Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:171

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
201211425/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 augustus 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "West - Terschelling 2012" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211425/1/R4.

Datum uitspraak: 29 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1A], gevestigd te Formerum, gemeente Terschelling, en [appellant sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [appellante sub 2], gevestigd te Formerum, gemeente Terschelling,

3. [appellant sub 3], wonend te West-Terschelling, gemeente Terschelling,

4. [appellant sub 4], wonend te West-Terschelling, gemeente Terschelling,

5. [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], beiden wonend te West-Terschelling, gemeente Terschelling,

6. [appellante sub 6], wonend te West-Terschelling, gemeente Terschelling, en anderen,

7. [appellant sub 7], wonend te Landerum, gemeente Terschelling,

8. [appellant sub 8], wonend te West-Terschelling, gemeente Terschelling,

en

de raad van de gemeente Terschelling,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2012 heeft de raad het bestemmingsplan

"West - Terschelling 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 5], [appellante sub 6] en anderen, [appellant sub 7] en [appellant sub 8] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende A], [belanghebbende B] en [belanghebbende C] hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 7] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2013, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [appellant sub 1B]; [appellante sub 2], vertegenwoordigd door C. Zeldenrust, [gemachtigde] en W. van Looijengoed; [appellant sub 3]; [appellant sub 4], bijgestaan door [appellant sub 3]; [appellanten sub 5]; [appellante sub 6] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Riessen, advocaat te Amsterdam; [appellant sub 7], bijgestaan door mr. I.M.C. van Leeuwen, advocaat te Arnhem, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.C. van Oosten, advocaat te Amsterdam, en H.T. Smit en J.J.W. Hellevoort, beide werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A], [belanghebbende B] en [belanghebbende C], allen vertegenwoordigd door [appellant sub 3], gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een plan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor de kern West-Terschelling.

De beroepen van [appellant sub 1] en [appellante sub 6] en anderen wat betreft de percelen Molenstraat 5 en Willem Barentszkade 23

Het beroep van [appellante sub 6] en anderen

3. [appellante sub 6] en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover daarbij aan het perceel Molenstraat 5, alsmede aan een gedeelte van het perceel Willem Barentszkade 23, de bestemming "Horeca" met de functieaanduiding "horeca van categorie 3" is toegekend. Volgens hen is, mede gezien bijlage 3 "Indeling Horecabedrijven" bij de planregels, onduidelijk dat ter plaatse spijs- en maaltijdverstrekkende activiteiten en drankverstrekkende activiteiten niet zijn toegestaan.

[appellante sub 6] en anderen betogen dat het plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan een verslechtering van hun woon- en leefklimaat met zich brengt. Dit is volgens hen in strijd met de toezegging van de raad dat het plan conserverend van aard is en zou worden vastgehouden aan de bestemmingen in het vorige bestemmingsplan.

Zij voeren voorts aan dat de bestemming "Horeca" langs de gehele perceelgrens van hun perceel [locatie 1] is toegekend, waardoor zij overlast vrezen als gevolg van terrassen en uitstallingen binnen deze bestemming. De zinsnede dat "in beperkte mate" terrassen en uitstallingen zijn toegestaan, is niet objectief bepaalbaar en daardoor in strijd met de rechtszekerheid, aldus [appellante sub 6] en anderen.

3.1. De raad stelt dat met het plan is aangesloten bij de gebruiksmogelijkheden van het vorige bestemmingsplan. De raad stelt voorts dat het verstrekken van drank en maaltijden alleen aan eigen gasten is toegestaan.

Volgens de raad betekent de zinsnede "in beperkte mate" dat het perceel in hoofdzaak bebouwd dient te zijn ten behoeve van het horecapand en bijbehorende bouwwerken. Eventueel resterende onbebouwde gronden kunnen onder meer worden gebruikt ten behoeve van een terras waarvoor eerst een exploitatievergunning dient te worden aangevraagd, aldus de raad.

3.2. Het perceel Molenstraat 5 en het desbetreffende deel van het perceel Willem Barentszkade 23 hebben de bestemming "Horeca" met de functieaanduiding "horeca van categorie 3".

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, onder a, sub 1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Horeca" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen en overkappingen ten behoeve van horecabedrijven, welke zijn genoemd in bijlage 3, in de vorm van:

- logiesverstrekkers, ter plaatse van de aanduiding "horeca van categorie 3".

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn de voor "Horeca" bestemde gronden in beperkte mate bestemd voor terrassen en uitstallingen.

Ingevolge lid 10.4, aanhef en onder d, voor zover hier van belang, wordt tot een gebruik in strijd met de bestemming in ieder geval gerekend:

de drank- en maaltijdverstrekking bij logiesverstrekkers ter plaatse van de aanduiding "horeca van categorie 3" anders dan aan eigen gasten, tenzij de gronden ter plaatse tevens zijn voorzien van de aanduiding "horeca van categorie 1".

3.3. In bijlage 3 bij de planregels wordt onder horeca van categorie 3 (logies) onder meer Hotel/hotel-Garni en Hotel-Café-Restaurant genoemd. Gezien artikel 10, lid 10.4, aanhef en onder d, van de planregels is het ter plaatse niet toegestaan - anders dan aan eigen gasten - spijs- en maaltijdverstrekkende activiteiten en drankverstrekkende activiteiten te laten plaatsvinden, nu de raad aan voornoemde percelen de functieaanduiding "horeca van categorie 1" niet heeft toegekend.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 6] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit zich in zoverre niet verdraagt met het uit het rechtszekerheidsbeginsel voortvloeiende vereiste dat een besluit duidelijk en slechts voor één uitleg vatbaar dient te zijn.

3.4. In het vorige bestemmingsplan "partiële herziening bestemmingsplan West-Terschelling / Centrum Molenstraat 5 en 7" was aan het perceel Molenstraat 5 en aan een gedeelte van het perceel Willem Barentszkade 23 de bestemming "Horecabedrijven klasse I" toegekend zonder nadere aanduiding. Ingevolge artikel 3, onder A, van de planvoorschriften behorende bij voornoemd plan, voor zover hier van belang, waren de op de kaart voor "Horecabedrijven klasse I" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van hotels en pensions, met de daarbij behorende bijgebouwen, terreinen, tuinen en/of erven, andere bouwwerken en andere werken. Gelet op de definitie van hotel of pension in artikel 1.12 van voornoemde planvoorschriften was het toegestaan om ter plaatse maaltijden en dranken aan eigen gasten te verstrekken. Het gebruik van de gronden ten behoeve van een terras wordt in het vorige bestemmingsplan niet expliciet benoemd.

[appellante sub 6] en anderen hebben gezien het vorenstaande niet aannemelijk gemaakt dat het plan in zoverre ruimere mogelijkheden ten opzichte van het vorige bestemmingsplan biedt voor de percelen Molenstraat 5 en Willem Barentszkade 23 en daarmee een onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat met zich brengt voor [appellante sub 6] en anderen.

