel ongeveer zeven jaar geleden heeft gekocht.

66.4. In het deskundigenbericht staat dat het interieur van de caravan verouderd is, maar nog redelijk in tact is. Bedden en kasten zijn aanwezig. De caravan kan worden afgesloten, hoewel de deur van de caravan licht verbogen is, aldus het deskundigenbericht. Gelet hierop acht de Afdeling de stelling van [appellant sub 16] dat de caravan geschikt is voor verblijfsrecreatie en dat hij en zijn gezin in het voorjaar en in de zomer af en toe in het weekend overnachten in de caravan, niet onaannemelijk. De ongedateerde foto van de caravan die de raad heeft overgelegd, acht de Afdeling niet toereikend voor de vaststelling dat de caravan in een dusdanig slechte staat verkeert dat verblijfsrecreatie niet mogelijk is. Gelet op de definitie van verblijfsrecreatie, waarvan reeds sprake is als één nacht in de caravan wordt doorgebracht, heeft de raad niet aannemelijk gemaakt dat uitsluitend dagrecreatie plaatsvindt op het perceel.

66.4.1. Bij het deskundigenverslag bevinden zich fotoverslagen van door gemeenteambtenaren uitgevoerde controlebezoeken aan het perceel. Hieruit blijkt dat vier controlebezoeken aan het perceel hebben plaatsgevonden in onderscheidenlijk het jaar 1981, 1989, 2004 en 2011. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de bevindingen op grond van deze controlebezoeken ontoereikend om daaruit af te kunnen leiden dat het verblijfsrecreatieve gebruik van het perceel minstens een jaar onderbroken is geweest. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de stelling van [appellant sub 16] dat het verblijfsrecreatieve gebruik van het perceel is aangevangen voor de inwerkingtreding van het vorige plan en het daarvoor geldende plan "Buitengebied", dat is vastgesteld op 29 juni 1982, en derhalve wordt beschermd door het overgangsrecht van die plannen.

66.4.2. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich niet op goede gronden op het standpunt gesteld dat het verblijfsrecreatieve gebruik van het perceel in dit plan niet wederom onder het overgangsrecht is gebracht. Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van gebruik kan onder omstandigheden aanvaardbaar zijn. Hiervoor is in ieder geval vereist dat de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat het bestaande gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Het is evenwel niet aannemelijk gemaakt dat het verblijfsrecreatieve gebruik van het perceel binnen de planperiode zal worden beëindigd.

Dit betekent niet dat een verblijfsrecreatieve bestemming aan het perceel had moeten worden toegekend, nu gebruik in strijd met een geldende bestemming dan wel gebruik dat onder het overgangsrecht valt in beginsel geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen doet ontstaan dat een bestemming als zodanig wordt toegekend. Het had evenwel op de weg van de raad gelegen om te overwegen of voor het perceel met de caravan een uitsterfregeling in het plan had kunnen worden opgenomen.

Het betoog slaagt.

66.5. In hetgeen [appellant sub 16] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bos" ter plaatse van het perceel Postbaan (ongenummerd), kadastraal bekend gemeente Rucphen, sectie K, nummer 1636, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

66.6. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

66.7. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 1]

67. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak 30 m²" ter plaatse van zijn recreatiewoning op het perceel [locatie 18] te Rucphen. Hij voert aan dat zijn recreatiewoning een oppervlakte van 35 m² heeft. Daarnaast voert hij aan dat voor andere recreatiewoningen in het plangebied een oppervlakte van 50 m² is toegestaan.

67.1. Ter plaatse van het perceel [locatie 18] zijn de bestemming "Bos" en de aanduidingen "recreatiewoning" en "maximum bebouwd oppervlak 30 m²" toegekend.

67.2. Naar aanleiding van de zienswijze die [appellant sub 1] tegen het ontwerpplan had ingediend, heeft de raad de aanduidingen "recreatiewoning" en "maximum bebouwd oppervlak 30 m²" ter plaatse van zijn recreatiewoning in het plan opgenomen. In het verweerschrift stelt de raad zich op het standpunt dat voor de recreatiewoning van [appellant sub 1] een onjuiste maximale toegestane oppervlakte is opgenomen in het plan. Volgens de raad dient een maximale toegestane oppervlakte van 50 m² voor de recreatiewoning te worden opgenomen.

