Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1712

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
201302483/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:721, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 24 november 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] over 2010 en 2011 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag herzien op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302483/1/A2.

Datum uitspraak: 14 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Breda,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 januari 2013 in zaak nr. 12/2438 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 24 november 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] over 2010 en 2011 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag herzien op nihil gesteld.

Bij besluit van 11 april 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2014, waar [appellante], bijgestaan door mr. M.J. Hoogendoorn, advocaat te Utrecht, is verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 augustus 2010 is de Wet kinderopvang (hierna: Wko) gewijzigd in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de nieuwe Wko).

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, zoals deze luidde ten tijde van belang, onderscheidenlijk artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de nieuwe Wko, zoals deze luidde ten tijde van belang, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk indien het gastouderopvang betreft in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, onderscheidenlijk artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), geldt deze wet voor inkomensafhankelijke regelingen.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekt een belanghebbende de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. Bij onderscheiden besluiten van 31 maart en 4 december 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] een voorschot kinderopvangtoeslag over 2010 en 2011 toegekend, als tegemoetkoming voor de door haar gemaakte kosten voor gastouderopvang die plaatsvond via [gastouderbureau].

Bij onderscheiden besluiten van 24 november 2011, gehandhaafd bij besluit van 11 april 2012, heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag op nihil gesteld, omdat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij kosten heeft gemaakt voor kinderopvang en de door haar overgelegde overeenkomst met het gastouderbureau niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij kosten heeft gehad voor kinderopvang in 2010 en 2011. Zij stelt dat zij haar eigen bijdrage en de bemiddelingskosten heeft voldaan en dat het gastouderbureau de ontvangen kinderopvangtoeslag doorbetaalde aan de gastouder. Zij wijst op de door haar in hoger beroep overgelegde bankafschriften van de gastouder uit 2010 en 2011, waar betaling door het gastouderbureau volgens haar uit blijkt. Voorts betoogt zij dat de Belastingdienst/Toeslagen, in plaats van het op nihil stellen van de kinderopvangtoeslag, deze dient vast te stellen tot het bedrag aan kosten waarvan is aangetoond dat zij daadwerkelijk zijn gemaakt.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 29 augustus 2012, in zaak nr. 201200684/1/A2), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko onderscheidenlijk 1.7, van de nieuwe Wko, dat degene die aanspraak op kinderopvangtoeslag maakt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte van die kosten is.

3.1.1. Over 2010 heeft [appellante] € 20.188,00 aan voorschotten kinderopvangtoeslag ontvangen. Op de twee jaaropgaven van het gastouderbureau die [appellante] heeft overgelegd, zijn verschillende bedragen (€ 32.881,20, respectievelijk € 26.460,00) aan kosten voor kinderopvang vermeld.

[appellante] heeft bankafschriften waaruit de betalingen van het gastouderbureau aan de gastouder zouden moeten blijken, alsmede bankafschriften waaruit de betalingen van haar aan het gastouderbureau blijken, overgelegd. Het bedrag dat uit die bankafschriften gezamenlijk blijkt, € 16.338,00, komt niet overeen met de voorschotten en de bedragen op de jaaropgaven.

3.1.2. Over 2011 heeft [appellante] € 16.418,00 aan voorschotten kinderopvangtoeslag ontvangen. Zij heeft over dit jaar geen jaaropgave overgelegd, maar de met het gastouderbureau gesloten overeenkomst. Daaruit volgt dat zij over 2011 een totaal bedrag aan kosten van€ 22.800,00 aan kosten zou moeten hebben gehad.

[appellante] heeft bankafschriften overgelegd waar de betalingen van het gastouderbureau aan de gastouder uit blijken, overgelegd, alsmede bankafschriften waar de betalingen van haar aan het gastouderbureau uit blijken. Het bedrag dat uit die bankafschriften gezamenlijk blijkt, € 13.212,70, komt niet overeen met de voorschotten en het bedrag, voortvloeiend uit de overeenkomst.

3.1.3. [appellante] heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat zij de met het gastouderbureau overeengekomen kosten voor kinderopvang heeft gehad.

3.2. Dat [appellante] kan aantonen dat zij een deel van de kosten van kinderopvang over 2010 en 2011 wel heeft voldaan, wat daar ook van zij, betekent, anders dan zij betoogt, niet dat zij aanspraak kan maken op een evenredig lager voorschot. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie uitspraak van 2 april 2014 in zaak nr. 201209147/1/A2), baseert de Belastingdienst/Toeslagen zich bij de vaststelling van de tegemoetkoming op de tussen partijen gemaakte afspraken, die, gelet op artikel 52, eerste lid, van de Wko, onderscheidenlijk artikel 1.52, eerste lid, van de nieuwe Wko, vastgelegd dienen te zijn in een schriftelijke overeenkomst. Daarbij heeft de Belastingdienst/Toeslagen te kennen gegeven dat hij, gelet op het feit dat zich gedurende het toeslagjaar omstandigheden kunnen voordoen waardoor behoefte bestaat om van de in de schriftelijke overeenkomst vastgelegde afspraken af te wijken, bereid is de kinderopvangtoeslag te berekenen aan de hand van de aan hem doorgegeven gewijzigde afspraken. Een dergelijke wijziging van afspraken kan ook uit de jaaropgave blijken.

Nu, gelet op het onder 3.1.1 en 3.1.2 overwogene, het bedrag aan kosten dat [appellante] blijkens de gegevens verschuldigd is niet overeenkomt met het bedrag van de daadwerkelijk betaalde kosten, moet worden aangenomen dat de kinderopvang niet op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52, eerste lid, van de Wko, onderscheidenlijk artikel 1.52, eerste lid, van de nieuwe Wko, heeft plaatsgevonden. Het gevolg daarvan is dat [appellante] geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag en de Belastingdienst/Toeslagen de toeslag terecht op nihil heeft gesteld.

Het betoog faalt.

4. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellante] over 2010 en 2011 geen recht op kinderopvangtoeslag heeft. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd met betrekking tot de overeenkomst op basis waarvan de gastouderopvang heeft plaatsgevonden, behoeft daarom geen bespreking meer.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2014

362-729.