3.5. De raad heeft ter zitting toegelicht dat geen maximum aantal m² voor terrassen in het plan is opgenomen om flexibel met verzoeken tot het exploiteren van een terras om te kunnen gaan. De raad heeft voorts benadrukt dat met de zinsnede "in beperkte mate" is bedoeld inzichtelijk te maken dat geen grootschalige terras wordt toegestaan, nu, na verlening van de hiertoe vereiste exploitatievergunning, slechts de eventuele resterende onbebouwde gronden kunnen worden ingericht ten behoeve van een terras dat gezien het bepaalde in artikel 10, lid 10.4, aanhef en onder d, van de planregels ter plaatse alleen door eigen gasten kan worden gebruikt.

Gelet hierop en gezien de beperkte ter plaatse aanwezige ruimte voor een terras hebben [appellante sub 6] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het in beperkte mate toestaan van terrassen en uitstallingen binnen de bestemming "Horeca" zal leiden tot onaanvaardbare overlast ter plaatse van hun perceel [locatie 1]. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het terras niet meer dan het aantal eigen gasten kan bevatten gezien artikel 10, lid 10.4, aanhef en onder d, van de planregels. Voorts ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 6] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit zich wat betreft de zinsnede "in beperkte mate" in artikel 10, lid 10.1, onder c, van de planregels zich niet verdraagt met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het betoog faalt in zoverre.

Het beroep van [appellant sub 1]

4. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met het plan voor zover het door hem opgestelde zogenoemde postzegelplan "Hotel de Holland" (hierna: het postzegelplan) voor het perceel Molenstraat 5 en gedeeltelijk het perceel Willem Barentszkade 23 daarin niet is opgenomen. Volgens hem heeft de raad het postzegelplan tegen alle beloftes in en op basis van onjuiste argumenten verworpen. Bovendien is volgens hem toegezegd dat zogenoemde stille horeca zou worden toegestaan op het perceel Willem Barentszkade 23 en is dit ten onrechte niet opgenomen in het plan. [appellant sub 1] betoogt voorts dat ten onrechte de mogelijkheid tot het realiseren van een kelder voor zijn percelen Molenstraat 5 en Willem Barentszkade 23, in tegenstelling tot het vorige bestemmingsplan, niet meer bij recht is toegestaan, nu hiervoor een omgevingsvergunning is vereist. Tot slot raakt het plan hem onevenredig zwaar in zijn financiële belangen, aldus [appellant sub 1].

4.1. De raad stelt dat in de raadsvergadering van 20 december 2011 is besloten geen medewerking te verlenen aan het postzegelplan. Tegen dit besluit heeft [appellant sub 1] rechtsmiddelen aangewend waardoor het besluit ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet onherroepelijk was. Bij de vaststelling van het plan hebben zich volgens de raad geen gewijzigde omstandigheden voorgedaan die hebben geleid tot een ander standpunt. De raad heeft dan ook gekozen om de in het vorige bestemmingsplan "partiële herziening bestemmingsplan West-Terschelling / Centrum Molenstraat 5 en 7" opgenomen planregeling over te nemen, met uitzondering van het toestaan van kelders ter plaatse.

4.2. Het perceel Molenstraat 5 en het desbetreffende deel van het perceel Willem Barentszkade 23 hebben de bestemming "Horeca" met de functieaanduiding "horeca van categorie 3".

[appellant sub 1] heeft vóór de vaststelling van het plan het postzegelplan ingediend. De raad heeft aan het niet opnemen van dit postzegelplan in het voorliggende plan dezelfde argumenten ten grondslag gelegd die naar voren zijn gebracht op de raadsvergadering van 20 december 2011. Deze argumenten zijn gelegen in de ongewenste toename van het bouwvolume, zorgen wat betreft de bouwwerkzaamheden voor de gewenste kelder en een combinatie van te veel functies die voor overlast bij omwonenden zouden kunnen zorgen.

Het postzegelplan is opgesteld, omdat zogenoemde stille horeca als functie diende te worden toegevoegd en de goothoogte van het door [appellant sub 1] gewenste gebouw in strijd was met het vorige bestemmingsplan. De Afdeling stelt evenwel vast dat de bouwhoogte van voornoemd gebouw de toegestane maximale bouwhoogte van het vorige bestemmingsplan niet overschrijdt. In het vorige bestemmingsplan waren tevens kelders bij recht toegestaan en werd eveneens in meerdere functies ter plaatse voorzien door de daarin toegekende bedrijven- en horecabestemming voor de percelen Molenstraat 5 en Willem Barentszkade 23.

Gelet op voornoemde mogelijkheden die het vorige bestemmingsplan bood voor de percelen van [appellant sub 1] en de geringe wijzigingen ten opzichte hiervan in het postzegelplan, heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt waarom het postzegelplan desondanks ruimtelijk niet aanvaardbaar kan worden geacht. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is evenmin gebleken hoe het niet opnemen van het postzegelplan is afgewogen tegen de belangen van [appellant sub 1]. Het bestreden besluit berust dan ook niet op een deugdelijke motivering en is daarmee in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wat betreft de bestemming "Horeca" met de functieaanduiding "horeca van categorie 3" voor het perceel Molenstraat 5 en het desbetreffende deel van het perceel Willem Barentszkade 23. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen verdere bespreking.

Het beroep van [appellante sub 6] en anderen voor het overige

5. [appellante sub 6] en anderen betogen dat de raad ten onrechte het ter plaatse aanwezige aangebouwde tuinhuis niet als onderdeel van het hoofdgebouw heeft betrokken in de grootte van het in het plan opgenomen bouwvlak voor het perceel [locatie 1], te meer omdat het tuinhuis als woonruimte wordt gebruikt.

5.1. De raad stelt dat het plan het gebruik van aangebouwde bijgebouwen voor permanente bewoning toestaat.

5.2. Het perceel [locatie 1] heeft de bestemming "Wonen - 2".

Ingevolge artikel 28, lid 28.4, aanhef en onder g, van de planregels wordt tot een strijdig gebruik met deze bestemming in ieder geval gerekend het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor permanente bewoning.

5.3. De raad heeft ter zitting toegelicht voor het plan als uitgangspunt te hanteren dat voor bijgebouwen geen bouwvlak in het plan wordt opgenomen. Gelet hierop is het desbetreffende aangebouwde tuinhuis niet meegenomen als onderdeel van het hoofdgebouw. Dit uitgangspunt komt de Afdeling, gezien de bouwmogelijkheden die het plan binnen bouwvlakken biedt, niet onredelijk voor. De Afdeling neemt voorts in aanmerking dat het gebruik van het aangebouwde tuinhuis ten behoeve van wonen gelet op artikel 28, lid 28.4, aanhef en onder g, van de planregels niet tot strijdig gebruik met de bestemming "Wonen - 2" wordt gerekend.

