Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1762

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
201309224/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:10997, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] medegedeeld dat aan haar ten behoeve van de uitbreiding van haar woning op het perceel [locatie 1] te Velden (hierna: het perceel) van rechtswege een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309224/1/A1.

Datum uitspraak: 14 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend te Velden, gemeente Venlo (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 22 augustus 2013 in zaak nr. 12/1637 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] medegedeeld dat aan haar ten behoeve van de uitbreiding van haar woning op het perceel [locatie 1] te Velden (hierna: het perceel) van rechtswege een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend.

Bij besluit van 2 oktober 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en heeft het omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van het perceel in strijd met het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 22 augustus 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghoudster heeft daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J. Schoneveld, en het college, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, bijgestaan door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het uitbreiden van een woning met een vloeroppervlakte van 115 m² naar een oppervlakte van 140 m² ten behoeve van een woon-/slaapkamer en is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Arcen en Velden", nu deze uitbreiding is voorzien voor de voorgevelrooilijn. Het college heeft bij besluit van 2 oktober 2012 besloten met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang gelezen met artikel 4, aanhef en eerste lid, onder a, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ten behoeve van het bouwplan van het bestemmingsplan af te wijken.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid omgevingsvergunning voor het bouwplan heeft kunnen verlenen. Daartoe voert hij, onder verwijzing naar het besluit van het college van 7 december 2010 inzake een eerdere aanvraag om een uitbreiding van de woning op het perceel alsmede planregels uit recente bestemmingsplannen, aan dat uitbreidingen van woningen met een aanbouw voor de voorgevelrooilijn niet gebruikelijk zijn. Voorts stelt hij dat zijn rechten geëerbiedigd moeten worden, omdat zijn woning de oorspronkelijke woning op het perceel is en vergunninghoudster destijds akkoord is gegaan met de teruggelegen ligging van de woning aan [locatie 1]. [appellant] voert verder aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college het verlies aan uitzicht en de vermindering van lichtinval dat het bouwplan met zich brengt onvoldoende heeft gewogen.

2.1. Het college hanteert weliswaar, zoals het ter zitting heeft toegelicht, onder verwijzing naar de planregels in het bestemmingsplan alsmede recente andere bestemmingsplannen, het stedenbouwkundige uitgangspunt dat niet voor de voorgevelrooilijn wordt gebouwd, maar de rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in dit geval aanleiding heeft kunnen zien om niettemin omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwplan. Het college heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat het perceel, waarop een woonhuis en een bedrijfsgebouw stonden, in het verleden is gesplitst, waarbij op de plek van het bedrijfsgebouw een woning mogelijk is gemaakt. Het reeds aanwezige woonhuis betreft [locatie 2] en het later gerealiseerde woonhuis, waaraan de aanbouw is voorzien, betreft [locatie 1]. Verder heeft het college daarbij in aanmerking kunnen nemen dat de aangevraagde aanbouw meer dan 3 m is teruggelegen ten opzichte van de voorgevel van de naastgelegen woning [locatie 2], dat op het perceel reeds een naastgelegen uitbouw van het hoofdgebouw aanwezig is en dat de aanbouw in breedte en hoogte ondergeschikt is aan die reeds aanwezige uitbouw. Anders dan [appellant] stelt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de splitsing van het oorspronkelijke perceel [locatie 2] voor risico van beide partijen komt. Destijds zijn [appellant] en vergunninghoudster akkoord gegaan met de splitsing van het perceel. Daarmee hebben beide partijen de eventuele consequenties die daaruit zouden kunnen voortvloeien aanvaard. Niet is gebleken dat, wat daar ook van zij, destijds is afgesproken dat de rechten van [appellant] zouden worden geëerbiedigd omdat hij eigenaar is van de oorspronkelijke woning. Dat een eerdere aanvraag om omgevingsvergunning voor uitbreiding van de woning bij besluit van 7 december 2010 is geweigerd vanwege stedenbouwkundige aspecten, is, anders dan [appellant] betoogt, evenmin reden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid bij besluit van 4 juli 2011 omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen, nu dit een ander bouwplan betreft en het college ten aanzien daarvan tot een andere beoordeling heeft kunnen komen.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanbouw weliswaar een verlies van uitzicht en een verminderde lichtinval met zich brengt, maar dat daarmee niet een situatie ontstaat dat het verlies van uitzicht en de vermindering van de lichtinval dusdanig is dat het college de belangen van [appellant] zwaarder had moeten wegen dan de belangen van vergunninghoudster bij de aanbouw. Het college heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat de aanbouw weliswaar op korte afstand van de woning van [appellant] is gesitueerd, maar dat dit vooral het gevolg is van de in het verleden tot stand gekomen situering van de woningen [locatie 2] en [locatie 1] op korte afstand van de perceelgrens. Ten aanzien van de vermindering van daglichttoetreding heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat de woonkamer van de woning [locatie 2] is voorzien van meerdere ramen.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2014

374-776.