Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1713

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
201304673/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:3432, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2010 heeft het LBIO aan [appellant] een ouderbijdrage opgelegd van € 120,33 per maand wegens de plaatsing van zijn dochter in een residentiële voorziening met ingang van 18 augustus 2010.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304673/1/A2.

Datum uitspraak: 14 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Dordrecht, van 18 april 2013 in zaak nr. 12/1000 in het geding tussen:

[appellant]

en

het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: het LBIO).

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2010 heeft het LBIO aan [appellant] een ouderbijdrage opgelegd van € 120,33 per maand wegens de plaatsing van zijn dochter in een residentiële voorziening met ingang van 18 augustus 2010.

Bij besluit van 1 augustus 2012 heeft het LBIO het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 18 april 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het LBIO heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2014, waar [appellant] en het LBIO, vertegenwoordigd door mr. L. Nobels, werkzaam aldaar, zijn verschenen.

De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Bij besluit van 26 februari 2014 heeft het LBIO opnieuw op het door [appellant] gemaakte bezwaar beslist en dat bezwaar ongegrond verklaard.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een verdere behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. Met het besluit van 26 februari 2014 heeft het LBIO het besluit van 1 augustus 2012 ingetrokken. [appellant] heeft dan ook geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.

2. Aan het besluit van 26 februari 2014 heeft het LBIO ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat een van de uitzonderingsgronden, op grond waarvan kan worden afgezien van het opleggen van een ouderbijdrage, van toepassing is. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikelen 6:19, eerste lid, van die wet, tevens geacht onderwerp te zijn van dit geding.

3. Ingevolge artikel 1:392, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zijn de ouders gehouden tot het verstrekken van levensonderhoud op grond van bloed- of aanverwantschap.

Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg (hierna: Wjz) zijn de onderhoudsplichtige ouders aan het Rijk een bijdrage verschuldigd in de kosten van aan een jeugdige geboden jeugdzorg van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vorm die verzorging en verblijf omvat, waarop hij ingevolge deze wet aanspraak heeft.

Ingevolge artikel 71, eerste lid, is geen ouderbijdrage verschuldigd indien:

a. de jeugdige met het oog op adoptie niet meer door zijn ouders wordt verzorgd en opgevoed;

b. de ouders van het gezag over de jeugdige zijn ontheven of ontzet;

c. het verblijf en de verzorging worden geboden in een acute noodsituatie, zulks voor de duur van ten hoogste zes weken.

Ingevolge het tweede lid is geen ouderbijdrage verschuldigd door de ouder of stiefouder ten aanzien van wie de rechter op de voet van de artikelen 1:406 en 1:407 van het BW, of van artikel 822, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een bedrag heeft bepaald dat hij periodiek moet betalen ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kind of stiefkind.

4. [appellant] betoogt dat het LBIO hem ten onrechte een ouderbijdrage heeft opgelegd voor de uithuisplaatsing van zijn dochter. Daartoe voert [appellant] aan dat niet hij, maar zijn dochter heeft besloten dat zij het ouderlijk huis zou verlaten. [appellant] heeft na haar vertrek diverse instanties van het vertrek op de hoogte gesteld en de kinderbijslag die hij voor zijn dochter ontving, gestopt. Daarnaast verzoekt [appellant] om kwijtschelding van de ouderbijdrage omdat hij over onvoldoende inkomen beschikt om de bijdrage te voldoen.

4.1. [appellant] is als ouder op grond van artikel 1:392, eerste lid, aanhef en onder a, van het BW onderhoudsplichtig als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de Wjz, en daarom in beginsel een ouderbijdrage verschuldigd voor de aan zijn dochter geboden jeugdzorg. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 juli 2009 in zaak nr. 200806958/1/H2) bevat artikel 71 van de Wjz een limitatieve opsomming van uitzonderingssituaties waarin geen ouderbijdrage is verschuldigd. De door [appellant] aangedragen omstandigheden zijn geen omstandigheden als bedoeld in dat artikel, zodat het LBIO terecht niet heeft afgezien van het opleggen van een ouderbijdrage.

Het besluit van 26 februari 2014 heeft slechts betrekking op het opleggen van de ouderbijdrage door het LBIO. Het verzoek van [appellant] om kwijtschelding van de ouderbijdrage kan daarom in deze procedure niet aan de orde komen.

Het betoog faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Nu het LBIO met het besluit van 26 februari 2014 dat van 1 augustus 2012 heeft ingetrokken, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb het LBIO te gelasten het door [appellant] betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 26 februari 2014 ongegrond;

III. gelast dat het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 551,00 (zegge: vijfhonderdeenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2014

362-799.