Het betoog faalt in zoverre.

6. [appellante sub 6] en anderen betogen voorts dat het in het plan weergegeven bouwvlak op hun perceel [locatie 1] ten onrechte is verkleind ten opzichte van het vorige plan, nu dit niet doorloopt tot de perceelgrens van Molenstraat 5. Dit is volgens hen in strijd met het standpunt van de raad in de Reactienota zienswijzen dat de bouwvlakken overeenkomstig het vorige bestemmingsplan zijn vastgelegd.

6.1. De raad heeft toegelicht dat bij de vaststelling van het plan abusievelijk het bouwvlak op het perceel [locatie 1] niet is aangepast overeenkomstig het gestelde in de Reactienota zienswijzen en dat dit alsnog dient te gebeuren.

Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb te betrachten zorgvuldigheid bij het voorbereiden van een besluit. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij het bouwvlak voor de [locatie 1] niet tot de perceelsgrens van Molenstraat 5 is vastgesteld. De Afdeling ziet aanleiding op hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.

Het beroep van [appellant sub 1] voor het overige

Ontvankelijkheid

7. [appellant sub 1] betoogt dat de bestemming "Horeca" aan het perceel [locatie 2] dient te worden toegekend en voorts dat de mogelijkheid tot fietsenhandel en/of fietsenverhuur voor dit perceel in het plan diende te worden opgenomen.

7.1. Het beroep van [appellant sub 1], voor zover gericht tegen de mogelijkheden die het plan biedt voor zijn perceel [locatie 2], steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, zoals deze luidden ten tijde van belang, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre niet-ontvankelijk.

De percelen [locatie 3], [locatie 4] en [locatie 5]

8. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met het plan voor zover daarbij, in tegenstelling tot het vorige bestemmingsplan, voor de percelen [locatie 3], [locatie 4] en [locatie 5] fietsenhandel en/of fietsenverhuur niet is toegestaan. Volgens hem wordt hij hierdoor beperkt in zijn bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden. [appellant sub 1] wijst er op dat op nabijgelegen percelen, onder meer de Torenstraat 8 en [locatie 9], wel fietsenhandel en/of fietsenverhuur is toegestaan. [appellant sub 1] betoogt dat fietsenhandel en/of fietsenverhuur ter plaatse geen nadelige gevolgen voor de omgeving met zich brengt.

[appellant sub 1] betoogt dat de bestemming "Bedrijf" dient te worden toegekend aan zijn perceel [locatie 4] en dat voor de panden aan de [locatie 3] en 5a de mogelijkheid tot verhuur ten behoeve van recreatie, personeel en studenten in het plan dient te worden behouden.

8.1. De raad acht het niet wenselijk om ter plaatse van de percelen van [appellant sub 1] fietsenhandel en/of fietsenverhuur toe te staan, nu overeenkomstig de "Beleidsnotitie Fietsenverhuurbedrijven Terschelling" en het structuurplan "Terschelling voorbij 2000" alleen bestaande verhuuradressen worden gehandhaafd teneinde een wildgroei van bedrijven met ruimtelijk onwenselijke gevolgen te voorkomen. De raad kent geen concrete plannen van [appellant sub 1] voor het gebruik van voornoemde percelen ten behoeve van fietsenhandel en/of fietsenverhuur.

De raad stelt dat het huidige gebruik van het perceel [locatie 4], wonen, als zodanig is bestemd. Een verzoek van [appellant sub 1] tot wijziging van de bestemming van voornoemd perceel is volgens de raad niet in behandeling genomen vanwege het, ondanks het herhaaldelijk verzoek hiertoe, ontbreken van aanvullende stukken.

De raad stelt tot slot dat wat betreft de panden aan de [locatie 3] en [locatie 5] is aangesloten bij het vorige bestemmingsplan. Volgens de raad biedt de bestemming "Wonen - 2" via een afwijkingsbevoegdheid de mogelijkheid tot recreatieve verhuur en kan via een afwijkingsbevoegdheid binnen de bestemming "Detailhandel" verhuur aan tijdelijk personeel worden toegestaan.

8.2. Het perceel [locatie 3] heeft de bestemming "Detailhandel". Het perceel aan de [locatie 4]/[locatie 5] heeft de bestemming "Wonen - 2". Voornoemde percelen zijn niet voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - fietsenverhuur".

Ingevolge artikel 7, lid 7.4, aanhef en onder a, van de planregels wordt in ieder geval tot strijdig gebruik van gronden met de bestemming "Detailhandel" gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatieve doeleinden en/of de tijdelijke huisvesting van personeel.

Ingevolge lid 7.4, aanhef en onder c, wordt tot strijdig gebruik met de bestemming "Detailhandel" gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken voor fietsenverhuur, tenzij de gronden ter plaatse zijn voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - fietsenverhuur".

Ingevolge lid 7.5, voor zover hier van belang, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 7.4, onder a, in die zin dat de gebouwen worden gebruikt voor het inrichten van ruimten ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van personeel ten behoeve van het ter plaatse gevestigde bedrijf, mits voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden.

Ingevolge artikel 28, lid 28.4, aanhef en onder e, voor zover hier van belang, wordt tot een gebruik strijdig met de bestemming "Wonen - 2" in ieder geval gerekend het gebruik van een woonhuis voor recreatieve bewoning.

Ingevolge lid 28.5, aanhef en onder a, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 28.4, onder e, in die zin dat de gronden en bouwwerken in combinatie met het wonen worden gebruikt voor recreatieappartementen ten behoeve van recreatieve bewoning in het hoofdgebouw, mits wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden.

8.3. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Niet in geschil is dat [appellant sub 1] de percelen [locatie 3], [locatie 4] en [locatie 5] in het verleden niet heeft gebruikt en ook thans niet in gebruik heeft ten behoeve van fietsenhandel en/of fietsenverhuur. Evenmin is van concrete plannen daartoe gebleken.

Gelet hierop en het gehanteerde beleidsuitgangspunt van de raad om in het plan geen nieuwe mogelijkheden tot fietsenhandel en/of fietsenverhuur op te nemen, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij de bestaande situatie ter plaatse. Daarbij heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het voorkomen van wildgroei van bedrijven ten behoeve van fietsenhandel en/of fietsenverhuur en de onwenselijke ruimtelijke uitstraling als gevolg hiervan dan aan het belang dat [appellant sub 1] heeft bij het behoud van zijn mogelijkheden tot fietsenhandel en/of fietsenverhuur op grond van het vorige bestemmingsplan.

Wat betreft de door [appellant sub 1] gewenste bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 4] overweegt de Afdeling, dat van [appellant sub 1], gezien zijn eerdere verzoek tot het wijzigen van de bestemming van het pand aan de [locatie 4] naar "Bedrijf", mocht worden verlangd dat hij een compleet plan voor de door hem gewenste invulling zou aandragen naar aanleiding waarvan de benodigde onderzoeken konden worden verricht. Vast staat dat [appellant sub 1] voor de vaststelling van het plan niet een dergelijk plan heeft ingediend.

Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid kunnen aansluiten bij de bestaande situatie ter plaatse van het perceel [locatie 4].

8.4. Gelet op het bepaalde in artikel 7, lid 7.5 en artikel 28, lid 28.5, onder a, van de planregels biedt het plan voor [appellant sub 1] wat betreft het pand aan de [locatie 3] de mogelijkheid om op grond van een omgevingsvergunning verhuur ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van personeel en wat betreft het pand aan de [locatie 5] ten behoeve van recreatieve bewoning toe te staan. De raad heeft toegelicht dat verhuur is toegestaan aan personen die zijn ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA).

Het plan biedt in zoverre dan ook de door [appellant sub 1] gewenste mogelijkheden ten aanzien van verhuur van zijn panden aan de [locatie 3] en [locatie 5]. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn belang om bij recht voornoemde panden op de door hem gewenste wijze te gebruiken zo zwaar dient te wegen dat de raad niet in redelijkheid de mogelijkheden ten behoeve van verhuur aan tijdelijk personeel en recreatieve verhuur onder een afwijkingsbevoegdheid heeft kunnen opnemen.

Het betoog faalt.

Kelder

9. [appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte de mogelijkheid tot het realiseren van een kelder voor zijn percelen [locatie 2] en [locatie 4], in tegenstelling tot het vorige bestemmingsplan, niet meer bij recht is toegestaan maar hiervoor een omgevingsvergunning is vereist. Volgens hem dient eventuele uitbreiding van zijn bedrijf in de kelder plaats te vinden en hebben reeds vele panden een kelder gerealiseerd.

9.1. Ingevolge artikel 7, lid 7.2, onder 7.2.1, sub e en artikel 28, lid 28.2, onder 28.2.2, sub e, van de planregels zullen binnen de bestemmingen "Detailhandel" en "Wonen- 2" geen kelders worden gebouwd.

Ingevolge artikel 7, lid 7.3, onder a, en artikel 27, lid 27.3, onder a, kan hiervan met een omgevingsvergunning worden afgeweken in die zin dat een kelder wordt gebouwd, mits:

- geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

9.2. Het realiseren van kelders is, in tegenstelling tot het vorige bestemmingsplan, gelet op de hiervoor geciteerde planregels, niet toegestaan ter plaatse van voornoemde percelen van [appellant sub 1]. Bestaande rechten dienen in beginsel te worden gerespecteerd door middel van een passende bestemmingsregeling. Dit uitgangspunt kan slechts uitzondering vinden als een dergelijke bestemmingsregeling op basis van gewijzigde planologische inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang van de nieuwe regeling zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen.

Met het voorliggende plan is het niet langer mogelijk om kelders te realiseren, omdat het toestaan van kelders volgens de raad een ongewenste precedentwerking heeft en voorts onduidelijkheid bestaat over de gevolgen voor de waterdruk van het duinmassief. De raad heeft niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door een onderzoek, dat problemen kunnen ontstaan met de waterdruk van het duinmassief, indien het realiseren van kelders wordt toegestaan in het plan. Het had op de weg van de raad gelegen om hierover, evenals de volgens de raad ongewenste precedentwerking, inzicht te verschaffen.

Voor zover de raad stelt dat met de belangen van [appellant sub 1] rekening is gehouden doordat een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen om het realiseren van kelders onder voorwaarden mogelijk te maken, overweegt de Afdeling dat het in de rede had gelegen om reeds bij de vaststelling van het plan te bezien of een kelder bij [appellant sub 1] bij recht kan worden toegestaan.

Gezien het vorenstaande heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt hoe de belangen die zijn gediend bij het niet toestaan van kelders ter plaatse zijn afgewogen tegen de belangen van [appellant sub 1]. Het bestreden besluit berust derhalve niet op een deugdelijke motivering en is daarmee in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb genomen. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het niet langer mogelijk is kelders te realiseren bij de percelen [locatie 2] en [locatie 4]. De Afdeling ziet aanleiding de raad een opdracht te geven op dit punt.

Het beroep van [appellant sub 4]

10. [appellant sub 4] kan zich niet met het plan verenigen voor zover het eraan in de weg staat dat het bijgebouw op zijn perceel [locatie 6] te West-Terschelling permanent wordt bewoond. Hij betoogt dat niet het bijgebouw, maar het hoofdgebouw op voornoemd perceel de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - recreatieverblijf" dient te krijgen. [appellant sub 4] voert hiertoe aan dat hij het desbetreffende bijgebouw sinds 1998 onafgebroken permanent heeft bewoond. Tegen het permanent bewonen van het bijgebouw en het recreatief verhuren van het hoofdgebouw is nooit opgetreden en het gebruik van voornoemde gebouwen valt onder het overgangsrecht, aldus [appellant sub 4]. Hij betoogt voorts dat voornoemd hoofdgebouw, onder meer vanwege de ligging, ongeschikt is voor permanente bewoning en dit gebouw wat betreft oppervlakte nauwelijks verschilt van het desbetreffende bijgebouw.

Volgens [appellant sub 4] hebben bijgebouwen op andere nabijgelegen percelen, onder meer Burgemeester Swaanstraat 5, wel de bestemming "Wonen - 1" toegekend gekregen. Hij betoogt tot slot dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in het plan de mogelijkheid tot het permanent bewonen van het bijgebouw op zijn perceel dient te worden mogelijk gemaakt, nu hij in verband met ziekte is verhuisd naar het bijgebouw en financieel afhankelijk is van het verhuren van zijn hoofdgebouw.

10.1. De raad stelt te hebben aangesloten bij het planologische regime onder het vorige bestemmingsplan "West-Terschelling/centrum". De raad acht het vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt onwenselijk om het desbetreffende bijgebouw als woning aan te merken. Volgens de raad geldt voor heel Terschelling het uitgangspunt dat woningen niet op achtererven worden gesitueerd gezien de significante toename van het bouwvolume op het achtererf en de onwenselijke gevolgen daarvan voor de omwonenden.

10.2. Het perceel [locatie 6] heeft de bestemming "Wonen - 1" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - recreatieverblijf" . Het bouwvlak omvat enkel het op dit perceel aanwezige hoofdgebouw. Het desbetreffende bijgebouw is gelegen binnen het bestemmingsvlak "Wonen - 1" met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - recreatieverblijf".

Ingevolge artikel 27, lid 27.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen - 1" aangewezen gronden bestemd voor woonhuizen en aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen.

Ingevolge lid 27.1, aanhef en onder b, zijn de voor "Wonen - 1" aangewezen gronden bestemd voor vrijstaande bijgebouwen in de vorm van een recreatiebedrijf ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - recreatieverblijf".

Ingevolge lid 27.2, onder 27.2.1, sub b, zal een hoofdgebouw binnen het bouwvlak worden gebouwd.

