Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:177

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
201209799/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 22 augustus 2012 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209799/1/V4.

Datum uitspraak: 23 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank

's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 oktober 2012 in zaken nrs. 12/27091, 12/27099, 12/27093 en 12/27100 in het geding tussen:

[de vreemdelingen]

en

de minister.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 22 augustus 2012 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 5 oktober 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Dublinverordening), voor zover thans van belang, kan, in afwijking van het eerste lid, elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Dublinverordening kan iedere lidstaat, ook wanneer hij met toepassing van de in deze verordening vastgestelde criteria niet verantwoordelijk is voor de behandeling, gezinsleden en andere afhankelijke familieleden herenigen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden. In dat geval behandelt deze lidstaat op verzoek van een andere lidstaat het asielverzoek van de betrokkene. De beide betrokkenen moeten hun instemming geven.

Ingevolge het tweede lid zorgen de lidstaten er normaliter voor dat, wanneer de ene betrokkene afhankelijk is van de hulp van de andere wegens een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd, de asielzoeker kan blijven bij of wordt herenigd met een familielid dat zich op het grondgebied van een van de lidstaten bevindt, op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) 343/2003 (hierna: de Uitvoeringsverordening), is artikel 15, tweede lid, van de Dublinverordening van toepassing zowel wanneer de asielzoeker afhankelijk is van de hulp van het familielid dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt als wanneer het familielid dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt afhankelijk is van de hulp van de asielzoeker.

Ingevolge het tweede lid worden de in artikel 15, tweede lid, van de Dublinverordening beoogde situaties van afhankelijkheid zo veel mogelijk beoordeeld op grond van objectieve elementen, zoals medische attesten. Wanneer dergelijke elementen niet voorhanden zijn of niet kunnen worden overgelegd, kunnen de humanitaire redenen alleen worden geacht te zijn bewezen op grond van door de betrokken personen verstrekte overtuigende inlichtingen.

Ingevolge het derde lid wordt teneinde te beoordelen of hereniging van de betrokken personen nodig en wenselijk is, rekening gehouden met:

a) de familiesituatie die bestond in het land van herkomst;

b) de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de betrokken personen van elkaar werden gescheiden;

c) de stand van de verschillende in de lidstaten lopende asielprocedures of procedures inzake het vreemdelingenrecht.

Ingevolge het vierde lid is voor de toepassing van artikel 15, tweede lid, van de Dublinverordening in ieder geval vereist dat de asielzoeker of het familielid daadwerkelijk de nodige hulp zal verlenen. Paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), voor zover thans van belang en zoals deze gold ten tijde van belang, vermeldt dat artikel 15 van de Dublinverordening niet alleen betrekking heeft op gezinsleden in de zin van artikel 2, aanhef en onder i, maar ook op 'andere afhankelijke familieleden'. Op grond van deze bepaling zullen de lidstaten, wanneer de ene betrokkene afhankelijk is van de ander, er normaliter voor zorgen dat de asielzoeker kan blijven bij, of wordt herenigd met, een familielid dat zich op het grondgebied van één van de lidstaten bevindt op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden. De afhankelijkheid kan gelegen zijn in zwangerschap, de geboorte van een kind, ernstige ziekte, een zware handicap of een hoge leeftijd.

Aan artikel 3, tweede lid, in samenhang met artikel 15 van de Dublinverordening, kan alleen toepassing worden gegeven indien in een andere lidstaat nog geen beslissing op het asielverzoek van de betrokken vreemdeling is genomen.

Dit beleid is gegrond op het feit dat het uitgangspunt van de Dublinverordening is dat asielzoekers slechts in één land een behandeling van hun asielverzoek dienen te krijgen. Indien Nederland het asielverzoek aan zich zou trekken, terwijl een ander land al op het asielverzoek heeft beslist, zou de beslissing van het andere land door Nederland nog eens worden overgedaan. Dit is niet wenselijk en strookt niet met de doelstelling van de Dublinverordening. In deze gevallen geldt overigens dat de gezinsleden niet blijvend van elkaar worden gescheiden, omdat het gezinslid van de statushouder in Nederland via de reguliere weg mogelijk in aanmerking kan komen voor gezinshereniging. Immers, de Dublinverordening regelt de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van derdelanders. De Dublinverordening beoogt wel waarborgen te bieden voor gezinsleden die asiel hebben aangevraagd om zoveel mogelijk bijeen te houden dan wel te blijven. De Dublinverordening is echter niet bedoeld voor het op reguliere gronden verkrijgen van verblijf bij het gezinslid; hiervoor staan andere regelingen open.

3. Niet in geschil is dat België op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de in Nederland ingediende asielaanvraag.

4. In zijn grieven klaagt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de besluiten, waarin hij zich op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat op grond van artikel 3, tweede lid, in samenhang met artikel 15 van de Dublinverordening de behandeling van de aanvragen aan zich te trekken, onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig voorbereid zijn. Daartoe betoogt hij onder meer dat de voorzieningenrechter voorbij is gegaan aan zijn standpunt dat het beroep van de vreemdelingen op artikel 15 van de Dublinverordening niet kan slagen reeds omdat zij in België een volledige asielprocedure hebben doorlopen.

5. Bij de beoordeling of hij toepassing dient te geven aan artikel 15, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening hanteert de staatssecretaris het beleid van paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vc 2000, waarbij, voor zover hier van belang, niet alleen van belang is of de betrokken vreemdeling afhankelijk is van een in Nederland verblijvend familielid, maar tevens dat in een andere lidstaat nog geen beslissing is genomen op de asielaanvraag van die vreemdeling.

In aanmerking genomen artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsverordening bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid tot het vaststellen van voormeld beleid heeft kunnen komen. Nu de omstandigheden die de vreemdelingen hebben aangevoerd geen omstandigheden zijn die niet bij de vaststelling van het beleid zijn betrokken en die tot afwijking van dat beleid zouden kunnen nopen, heeft hij er voorts in redelijkheid doorslaggevend belang aan kunnen toekennen dat de vreemdelingen in België tweemaal een asielprocedure hebben doorlopen. De grieven slagen derhalve.

Voor zover de vreemdelingen in weerwil van het voorgaande menen aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden een verblijfsrecht te kunnen ontlenen, kunnen zij een daartoe strekkende aanvraag indienen.

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 22 augustus 2012 alsnog ongegrond verklaren.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 oktober 2012 in zaken nrs. 12/27091 en 12/27099;

III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Verbeek

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2014

574.