Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1732

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
201307687/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatieterreinen en recreatiewoningen gemeente Dalfsen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307687/1/R1.

Datum uitspraak: 14 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Dalfsen,

en

de raad van de gemeente Dalfsen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatieterreinen en recreatiewoningen gemeente Dalfsen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.J. Kuijpers, en de raad, vertegenwoordigd door H.H. Lammertsen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Het bestemmingsplan voorziet in een planologische regeling voor de terreinen voor verblijfsrecreatie in het buitengebied van de gemeente Dalfsen.

3. Voor zover [appellant] betoogt dat het gezien correspondentie van voor de vaststelling van het plan lijkt alsof de besluitvorming omtrent bestemmingsplannen ten onrechte in handen ligt van het college van burgemeester en wethouders en niet van de raad, stelt de Afdeling vast dat de in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en de Awb vervatte procedure tot vaststelling van het plan is gevolgd en het besluit in overeenstemming daarmee door de raad is genomen.

Het betoog faalt.

4. [appellant], eigenaar van het perceel [locatie], richt zich voorts tegen het plandeel voor de gronden aan de Rosengaardeweg. Hij betoogt dat het gebied aan de Rosengaardeweg ten onrechte in het plan is opgenomen nu dit gebied geen recreatieterrein betreft. Het gaat immers om een gebied, waarbij elk huis op een in eigendom toebehorend afzonderlijk perceel met eigen toegang is gelegen en meer dan de helft van de bewoners beschikt over een huis waarin permanent bewoond mag worden.

4.1. De Afdeling is van oordeel dat de omstandigheid dat de woningen op afzonderlijke percelen met eigen toegang liggen niet betekent dat hier geen sprake is van een recreatieterrein. Dat in de loop der tijd permanente bewoning is ontstaan in een deel van de huizen, brengt op zich ook niet met zich dat niet of niet langer sprake is van een recreatieterrein. De raad heeft onbestreden gesteld dat het desbetreffende gebied vanaf de bouw van de eerste recreatiewoningen is bedoeld voor gebruik als recreatieterrein en dat het gebied als recreatieterrein zal worden behouden. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gebied aan de Rosengaardeweg een recreatieterrein betreft. Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat het plan permanente bewoning op zijn perceel [locatie] mogelijk zou moeten maken. In strijd met het gelijkheidsbeginsel is geen objectgebonden gedoogbeschikking voor zijn perceel opgenomen in het plan. Hierbij voert hij aan dat hij op grond van de brief van de gemeente van 26 januari 2013 ervan uit mocht gaan dat voor zijn woning een objectgebonden gedoogbeschikking zou worden afgegeven.

5.1. De raad stelt dat in de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2012 in zaak nr. 201100701/1/R2 is opgenomen dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel heeft gesteld dat, waar gemeentebesturen op het moment van inwerkingtreding van de provinciale Omgevingsverordening een objectgebonden gedoogbeschikking hebben toegekend, dit als een te respecteren bestaand recht kan worden aangemerkt, hetgeen naar het oordeel van het college door middel van een daarop toegesneden aanduiding en gebruiksvoorschrift in het plan kan worden opgenomen. Voor het perceel [locatie] was op voormeld moment van inwerkingtreding geen objectgebonden beschikking verleend. Ook nadien is die niet verleend. De raad stelt voorts dat bewoners die kunnen aantonen dat ze de recreatiewoning voor of op 31 oktober 2003 bewoonden en sedertdien onafgebroken bewonen, een persoonsgebonden omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) kunnen krijgen. Slechts voor de gevallen waarvoor geen mogelijkheid bestaat om de recreatiewoning permanent te bewonen is handhavingsbeleid vastgesteld.

5.2. Blijkens de verbeelding voorziet het plan voor het plandeel Rosengaardeweg grotendeels in de bestemming "Recreatie - Recreatiewoningenterrein" en een aantal bouwvlakken, waaronder een bouwvlak voor het perceel [locatie].

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Recreatiewoningenterrein" aangewezen gronden bestemd voor verblijfsrecreatie in recreatiewoningen.

Ingevolge lid 6.5, aanhef en onder a, wordt tot een gebruik in strijd met het plan in ieder geval gerekend het gebruik van de recreatiewoningen voor permanente bewoning, met dien verstande dat permanente bewoning op grond van een objectgebonden gedoogbeschikking zoals die zijn opgenomen in bijlage 3, lijst van permanente bewoning, is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - permanente bewoning".