Ingevolge lid 27.4, aanhef en onder f, wordt tot strijdig gebruik gerekend het gebruik van een woonhuis voor recreatieve bewoning, met uitzondering van recreatieve bewoning waarvan het gebruik op 1 juni 1994 en sindsdien onafgebroken en door dezelfde persoon/personen is voortgezet.

Ingevolge lid 27.4, aanhef en onder h, wordt tot strijdig gebruik gerekend het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor permanente bewoning.

Ingevolge lid 27.4, aanhef en onder j, wordt tot strijdig gebruik gerekend het gebruik van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen voor recreatieve bewoning, tenzij het gronden betreft ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - recreatieverblijf".

Ingevolge lid 27.5, aanhef en onder a, kan met een omgevingsvergunning, worden afgeweken van het bepaalde in lid 27.4 onder f en j in die zin dat de gronden en bouwwerken in combinatie met het wonen worden gebruikt voor recreatieappartementen ten behoeve van recreatie bewoning in het hoofdgebouw, mits wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden.

Ingevolge artikel 40, lid 40.2, onder a, mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge lid 40.2, onder d, is lid 40.2 onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

10.3. Gelet op het voorgaande staat het plan het door [appellant sub 4] gewenste gebruik van zijn hoofdgebouw ten behoeve van recreatieve bewoning en zijn bijgebouw ten behoeve van permanente bewoning niet toe. De Afdeling vat gezien de systematiek van artikel 27 van de planregels het beroep van [appellant sub 4] aldus op dat het bouwvlak op het perceel [locatie 6] dient te worden verplaatst van het aanwezige hoofdgebouw naar het bijgebouw.

10.4. [appellant sub 4] heeft het perceel [locatie 6] in 1994 in eigendom gekregen. In het vorige bestemmingsplan "West-Terschelling/centrum", dat is vastgesteld op 9 januari 1986 en goedgekeurd op 4 juni 1987, had het perceel van [appellant sub 4] de bestemming "Woonhuizen klasse I". Gelet op artikel 3, onder E, lid 2, sub c en d, van de planvoorschriften behorende bij voornoemd bestemmingsplan was het gebruik van hoofdgebouwen voor recreatieve bewoning en het gebruik van bijgebouwen voor bewoning niet toegestaan. [appellant sub 4] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van zijn hoofdgebouw voor recreatieve bewoning en het gebruik van zijn bijgebouw voor permanente bewoning valt onder de beschermende werking van het algemene overgangsrecht zoals neergelegd in artikel 40, lid 40.2, van de planregels.

Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat het gebruik van zijn hoofdgebouw ten behoeve van recreatieve bewoning onder de uitzondering van artikel 27, lid 27.4, onder f, van de planregels valt, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat voornoemd hoofdgebouw reeds vanaf 1 juni 1994 onafgebroken door dezelfde persoon ten behoeve van recreatieve bewoning is voortgezet.

In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het situeren van woningen op achtererven onwenselijk heeft kunnen achten gezien de ruimtelijke gevolgen hiervan.

De door [appellant sub 4] gemaakte vergelijking met andere bijgebouwen die de bestemming "Wonen - 1" toegekend hebben gekregen, treft geen doel. Voor deze gebouwen geldt tevens het verbod van het gebruik hiervan voor permanente bewoning op grond van artikel 27, lid 27.4, onder h, van de planregels.

Gelet op het voorgaande heeft de raad wat betreft het perceel van [appellant sub 4] in redelijkheid kunnen aansluiten bij het planologisch regime onder het voorgaande bestemmingsplan.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2]

De percelen [locatie 7] en [locatie 8]

11. [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met de gewijzigde vaststelling van het plan waarbij ten opzichte van het ontwerpplan de aanduidingen "specifieke bouwaanduiding - kelder" en "specifieke vorm van bedrijf - fietsenverhuur" voor haar percelen [locatie 7] en [locatie 8] zijn komen te vervallen. Volgens haar heeft de raad hieraan onjuiste argumenten ten grondslag gelegd. [appellante sub 2] stelt te kunnen voldoen aan het in de planregels opgenomen vereiste om aan te tonen dat een kelder kan worden gerealiseerd zonder daarbij schade te veroorzaken. Volgens [appellante sub 2] vindt verhuur van fietsen alleen plaats vanuit haar bedrijfspand aan de [locatie 9] en niet vanuit de panden aan de [locatie 8] en [locatie 7]. Zij betoogt tot slot dat haar voorgenomen nieuwbouw- en verbouwplannen een verbetering opleveren voor de woon- en leefomgeving en de verkeerssituatie aan de Willem Barentszkade.

11.1. De raad acht het onwenselijk om uitbreiding van fietsenverhuur vanuit een woning mogelijk te maken. De raad stelt dat deze uitbreiding van de capaciteit voor fietsenhandel en -verhuur niet binnen het in het structuurplan "Terschelling voorbij 2000" opgenomen beleid past. De raad stelt voorts dat geen aanleiding bestaat voor de percelen van [appellante sub 2] af te wijken van het beleidsuitgangspunt binnen het plangebied geen kelders toe te staan. De raad wijst op de mogelijkheid een omgevingsvergunning hiervoor aan te vragen.

11.2. Het perceel [locatie 7] heeft de bestemming "Wonen - 1". Het perceel [locatie 8] heeft de bestemming "Wonen - 2".

Ingevolge artikel 27, lid 27.2, onder 27.2.1, sub d, en artikel 28, lid 28.2, onder 28.2.1, sub d, van de planregels zullen binnen deze bestemmingen geen kelders worden gebouwd.

Ingevolge lid 27.3, onder a en lid 28.3, onder a, kan hiervan met een omgevingsvergunning worden afgeweken in die zin dat een kelder wordt gebouwd, mits:

- geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

11.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [appellante sub 2] reeds vanaf 2009 overleg met de gemeente heeft gevoerd over de door haar gewenste nieuwbouw- en verbouw op de percelen [locatie 7] en [locatie 8]. Het ontwerpplan voorzag daarin met de aanduidingen "specifieke bouwaanduiding - kelder" en "specifieke vorm van bedrijf - fietsenverhuur" voor voornoemde percelen.

