Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1717

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
201306209/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:3981, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 14 november 2012 heeft [appellant] het college verzocht een gemeentestempel te plaatsen op een gewijzigde bouwtekening van 15 augustus 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2014/121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306209/1/A1.

Datum uitspraak: 14 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Wijk en Aalburg, gemeente Aalburg,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 mei 2013 in zaken

nrs. 12/4639 en 13/1950 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalburg.

Procesverloop

Bij brief van 14 november 2012 heeft [appellant] het college verzocht een gemeentestempel te plaatsen op een gewijzigde bouwtekening van 15 augustus 2007.

Bij uitspraak van 16 mei 2013 heeft de rechtbank onder meer het door [appellant] ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dat verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. I.J.J.M. Rooda, advocaat te Rosmalen, en het college, vertegenwoordigd door drs. E.D. Kamsteeg en mr. G. Verweij, bijgestaan door mr. A. de Snoo en mr. D.J. de Jongh, advocaten te Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 27 februari 2001 heeft het college [appellant] een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een recreatiewoning op het perceel [locatie 1] te Veen (hierna: de recreatiewoning). Niet in geschil is dat [appellant] de recreatiewoning heeft gebouwd in afwijking van de verleende bouwvergunning.

Bij besluit van 17 april 2007 heeft het college geweigerd om [appellant] onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning eerste fase te verlenen ter legalisering van de recreatiewoning. Bij besluit van 6 november 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dat besluit is in rechte komen vast te staan met de uitspraak van 17 juni 2009, in zaak nr. 200807894/1/H1, waarin de Afdeling het door [appellant] ingestelde hoger beroep ongegrond heeft verklaard.

Op 14 november 2012 heeft [appellant] het college verzocht om een gemeentestempel te plaatsen op een gewijzigde bouwtekening van 15 augustus 2007 met terugwerkende kracht per 23 augustus 2007, de datum van indiening ervan bij het college. [appellant] heeft daarbij verzocht om door het college op dezelfde wijze te worden behandeld als het [belanghebbende] heeft behandeld. Volgens [appellant] heeft [belanghebbende] een bouwtekening ingediend voor de recreatiewoning op het perceel [locatie 2], die in afwijking van de aan [belanghebbende] op 10 december 2007 verleende vergunning is gebouwd en voor de recreatiewoning op het perceel [locatie 3], die zonder vergunning is gebouwd. Het college heeft deze bouwtekening op 25 mei 2009 van een gemeentestempel voorzien, aldus [appellant]. [appellant] heeft voorts verwezen naar de brief van het college van 18 juni 2009 aan [belanghebbende], waarin het heeft gesteld dat het kan instemmen met de ingediende bouwtekening en dat met de waarmerking daarvan ook de bouwstop is opgeheven.

[appellant] heeft tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek beroep ingesteld.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij met de aanvraag geen legalisering van de recreatiewoning heeft beoogd, nu het bestemmingsplan geen recreatiewoningen toestaat, maar het gedogen van zijn recreatiewoning op dezelfde wijze als het college de recreatiewoningen van [belanghebbende] op de percelen [locatie 2] en [locatie 3] gedoogt.

2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge het derde lid wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijk gesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

2.2. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek een gemeentestempel te plaatsen op een gewijzigde bouwtekening van 15 augustus 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Uit dat verzoek blijkt niet dat [appellant] heeft verzocht om een gedoogverklaring. Het plaatsen van een stempel op een gewijzigde bouwtekening is een feitelijke handeling, niet gericht op rechtsgevolg en derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het niet tijdig nemen van een beslissing op dit verzoek betreft dan ook niet het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, zodat daartegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat. De rechtbank was daarom onbevoegd van het door [appellant] ingestelde beroep kennis te nemen. Zij kon derhalve geen ontvankelijkheidsoordeel geven.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover aangevallen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene, de rechtbank alsnog onbevoegd verklaren van het beroep kennis te nemen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 mei 2013, in zaken nrs. 12/4639 en 13/1950, voor zover aangevallen;

III. verklaart de rechtbank onbevoegd om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen;

IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2014

407-757.