67.3. Nu de raad zich op het standpunt stelt dat voor de recreatiewoning van [appellant sub 1] een onjuiste maximale oppervlakte is opgenomen in het plan, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak 30 m²" ter plaatse van het perceel [locatie 18], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

67.4. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Verwerken dictum

68. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Verzoek om bestuurlijke lus

69. Het verzoek van de raad en [appellant sub 6] om toepassing te geven aan artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, zoals dat luidde ten tijde van belang (bestuurlijke lus), wijst de Afdeling af, gezien de aard en de omvang van de ten aanzien van dit bestemmingsplan geconstateerde gebreken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 4] en het beroep van [appellant sub 23], voor zover dat is gericht tegen de vaststelling van artikel 25, lid 25.5, onderdelen 25.5.1, 25.5.2 en 25.5.3, van de planregels, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 6], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Landgoed Jachthuis Schijf B.V., [appellant sub 14], [appellant sub 19], [appellante sub 21], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B], de minister van Defensie, de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen, [appellant sub 10], [appellant sub 16] en [appellant sub 1] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Rucphen van 29 maart 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Rucphen 2012"

A. voor zover het betreft de vaststelling van:

a. het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de werktuigenberging op het perceel [locatie 4] te Rucphen, zoals nader aangeduid op de aan deze uitspraak gehechte kaart I ([appellant sub 6]);

b. het plandeel met de bestemming "Natuur" ter plaatse van het gebied De Sneider (de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Landgoed Jachthuis Schijf B.V.);

c. het plandeel met de bestemming "Groen - landschapselement" ter plaatse van het perceel [locatie 6] te Schijf ([appellant sub 14]);

d.1. het bouwvlak voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het perceel [locatie 9] te Rucphen ([appellant sub 19]);

d.2. de maatvoeringsaanduiding "3.100" als maximaal toegestaan bebouwd oppervlak in m2 voor het perceel [locatie 9] te Rucphen ([appellant sub 19]);

e. de maatvoeringsaanduiding "2.503" als maximaal toegestaan bebouwd oppervlak in m2 voor het perceel [locatie 10] te Rucphen ([appellante sub 21]);

f. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijk" ter plaatse van het stenen gebouw met zadeldak, waarvoor op 30 juni 1988 een bouwvergunning is verleend, op het perceel Onze Lieve Vrouwestraat (ongenummerd) te Zegge, dat ten noorden en ten oosten van het perceel Onze Lieve Vrouwestraat 56 ligt ([appellant sub 9A] en [appellante sub 9B]);

g.1. het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk - Defensie" ter plaatse van het terrein Backhuys Roozeboom (de minister van Defensie);

g.2. het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk - Defensie" ter plaatse van het terrein Tentenkamp (de minister van Defensie);

g.3. het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk - Defensie" ter plaatse van het terrein Zundertseweg 45 (de minister van Defensie);

h.1. het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" ter plaatse van het zuidwestelijke deel van de gronden aan De Oliepot 9 te Rucphen, zoals nader aangeduid op de aan deze uitspraak gehechte kaart II (de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen);

h.2. artikel 3, leden 3.3.1, 3.6.1, 3.6.2, 3.6.3, 3.6.4 en 3.6.8, van de planregels (de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen);

h.3. artikel 4, leden 4.3.1, 4.6.1, 4.6.2, 4.6.3, 4.6.4 en 4.6.8, van de planregels (de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen);

h.4. artikel 5, leden 5.3.1, 5.6.1, 5.6.2, 5.6.3, 5.6.4, 5.6.5 en 5.6.7, van de planregels (de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen);

h.5. de aanduiding "recreatiewoning" ter plaatse van 35 recreatieobjecten die in het vorige plan niet als zodanig waren bestemd en waarvoor geen bouwvergunningen zijn verleend, zoals nader aangeduid op de aan deze uitspraak gehechte kaarten III-1 tot en met III-6 (de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen);

h.6. het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" ter plaatse van het perceel De Posthoorn 7a te Rucphen (de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen);

h.7. de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijk" ter plaatse van het zuidelijke, onverharde deel van de Zurendonksestraat te Sprundel (de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen);

h.8. artikel 4, lid 4.2.1, sub c, onder b, van de planregels (de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen);

h.9. artikel 5, lid 5.2.1, sub c, onder b, van de planregels (de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen);

h.10. de aanduiding "intensieve veehouderij" ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "bouwvlak" dat is toegekend aan het perceel Langendijksestraat 7 te Rucphen (de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen);

i. het plandeel met de bestemming "Bos" ter plaatse van het perceel Postbaan (ongenummerd), kadastraal bekend gemeente Rucphen, sectie K, nummer 1636 ([appellant sub 16]);

j. de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak 30 m²" voor het plandeel met de bestemming "Bos" en de aanduiding "recreatiewoning" ter plaatse van het perceel [locatie 18] te Rucphen ([appellant sub 1]);