In de Reactienota zienswijzen is naar aanleiding van zienswijzen ten aanzien van de ruimtelijke aanvaarbaarheid van voornoemde aanduidingen het navolgende overwogen: "Het fietsenverhuurbedrijf van [appellante sub 2] is en blijft gevestigd op het perceel [locatie 9], alwaar de volwaardige bedrijfsvoering plaatsvindt. De woonpercelen [locatie 7] en [locatie 8] worden alleen gebruikt voor de bouw van een kelder waarbinnen de opslag van fietsen plaats kan vinden. Ter plaatse van voornoemde woonpercelen biedt het plan geen mogelijkheden de verkoop en/of verhuur van fietsen uit te breiden. De opslag van fietsen is zowel qua omvang als ruimtelijke invloed ondergeschikt aan de woonfunctie, temeer daar in de regels is vastgelegd dat de fietsenverhuur ter plaatse van de bestemming "Wonen - 1" uitsluitend ondergronds mag plaatsvinden. Het bestaande bedrijf wordt passend geacht op de huidige locatie, waarbij met de plannen een sterke verbetering van de situatie wordt bewerkstelligd. Het verplaatsen van de activiteiten van [appellante sub 2] vanuit de openbare ruimte aan de Willem Barentszkade naar de voorziene kelder, heeft positieve effecten op de verkeersveiligheid en de beleving van het straatbeeld. Ook zullen daarmee de drukte en overlast op straat voor omwonenden afnemen", aldus de Reactienota zienswijzen.

De raad heeft bij het bestreden besluit amendement I aangenomen. Dit amendement strekt ertoe de in het ontwerpplan opgenomen aanduidingen "specifieke bouwaanduiding - kelder" en "specifieke vorm van bedrijf - fietsenverhuur" te verwijderen voor de percelen [locatie 7] en [locatie 8]. De raad achtte het niet langer wenselijk kelders bij recht toe te staan; bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning diende te worden afgewogen of voor voornoemde percelen fietsverhuur is gewenst. Het niet verwijderen van de desbetreffende aanduiding zou volgens de raad kunnen leiden tot ongewenste situaties, namelijk fietsverhuur vanuit een woning.

11.4. Bij de vaststelling van een plan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad dient deze keuze, mede in het licht van de te maken belangenafweging, zorgvuldig te motiveren. Met het amendement noch anderszins heeft de raad gemotiveerd waarom hij de desbetreffende aanduidingen, in aanmerking genomen de Reactienota zienswijzen, ruimtelijk onaanvaardbaar acht. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat, zoals desgevraagd ter zitting bevestigd, geen sprake is van een uitbreiding van het bedrijf van [appellante sub 2] maar van een verplaatsing van haar opslag-activiteiten en het voorts aannemelijk is dat ter plaatse kan worden voldaan aan de in de planregels opgenomen voorwaarden voor het realiseren van een kelder.

Het bestreden besluit berust in zoverre dan ook niet op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd wat betreft de bestemming "Wonen - 1" voor het perceel [locatie 7] en de bestemming "Wonen - 2" voor het perceel [locatie 8].

Het beroep van [appellant sub 3]

Ontvankelijkheid

12. In artikel 6:4, derde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, is bepaald dat het instellen van beroep op een administratieve rechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter.

Ingevolge artikel 8:24, eerste lid, kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Indien een beroep is ingesteld bij de Afdeling kan zij ingevolge het artikel 8:24, tweede lid, van de gemachtigde, niet zijnde een advocaat, een schriftelijke machtiging verlangen. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, kan het beroep ingevolge artikel 6:6 niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

13. Het beroepschrift van [appellant sub 3] is beweerdelijk mede namens [7 appellanten sub 3], [appellant sub 4], [belanghebbende D], [belanghebbende E] en [belanghebbende F] ingediend, nu [appellant sub 3] namens hen heeft ondertekend. Uit de stukken blijkt niet dat [appellant sub 3] is gemachtigd beroep in te stellen namens [7 appellanten sub 3], [appellant sub 4], [belanghebbende D], [belanghebbende E] en [belanghebbende F].

De Afdeling heeft [appellant sub 3] bij aangetekende brief van 15 maart 2013 verzocht de gestelde vertegenwoordiging aan te tonen. Hij is tot en met 29 maart 2013 hiertoe in de gelegenheid gesteld. De gestelde vertegenwoordiging is niet binnen voornoemde termijn aangetoond. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant sub 3] in verzuim is geweest.

Gelet op het voorgaande is het beroep voor zover het beweerdelijk namens [7 appellanten sub 3], [appellant sub 4], [belanghebbende D], [belanghebbende E] en [belanghebbende F] is ingediend niet-ontvankelijk.

14. Het beroep van [appellant sub 3] voor zover ingediend namens [belanghebbende G] steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro en artikel 6:13 van de Awb, zoals deze luidden ten tijde van belang, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 3] voor zover ingediend namens Tot is dan ook niet-ontvankelijk.

Bouwhoogten woningen

15. [appellant sub 3] heeft ter zitting toegelicht dat zijn beroep is gericht tegen de in het plan opgenomen bouwhoogten voor woningen. Volgens hem leiden deze bouwhoogten tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van de bewoners en voorts tot waardedaling van de woningen binnen het plangebied. [appellant sub 3] acht een maximale bouwhoogte van 8,5 m voor alle woningen in het plangebied wenselijk.

15.1. Ingevolge artikel 27, lid 27.2, onder 27.2.1, aanhef en sub f, van de planregels, geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen binnen de bestemming "Wonen - 1" dat de bouwhoogte van een hoofdgebouw ten hoogste 10 m zal bedragen.

Ingevolge artikel 28, lid 28.2, onder 28.2.1, aanhef en sub f, geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen binnen de bestemming "Wonen - 2" dat de bouwhoogte van een hoofdgebouw ten hoogste 11 m zal bedragen.

15.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de in het plan opgenomen verschillende bouwhoogten voor woningen zijn afgestemd op de bestaande situatie en gesteld dat deze bouwhoogten voor geheel Terschelling gebruikelijk zijn. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan opgenomen bouwhoogten voor woningen niet zullen leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van bewoners. Ook acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat grond bestaat voor de verwachting dat de waardedaling van woningen binnen het plangebied zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de bestaande situatie ter plaatse.

16. [appellant sub 3] heeft zich in zijn beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van zijn zienswijze. In de Reactienota zienswijzen is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 3] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting, redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

17. [appellant sub 7] betoogt dat aan zijn perceel [locatie 10] ten onrechte de bestemming "Detailhandel" met de aanduiding "specifieke vorm van horeca - tearoom" ) is toegekend in plaats van de in het ontwerpplan opgenomen bestemming "Horeca" met de aanduiding "h=4" (stille horeca). Volgens hem doet het plan geen recht aan de feitelijke vergunde situatie ter plaatse, een croissanterie-traiterie met terras. [appellant sub 7] verwijst in dit verband naar de verleende exploitatievergunning en terrasvergunning. Hij betoogt dat de toegekende bestemming en aanduiding leiden tot onduidelijkheid over het gebruik ter plaatse en het thans aanwezige terras.

[appellant sub 7] wijst tot slot op de mogelijkheden ingevolge de "Beleidsnotitie stille horeca" en de toezegging die hem hieromtrent is gedaan bij brief van het college van burgemeester en wethouders van 17 februari 2009.

