Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1729

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
201308745/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:6612, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2012 heeft de Belastingdienst de aan [appellante] toegekende voorschotten zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag over 2012 opnieuw berekend en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308745/1/A2.

Datum uitspraak: 14 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 8 augustus 2013 in zaak nr. 13/564 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst).

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2012 heeft de Belastingdienst de aan [appellante] toegekende voorschotten zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag over 2012 opnieuw berekend en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 19 maart 2013 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 augustus 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2014, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de Belastingdienst, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) heeft de belanghebbende, ingeval de partner van de belanghebbende een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), geen aanspraak op een tegemoetkoming.

2. De Belastingdienst heeft aan het besluit van 21 september 2012, zoals gehandhaafd bij het besluit van 19 maart 2013, ten grondslag gelegd dat de toeslagpartner van [appellante], [naam partner], in 2012 niet rechtmatig in Nederland verblijft, waardoor ingevolge artikel 9, tweede lid van de Awir in dat jaar geen aanspraak op een tegemoetkoming bestaat.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat de partner van [appellante] in 2012 niet rechtmatig in Nederland verbleef.

4. [appellante] betoogt dat de beslissing van de Belastingdienst/Toeslagen zich niet verdraagt met artikel 8 van het EVRM. Toepassing van artikel 9, tweede lid, van de Awir leidt tot het ongewenste resultaat dat zij door het hebben van een niet rechtmatig in Nederland verblijvende partner geen recht heeft op toeslagen, terwijl de kosten voor levensonderhoud hoger zijn omdat zij ook haar partner onderhoudt. Indien zij alleen met haar in Nederland rechtmatig verblijvende kinderen zou wonen, zou zij immers wel recht hebben op de toeslagen, terwijl de kosten van levensonderhoud dan lager zouden zijn, aldus [appellante].

4.1. Tussen partijen is in geschil of uit het internationale recht kan worden afgeleid dat [appellante] niet mag worden uitgesloten van huurtoeslag, zorgtoeslag en van een kindgebonden budget, op de grond dat haar partner niet beschikt over een verblijfstitel als bedoeld in artikel 8 van de Vw 2000.

4.2. Artikel 8 van het EVRM beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging in het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van dit recht. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft meermalen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten veel belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkene.

Meer in het bijzonder heeft het EHRM in het arrest van 3 mei 2001, Domenech Pardo tegen Spanje, nr. 55996/00, overwogen dat hoewel het Verdrag als zodanig niet een recht op uitkering waarborgt, niet kan worden uitgesloten dat, in bepaalde omstandigheden, de weigering om een sociale uitkering toe te kennen, in het desbetreffende geval een wezenuitkering, problemen kan opleveren uit het oogpunt van artikel van het 8 van het EVRM, bijvoorbeeld indien ten gevolge van die weigering de normale ontwikkeling van het familie- en gezinsleven van de minderjarige onmogelijk wordt gemaakt.

4.3. Zoals ook de Centrale Raad van Beroep in het kader van aanvragen om kinderbijslag heeft overwogen (uitspraak van 24 juli 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:1170), is het Nederlandse stelsel van sociale voorzieningen zo ingericht dat in gevallen als het onderhavige een eventuele positieve verplichting op grond van het EVRM in beginsel primair rust op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen, alsmede in voorkomend geval op de bestuursorganen die anderszins belast zijn met op de situatie van een betrokkene toegesneden voorzieningen (in natura). De controle op de nakoming van zo’n verplichting rust in laatste instantie bij de rechter.

De Afdeling heeft eerder overwogen dat de verstrekking van een (voorschot) huurtoeslag en kindgebonden budget niet strekt tot het waarborgen van het bestaansminimum. Dit betekent naar het oordeel van de Afdeling dat uit artikel 8 van het EVRM geen positieve verplichting voortvloeit tot verstrekking van huurtoeslag en een kindgebonden budget. Voor een zorgtoeslag is dat niet anders. Een positieve verplichting als hier aan de orde rust primair op de bestuursorganen die zijn belast met de uitvoering van voorzieningen voor vreemdelingen.

Het voorgaande brengt mee dat ten aanzien van personen zoals [appellante] die een partner hebben die niet beschikt over een verblijfstitel als bedoeld in artikel 8 van de Vw 2000, moet worden aangenomen dat bij de beoordeling of aanspraak bestaat op een (voorschot) huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget niet betrokken behoeft te worden de vraag of uit artikel 8 van het EVRM een positieve verplichting jegens de aanvrager voortvloeit tot verstrekking van zo’n voorziening. De rechtbank heeft in het betoog van [appellante] derhalve terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de weigering van de Belastingdienst voorschotten huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget aan haar te verstrekken strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM.

Het betoog faalt.

5. De Afdeling wijst het verzoek van [appellante] om aanhouding van deze zaak totdat op een klacht die is ingediend namens E. Yesthla bij het EHRM is beslist af, reeds omdat die klacht geen betrekking heeft op haar situatie.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2014

97-680.