B. voor zover daarin niet is voorzien in:

k.1. de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - onverharde weg" ter plaatse van het zuidelijke, onverharde, deel van de Kronenstraat te Sprundel (de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen);

k.2. planregels die strekken tot de verwezenlijking, het behoud en het beheer van de EVZ die op de bij de Verordening 2011 behorende kaart zijn aangewezen ter hoogte van de Zundertseweg en het Moervenstraatje te Sprundel en ter hoogte van de Rucphenseweg en de Gastelseweg te Rucphen (de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen);

k.3. de aanduiding "intensieve veehouderij" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijk" en de aanduiding "bouwvlak" dat is toegekend aan het perceel Kerkstraat 19 te Rucphen (de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen);

l. een wijzigingsbevoegdheid voor het gebruik van voormalige bedrijfswoningen als burgerwoningen in artikel 21 van de planregels ([appellant sub 10]);

IV. draagt de raad van de gemeente Rucphen op om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen tot vaststelling van het plan voor de onderdelen genoemd onder:

- III.a ([appellant sub 6]),

- III.b (de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Landgoed Jachthuis Schijf B.V.),

- III.c ([appellant sub 14]),

- III.d.1 en III.d.2 ([appellant sub 19]),

- III.e ([appellante sub 21]),

- III.f ([appellant sub 9A] en [appellante sub 9B]),

- III.g.1, III.g.2 en III.g.3 (de minister van Defensie),

- III.h.7, III.k.1, III.k.2 en III.k.3 (de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen),

- III.i ([appellant sub 16]) en

- III.l ([appellant sub 10]) te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

V. draagt de raad van de gemeente Rucphen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III.h.1, III.h.2, III.h.3, III.h.4, III.h.5, III.h.6, III.h.8, III.h.9 en III.h.10 worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. treft de voorlopige voorziening dat:

a. de maatvoeringsaanduiding "3.100" geldt als maximaal toegestaan bebouwd oppervlak in m2 voor het perceel [locatie 9] te Rucphen ([appellant sub 19]);

b. de maatvoeringsaanduiding "2.503" geldt als maximaal toegestaan bebouwd oppervlak in m2 voor het perceel [locatie 10] te Rucphen ([appellante sub 21]);

VII. bepaalt dat de onder VI getroffen voorlopige voorziening vervalt op het moment dat het nieuwe besluit als bedoeld onder IV in werking treedt;

VIII. verklaart de beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], [appellant sub 8], [appellant sub 13A] en [appellant sub 13B], [appellant sub 18A] en [appellant sub 18B], [appellant sub 23], voor zover ontvankelijk, [appellant sub 7], handelend onder de naam Recreatiepark de Zilverden, [appellant sub 17], [appellante sub 20], [appellant sub 22] en [appellant sub 2] ongegrond;

IX. veroordeelt de raad van de gemeente Rucphen tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten als volgt:

a. aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Landgoed Jachthuis Schijf B.V. een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. aan [appellant sub 19] een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. aan [appellante sub 21] een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. aan [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B] een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

e. aan de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen een bedrag van € 1.007,34 (zegge: duizendzeven euro en vierendertig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

f. aan [appellant sub 10] een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

g. aan [appellant sub 16] een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

h. aan [appellant sub 1] een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat de raad van de gemeente Rucphen aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

a. aan [appellant sub 6] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

b. aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Landgoed Jachthuis Schijf B.V. een bedrag van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro);

c. aan [appellant sub 14] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

d. aan [appellant sub 19] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

e. aan [appellante sub 21] een bedrag van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro);

f. aan [appellant sub 9A] en [appellant sub 9] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

g. aan de minister van Defensie een bedrag van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro);

h. aan de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie en de Vereniging Natuurwerkgroep gemeente Rucphen een bedrag van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

i. aan [appellant sub 10] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

j. aan [appellant sub 16] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

k. aan [appellant sub 1] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro).

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Breunese-van Goor

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014

208-618