Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1721

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
201304769/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 21 februari 2012 heeft het college verzoeken van [appellanten] om wijziging van hun persoonsgegevens in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de gba) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304769/1/A3.

Datum uitspraak: 14 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Hoorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 april 2013 in zaak nr. 12/2212 in het geding tussen:

[appellant A]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn.

Procesverloop

Bij besluiten van 21 februari 2012 heeft het college verzoeken van [appellanten] om wijziging van hun persoonsgegevens in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de gba) afgewezen.

Bij besluit van 1 augustus 2012 heeft het college de door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 april 2013 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2013, waar [appellanten], bijgestaan door mr. H. Zengin, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, zoals deze bepaling ten tijde van belang luidde, worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift, als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift, als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift, als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift, als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Ingevolge artikel 37, tweede lid, zoals die bepaling ten tijde van belang luidde en voor zover thans van belang, worden aan een geschrift, als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

2. Op 9 januari 2012 hebben [appellanten] verzoeken ingediend tot wijziging van hun in de gba opgenomen persoonsgegevens. [appellant A] heeft verzocht zijn voornaam te wijzigen van [voornaam] in [voornaam], zijn geboortedatum van [geboortedatum] in [geboortedatum] en zijn geboorteplaats van [plaats] in [plaats]. [appellante B] heeft verzocht haar naam te wijzigen van [naam] in [naam] en haar geboortedatum van [geboortedatum] in [geboortedatum].

3. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat zij voldoende documenten hebben overgelegd op grond waarvan hun persoonsgegevens kunnen worden vastgesteld en in de gba kunnen worden gewijzigd.

3.1. Dit is een niet nader gemotiveerde herhaling van een beroepsgrond, waarop de rechtbank in de aangevallen uitspraak gemotiveerd is ingegaan. [appellanten] hebben geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van deze beroepsgrond door de rechtbank onjuist dan wel onvolledig is. Gelet hierop kan het aangevoerde niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

4. [appellanten] voeren voorts aan dat de rechtbank er aan is voorbijgegaan dat zij hebben aangevoerd dat zij in het kader van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet (hierna: de regeling) op 21 december 2007 een verklaring tot aanpassing van hun identiteit in de administratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst en de gba (hierna: de verklaring) hebben ingevuld waarin zij de juiste persoonsgegevens hebben vermeld, maar zij in de verklaring bij vergissing hebben aangekruist dat zij hun identiteit niet willen herstellen en het college ten onrechte geen aanleiding heeft gezien hun persoonsgegevens in de gba te wijzigen.

4.1. [appellanten] hebben in de verklaring de persoonsgegevens vermeld zoals zij die na wijziging in de gba vermeld willen zien. Voorts hebben zij in de verklaring aangekruist dat daarbij een kopie van een op naam gesteld nationaal paspoort, identiteitsbewijs, een gelegaliseerde geboorteakte of een gewaarmerkt uittreksel is overgelegd. Onder verwijzing naar deze omstandigheden hebben [appellanten] aannemelijk gemaakt dat zij in de verklaring bij vergissing hebben aangekruist dat zij hun identiteit in de gba niet willen herstellen. Nu blijkens het verslag van de hoorzitting over de door [appellanten] ingediende bezwaarschriften het college heeft verklaard dat, indien in de verklaring zou zijn aangekruist dat zij hun identiteit in de gba willen herstellen, de wijziging zonder nader onderzoek zou zijn geaccepteerd en in de gba zou zijn doorgevoerd, heeft het college ten onrechte niet onderzocht of [appellanten] de vereiste documenten bij de verklaring hebben overgelegd en of daaraan persoonsgegevens kunnen worden ontleend.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het door [appellanten] tegen het besluit van 1 augustus 2012 ingestelde beroep gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het college moet met in achtneming van deze uitspraak en de Wet basisregistratie personen, zoals die met ingang van 6 januari 2014 in werking is getreden, een nieuw besluit op de door [appellanten] gemaakte bezwaren nemen, waarbij het tevens moet beslissen op de verzoeken van [appellanten] om vergoeding van de door hen in verband met de behandeling van de bezwaren gemaakte kosten. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te bepalen dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit op de door [appellanten] gemaakte bezwaren slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

6. Het college moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 april 2013 in zaak nr. 12/2212;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouder van Hoorn van 1 augustus 2012, kenmerk HAB 2540 en 2541/12.31060;

V. bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Hoorn te nemen nieuwe besluit op de bezwaren van [appellanten] slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hoorn tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.948,00 (zegge: negentienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hoorn aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 395,00 (zegge: driehonderdvijfennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2014

382-782.