Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1741

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
201308117/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:8125, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 februari 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308117/1/V6.

Datum uitspraak: 14 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2013 in zaak nr. 12/9905 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Bij besluit van 11 september 2012 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2013 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2014.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder toelating verstaan: instemming door het bevoegd gezag met het bestendig verblijf van de vreemdeling in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, komt voor verlening van het Nederlanderschap slechts in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating en hoofdverblijf heeft.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, voor zover thans van belang, geldt dat vereiste niet met betrekking tot de verzoeker die sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba (hierna: de Handleiding) ten tijde van belang en voor zover van belang, is de vraag of sprake is van toelating als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN op zich een vreemdelingrechtelijke vraag die door het bevoegd gezag in Aruba beantwoord dient te worden. Een vreemdeling kan in Aruba verblijven op basis van het bezit van een status ingevolge artikel 1 van de Landsverordening toelating, uitzetting (en verwijdering) (hierna: de LTU(V)). In dat geval zal het bevoegd gezag op uitdrukkelijk verzoek van de vreemdeling een daartoe strekkende verklaring afgeven in welke de status ingevolge de LTU(V) wordt bevestigd. De vreemdeling dient de toelating in Aruba in de zin van de RWN aan te tonen aan de hand van een verblijfsdocument. Dit kan zijn een verklaring dat de LTU(V) niet van toepassing is, op grond van artikel 1 van de LTU(V). Een vreemdeling die in het bezit is van een dergelijke verklaring, is toegelaten voor onbepaalde tijd als bedoeld in de RWN, zolang aan de voorwaarden voor de verklaring wordt voldaan.

3. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen omdat, voor zover thans van belang, [appellante] niet tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek onafgebroken toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk heeft gehad, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN. De staatssecretaris heeft er in dit verband op gewezen dat [appellante] op 2 juni 1998 in het bezit is gesteld van een verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, van de LTU(V) (hierna: de verklaring) op grond waarvan de LTU(V) niet van toepassing is zolang [appellante] gehuwd met en inwonend is bij [echtgenoot] van Nederlandse nationaliteit. Aangezien in het bevolkingsregister is vermeld dat [appellante] sinds 20 november 2003 niet meer samenwoont met [echtgenoot], is de verklaring niet meer geldig.

Verder is op het verzoek geen van de in artikel 8, tweede en derde lid, van de RWN neergelegde, verkorte termijnen van toepassing, aldus de staatssecretaris.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat niet in geschil is dat zij niet in aanmerking komt voor de in artikel 8, tweede lid, van de RWN neergelegde verkorte termijn. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat reeds haar huwelijk met [echtgenoot] een verblijfstitel oplevert. Dat samenwoning als voorwaarde is gesteld in de verklaring maakt dat niet anders, nu deze voorwaarde geen wettelijke basis heeft, aldus [appellante].

4.1. [appellante] heeft terecht betoogd dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat niet in geschil is dat zij niet in aanmerking komt voor de verkorte termijn als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de RWN. Dit betoog kan echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden, omdat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de staatssecretaris terecht het verzoek heeft afgewezen nu [appellante] niet sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk had, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN.

De vraag of sprake is van toelating als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN is in beginsel een vreemdelingrechtelijke vraag die door het bevoegd gezag in Aruba beantwoord dient te worden. Gelet op hetgeen onder 2. en 3. is overwogen, had [appellante] sedert 20 november 2003 niet langer toelating in Aruba op basis van het bezit van de verklaring. Niet is gebleken dat zij nadien een andere verblijfstitel heeft verworven. De naturalisatieprocedure en de verblijfsrechtelijke procedure zijn gescheiden procedures. Vragen omtrent toelating horen in beginsel in de verblijfsrechtelijke procedure thuis. Het had dan ook op de weg gelegen van [appellante] om, indien zij het niet eens was met de voorwaarde van inwoning bij [echtgenoot] die aan de verklaring was verbonden, hiertegen een rechtsmiddel aan te wenden en het in die procedure aan de orde te stellen. Nu niet is gebleken dat zij dit heeft gedaan, dienen de gevolgen voor haar rekening te komen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Groenendijk

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2014

164-800.