5.3. Ingevolge artikel 2.12.3, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel sluiten de regels van bestemmingsplannen permanente bewoning van recreatiewoningen en recreatieverblijven uit.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, permanente bewoning van recreatiewoningen worden toegestaan met een daarop gericht persoonsgebonden overgangsrecht, een persoonsgebonden gedoogbeschikking of een persoonsgebonden ontheffing, voor zover deze recreatiewoningen vóór of op 31 oktober 2003 permanent werden bewoond en dat gebruik sindsdien onafgebroken is voortgezet.

5.4. Bij besluit van 30 juni 1994, gewijzigd bij besluit van 30 januari 1995, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dalfsen beleid vastgesteld inzake permanente bewoning van recreatiewoningen. Aan bewoners die op de peildatum 1 juli 1994 in de GBA stonden ingeschreven, dan wel op andere wijze konden aantonen de recreatiewoning permanent te bewonen, is toen een objectgebonden gedoogbeschikking verstrekt.

5.5. In paragraaf 1.1 van de beleidsregels "Persoonsgebonden omgevingsvergunning voor het permanent bewonen van een recreatiewoning" van 29 oktober 2012 staat dat het permanent bewonen van een recreatiewoning in strijd is met de geldende bestemmingsplannen. De wetgever heeft, om tot beëindiging van illegale bewoning te komen, in het Besluit omgevingsrecht de mogelijkheid opgenomen om een persoonsgebonden omgevingsvergunning te verstrekken. Dit houdt in dat een bewoner van een recreatiewoning een omgevingsvergunning kan krijgen voor het permanent bewonen van die recreatiewoning. De vergunning geldt alleen voor de desbetreffende bewoner in de desbetreffende recreatiewoning. Op het moment dat de bewoner de woning verlaat, vervalt daarmee ook het recht om de woning permanent te bewonen.

5.6. De Afdeling stelt vast dat voor de woning van [appellant] aan de [locatie] geen objectgebonden gedoogbeschikking is afgegeven. De vraag of deze beschikking terecht niet is afgegeven, kan in deze procedure niet aan de orde komen. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de gevallen waarin op grond van het in 1994 vastgestelde beleid inzake permanente bewoning van recreatiewoningen een objectgebonden gedoogbeschikking is verleend niet vergelijkbaar zijn met de situatie van [appellant]. De omstandigheid dat hij, hoewel eigenaar sinds 1989, zich pas in januari 1995 in de GBA heeft laten inschrijven, dient voor zijn rekening te blijven. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat ter zake van het plaatsen van zijn perceel op de lijst van permanente bewoning in bijlage 3 bij de planregels of het in planologisch opzicht gelijk stellen van zijn perceel aan percelen waarvoor een objectgebonden gedoogbeschikking is verleend in rechte te honoreren verwachtingen zijn gewekt. Het betoog faalt in zoverre.

De Afdeling overweegt voorts dat [appellant] volgens de raad in aanmerking komt voor een omgevingsvergunning voor het permanent bewonen van de woning op het perceel [locatie] op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo, in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Nu de raad gelet op het vorenstaande het standpunt heeft ingenomen dat permanente bewoning van de woning door [appellant] ruimtelijk aanvaardbaar is, heeft de raad in redelijkheid niet kunnen afzien van het in het plan opnemen van persoonsgebonden overgangsrecht ter zake. Niet kan worden staande gehouden dat, zoals de raad stelt, met persoonsgebonden overgangsrecht, in vergelijking tot een omgevingsvergunning als voormeld, minder duidelijk is wie tot permanente bewoning gerechtigd is. Ook is het verkrijgen van een persoonsgebonden vergunning niet gelijk te stellen aan het in het plan opnemen van persoonsgebonden overgangsrecht. Door niet in persoonsgebonden overgangsrecht te voorzien heeft de raad het plan in zoverre vastgesteld in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro. Het betoog slaagt voor het overige.

6. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het in 5.6 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 5.6 het bestreden besluit te wijzigen door voor het perceel [locatie] in de planregels persoonsgebonden overgangsrecht op te nemen.

Afdeling 3.4 van de Awb behoeft niet te worden toegepast. De raad dient de wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

7. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Dalfsen op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overweging 5.6 het daar omschreven gebrek te herstellen, en;

- de Afdeling de uitkomst mede te delen en de wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Zwemstra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2014

91-770.