Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1780

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
201311454/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:8755, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2012 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een tegemoetkoming in planschade niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/530
BR 2014/96 met annotatie van J.W. van Zundert
Gst. 2014/80 met annotatie van T.E.P.A. Lam, mr. L.J. Gerritsen
ABkort 2014/199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201311454/1/A2.

Datum uitspraak: 14 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Urmond, gemeente Stein (hierna: [appellante]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 november 2013 in zaak nr. 13/639 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Stein.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2012 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een tegemoetkoming in planschade niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 17 januari 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.4, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) heffen burgemeester en wethouders van de indiener van de aanvraag een recht.

Ingevolge het tweede lid wijzen burgemeester en wethouders de indiener van de aanvraag op de verschuldigdheid van het recht en delen hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de gemeente dan wel op de aangegeven plaats dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, verklaren zij de aanvraag niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2. Bij formulier, ondertekend op 15 mei 2012, heeft [appellante] verzocht om een tegemoetkoming in planschade.

Bij brief van 6 juni 2012 heeft het college de ontvangst van de aanvraag bevestigd. Daarbij is er op gewezen dat [appellante] door middel van het ondertekenen van het aanvraagformulier heeft verklaard binnen vier weken na ondertekening een recht te betalen, maar dat dit recht nog niet is ontvangen. Indien binnen de gestelde termijn geen betaling wordt ontvangen zal het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus het college.

Het college heeft aan het besluit van 21 juni 2012 ten grondslag gelegd dat [appellante] het voor de behandeling van de aanvraag verschuldigde recht niet tijdig heeft voldaan.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat er geen aanleiding bestaat om te oordelen dat het college niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 6.4, tweede lid, van de Wro, er aan voorbij gaat dat het in het te gebruiken standaardformulier voor het aanvragen van een planschadevergoeding opnemen, en door een aanvrager laten ondertekenen van een verklaring, dat hij binnen vier weken na ondertekening van dat formulier € 500,- aan griffierecht zal betalen, geen mededeling is als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, van de Wro. Deze mededeling is pas gedaan bij brief van 6 juni 2012, zodat eerst op dat moment de termijn van vier weken, waarbinnen het recht moet zijn betaald, is gaan lopen, aldus [appellante].

3.1. Het college stelt een standaardformulier ter beschikking dat kan worden gebruikt om een tegemoetkoming wegens planschade aan te vragen. Op dat formulier staat een voorgedrukte verklaring, waarbij de indiener van een aanvraag, door ondertekening van het formulier, verklaart om binnen vier weken na ondertekening, € 500,- aan griffierecht te zullen storten op het daar genoemde rekeningnummer van de gemeente, waardoor de aanvraag ontvankelijk is.

Hoewel uit de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6.4, tweede lid, van de Wro niet volgt dat de wetgever aan de in dat artikel bedoelde mededeling vormvoorschriften heeft willen verbinden, volgt uit artikel 6.4, tweede lid, van de Wro wel dat het college, nadat bij hem een aanvraag om een tegemoetkoming wegens planschade is ingediend, aan de indiener van die aanvraag de mededeling zendt dat hij een recht verschuldigd is en het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de gemeente dan wel op de aangegeven plaats dient te zijn gestort. Met het opnemen van vorenbedoelde mededeling in het door het college gebruikte standaardformulier is dit niet gebeurd. Dit betekent dan ook dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het college niet aan het bepaalde in artikel 6.4, tweede lid, van de Wro heeft voldaan.

3.2. Niet in geschil is dat de brief van 6 juni 2012 een mededeling is als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, van de Wro. Evenmin is in geschil dat het door [appellante] verschuldigde recht voor het in behandeling nemen van haar verzoek op 25 juni 2012, derhalve binnen vier weken na verzending van de bij brief van 6 juni 2012 gedane mededeling, op de rekening van de gemeente is bijgeschreven. Gelet hierop is het door [appellante] verschuldigde recht tijdig betaald en heeft het college, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

3.3. Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 17 januari 2013 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 6.4, tweede lid, van de Wro voor vernietiging in aanmerking. Het vorenstaande betekent dat het college de aanvraag van [appellante] alsnog in behandeling dient te nemen.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep te worden veroordeeld. Voor zover [appellante] heeft verzocht om vergoeding van kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, wordt dit verzoek afgewezen, reeds omdat niet is gebleken dat het verzoek, anders dan in artikel 7:15, derde lid, van de Awb is bepaald, is gedaan voordat het college op het bezwaar heeft beslist.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 november 2013 in zaak nr. 13/639;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Stein van 17 januari 2013, kenmerk CBA1247/13UIT00407;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Stein tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.461,00 (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Stein aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 796,00 (zegge: zevenhonderdzesennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt;

VII. wijst het verzoek om vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen kosten af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Wieland

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2014

502.