17.1. De raad stelt het huidige gebruik van de croissanterie-traiterie ter plaatse als zodanig te hebben bestemd waardoor [appellant sub 7] zijn huidige bedrijfsvoering kan voortzetten. De planregeling voor het perceel [locatie 10] sluit volgens de raad aan bij de "Beleidsnotitie Tearooms c.a.". De raad acht het onwenselijk een horecabestemming toe te kennen, omdat met het plan slechts is beoogd het bestaande gebruik ter plaatse te conserveren.

17.2. Het perceel [locatie 10] heeft, voor zover hier van belang, de bestemming "Detailhandel" met de nadere aanduiding "specifieke vorm van horeca - tearoom".

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, sub 3, van de planregels zijn de voor "Detailhandel" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen en overkappingen ten behoeve van detailhandelsbedrijven in combinatie met een tearoom, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - tearoom".

Ingevolge artikel 24, lid 24.4, aanhef en onder a, wordt tot een strijdig gebruik met de bestemming "Verkeer - Verblijf 1" in ieder geval gerekend het gebruik van gronden ten behoeve van terrassen anders dan ten dienste van en grenzend aan het ter plaatse gevestigde horecabedrijf, voorzien van een bestemmingsvlak met de bestemming "Horeca".

17.3. Uit de "Beleidsnotitie Tearooms c.a.", zoals aangehaald in de plantoelichting, volgt dat voorzichtigheid wordt betracht met het toestaan van de verkoop van etenswaren vanuit winkels en het nuttigen hiervan ter plaatse om een wezenlijke groei van de horecasector en eventuele overlast tegen te gaan. Het beleid is primair gericht op de kwaliteitsverbetering van de bestaande vestigingen. Gelet op het aanbod in de reguliere horeca wordt vastgehouden aan het incidentele en ondergeschikte karakter van ondersteunende horeca bij winkels. Dit beleid wordt voortgezet door de desbetreffende bedrijven een nadere aanduiding toe te kennen op de verbeelding, aldus de plantoelichting.

Bij besluit van 28 januari 2011 is aan [appellant sub 7] vergunning verleend voor het exploiteren van een horecabedrijf in het pand aan de [locatie 10] en de exploitatie van een terras gedurende de openingstijden van voornoemd bedrijf. In deze exploitatievergunning wordt onder meer verwezen naar de voorwaarde dat het gebruik als lunch- en tearoom (dit begrip bevat ook de croissanterie-traiterie) ondergeschikt dient te zijn aan de detailhandelfunctie, in die zin dat van de verkoopruimte maximaal 50% van de oppervlakte voor dit doel mag worden gebruikt.

17.4. Hoewel de raad heeft beoogd de aard van het bestaande gebruik op het perceel [locatie 10] als zodanig en overeenkomstig voornoemde exploitatievergunning te bestemmen is ter zitting komen vast te staan dat het gebruik van de gronden bij het perceel [locatie 10] ten behoeve van het vergunde terras niet kan worden voortgezet, omdat artikel 24, lid 24.4, aanhef en onder a, van de planregels een dergelijk gebruik van deze gronden uitsluit.

De Afdeling ziet hierin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb te betrachten zorgvuldigheid bij het voorbereiden van een besluit. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij het gebruik van de gronden ten behoeve van het vergunde terras ter plaatse niet als zodanig is bestemd. De Afdeling ziet aanleiding op hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.

17.5. De raad heeft het, gezien de mogelijke invloed op de woonomgeving, de verkeersdruk en het beslag op de openbare ruimte, onwenselijk geacht ter plaatse een horecabestemming toe te staan. Daarmee heeft de raad aangesloten bij zijn beleid om voorzichtigheid te betrachten met het toestaan aldaar van de verkoop van etenswaren en het nuttigen hiervan. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen om ter plaatse geen bestemming "Horeca" toe te kennen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het bestaande gebruik ter plaatse overeenkomstig voornoemd beleid als zodanig is bestemd.

Het betoog van [appellant sub 7] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, slaagt niet. De brief van 17 februari 2009 van het college van burgemeester en wethouders waarnaar [appellant sub 7] in dat kader verwijst, spreekt slechts van ‘bij de herziening van het bestemmingsplan aandacht besteden aan onderhavig perceel’ en vermeldt dat het vaststellen van een bestemmingsplan een bevoegdheid is van de raad. [appellant sub 7] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad in lijn met deze brief verwachtingen zijn gewekt dat in het plan de bestemming "Horeca" zou worden toegekend aan het perceel [locatie 10]. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 5]

18. [appellanten sub 5] kunnen zich niet met het plan verenigen voor zover het eraan in de weg staat een seniorenwoning te realiseren op hun perceel kadastraal bekend gemeente West-Terschelling, sectie A, nummer 3806 (hierna: het perceel). Volgens hen stelt de raad ten onrechte dat de seniorenwoning beeldverstorend zal werken, nu zij deze seniorenwoning niet aan de voorzijde van de Prinses Margrietlaan wensen te realiseren. [appellanten sub 5] betogen dat de seniorenwoning ter plaatse ruimtelijk goed inpasbaar is en dat de raad criteria ten aanzien van ruimtelijke aanvaardbaarheid willekeurig toepast. Zij verwijzen in dit verband naar de in het bestemmingsplan "West-Terschelling - Dennenweg (Brede School)" voorziene Brede School op korte afstand van hun perceel.

Voorts betogen [appellanten sub 5] dat het realiseren van de seniorenwoning niet in strijd is met het Woonplan Terschelling 2008-2016 (hierna: het Woonplan) en op diverse andere locaties wel wordt meegewerkt aan het realiseren van woningen.

18.1. De raad stelt dat het realiseren van een woning op het perceel inbreuk maakt op het karakter van de bebouwing aan de zuidzijde van de Prinses Margrietlaan. Volgens de raad is het perceel in het Woonplan niet aangewezen als een inbreidings- of invullocatie. De raad stelt voorts dat de vergelijking met de voorziene Brede School niet opgaat, nu het realiseren van de Brede School, onder meer ter vervanging van een reeds bestaande school, andere ruimtelijke effecten met zich brengt dan de bouw van een nieuwe woning ter plaatse en voorts verschillende beleidskaders van toepassing zijn.

18.2. Het perceel heeft de bestemming "Wonen - 2". Op het perceel is geen bouwvlak gesitueerd.

Ingevolge artikel 28, lid 28.2, onder 28.2.1, sub b, van de planregels zal een hoofdgebouw binnen het bouwvlak worden gebouwd.

18.3. Het plan laat, gezien het ontbreken van een bouwvlak, het realiseren van een woning op het perceel niet toe. De raad heeft als uitgangspunt bij het plan gehanteerd het realiseren van nieuwe woningen alleen dan toe te staan, indien de desbetreffende locatie als inbreidings- dan wel invullocatie in het Woonplan is aangewezen en niet mee te werken aan particuliere invullocaties. Het perceel is niet als zodanig in het Woonplan aangewezen. De raad heeft voorts in aanmerking genomen dat de zuidzijde van de Prinses Margrietlaan, waar het perceel is gelegen, zich kenmerkt door woningen op ruime percelen zonder gebouwen tussen de woningen en de Prinses Margrietlaan en een extra woning ter plaatse leidt tot een verstoring van dit beeld.

De raad heeft voornoemd uitgangspunt en kenmerken van de locatie mogen betrekken bij zijn afweging. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang de huidige ruimtelijke structuur van de zuidzijde van de Prinses Margrietlaan te behouden dan aan het belang dat [appellanten sub 5] hebben bij de mogelijkheid een woning op het perceel te kunnen realiseren.

Het beroep van [appellanten sub 5] op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. In hetgeen zij hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de voorziene Brede School verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat de ruimtelijke uitstraling van een brede school, mede ter vervanging van het thans aanwezige schoolgebouw, verschilt van de nieuwbouw van een woning en de door hen genoemde ontwikkelingen niet overeenkomen met de situatie aan de zuidzijde van de Prinses Margrietlaan. Ook de toelichting van de raad ten aanzien van de door [appellanten sub 5] genoemde woningen op andere locaties, te weten dat het realiseren van deze woningen voortvloeit uit het Woonplan, is niet gemotiveerd betwist.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

19. [appellant sub 8] kan zich niet verenigen met de in het plan opgenomen mogelijkheden tot het realiseren van woningen aan de Douwe Totlaan. Volgens hem heeft ten onrechte geen overleg plaatsgevonden met de bewoners van voornoemde straat.

[appellant sub 8] vreest voorts als gevolg van de voorziene woningen in het plan een aantasting van zijn privacy en uitzicht, verkeer- en parkeerproblemen en een waardedaling van zijn huis.

19.1. De raad stelt dat de voorziene woningen ten opzichte van de huidige situatie slechts tot een geringe wijziging leiden. De thans aanwezige woonwijk kent volgens de raad geen verkeer- dan wel parkeerproblemen. Een toename van het verkeer als gevolg van de toevoeging van zes woningen acht de raad dan ook niet onaanvaardbaar. Voorts is volgens de raad voldoende ruimte voor parkeren op eigen erf en kan voor de eigen woning op straat worden geparkeerd.

19.2. Het bieden van inspraak of overleg maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet voeren van overleg met bewoners omtrent het realiseren van woningen aan de Douwe Totlaan heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

19.3. Blijkens de verbeelding voorziet het plan in zes nieuwe woningen aan de Douwe Totlaan binnen een bestaande woonwijk. Gelet op dit aantal acht de Afdeling het standpunt van de raad dat slechts sprake zal zijn van een lichte stijging van het aantal verkeersbewegingen aannemelijk. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niettemin moet worden gevreesd voor een onaanvaardbare toename van het aantal verkeersbewegingen ter plaatse van de woning van [appellant sub 8]. [appellant sub 8] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat, gezien het standpunt van de raad dat op eigen erf voldoende ruimte aanwezig is voor het parkeren van auto’s, niet kan worden voorzien in de benodigde parkeerruimte ter plaatse.

De afstand van de bouwvlakken van de voorziene woningen tot de woning van [appellant sub 8] bedraagt minimaal ongeveer 7 m. Niet in geschil is dat het plan zal leiden tot enige aantasting van het huidige uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 8]. Ook valt niet uit te sluiten dat meer zicht zal ontstaan op de woning.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat en evenmin aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad, gezien voornoemde afstand tot de woning van [appellant sub 8] en de situering van de woningen binnen een woonwijk, had moeten inzien dat het plan een ernstige inbreuk vormt op zijn privacy, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare verslechtering van zijn woon- en leefklimaat.

19.4. Wat betreft de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 8], acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan in zoverre aan de orde zijn.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

20. Ten aanzien van [appellante sub 6] en anderen, [appellante sub 2] en [appellant sub 7] dient de raad op na te melden wijze te worden veroordeeld tot het vergoeden van proceskosten.

Ten aanzien van [appellant sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van [appellant sub 4], [appellant sub 3], [appellanten sub 5] en [appellant sub 8] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B], voor zover gericht tegen de mogelijkheden die het plan biedt voor het perceel [locatie 2], en het beroep van [appellant sub 3] voor zover ingediend voor [7 appellanten sub 3], [appellant sub 4], [belanghebbende D], [belanghebbende E], [belanghebbende F] en [belanghebbende G], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 2] in zijn geheel en de beroepen van [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellante sub 6] en anderen, [appellant sub 7] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Terschelling van 17 augustus 2012 voor zover daarbij:

a. het plandeel met de bestemming "Wonen - 1" voor het perceel [locatie 7] en het plandeel met de bestemming "Wonen - 2" voor het perceel [locatie 8] te West-Terschelling is vastgesteld;

b. het plandeel de bestemming "Horeca" met de functieaanduiding "horeca van categorie 3"voor het perceel Molenstraat 5 en het perceel Willem Barentszkade 23 te West-Terschelling is vastgesteld;

c. niet de mogelijkheid bestaat tot het realiseren van kelders voor de percelen [locatie 2] en [locatie 4] te West-Terschelling;

d. het bouwvlak voor het perceel [locatie 1] te West-Terschelling niet tot aan de perceelsgrens met het perceel Molenstraat 5 te West-Terschelling is vastgesteld;

e. het gebruik van de gronden ten behoeve van het vergunde terras ter plaatse van het perceel [locatie 10] te West-Terschelling niet als zodanig is bestemd.

IV. bepaalt dat:

a. het bouwvlak voor het perceel [locatie 1] tot aan de perceelsgrens met het perceel Molenstraat 5 te West-Terschelling wordt vastgesteld;

b artikel 24, lid 24.4, aanhef en onder a, van de planregels wordt aangevuld met de zinsnede "en grenzend aan het bestemmingsvlak met de bestemming "Detailhandel" met de nadere aanduiding "specifieke vorm van horeca - tearoom"".

V. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft onderdeel IV.a en IV.b in de plaats treedt van het besluit voor zover vernietigd;

VI. draagt de raad van de gemeente Terschelling op om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin ten aanzien van het onder III.c genoemde onderdeel is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VII. draagt de gemeente Terschelling op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III en IV worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VIII. verklaart de beroepen van [appellante sub 6] en anderen, [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 3] en [appellant sub 7] voor het overige en de beroepen van [appellant sub 4], [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] en [appellant sub 8] in hun geheel, ongegrond;

IX. veroordeelt de raad van de gemeente Terschelling tot vergoeding van bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Terschelling tot vergoeding van bij [appellante sub 6] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt de raad van de gemeente Terschelling tot vergoeding van bij [appellant sub 7] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.054,32 (zegge: duizendvierenvijftig euro en tweeëndertig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat de raad van de gemeente Terschelling aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor [appellante sub 2], € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellante sub 6] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 7] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014

375-690.