Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1709

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
201301050/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoek van Holland - Woongebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/1860
M en R 2014/134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301050/1/R4.

Datum uitspraak: 14 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam,

2. Deltalinqs en anderen, allen gevestigd te Rotterdam,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoek van Holland - Woongebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [appellanten sub 1] en Deltalinqs en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting op 31 oktober 2013 behandeld, waar Deltalinqs en anderen, vertegenwoordigd door E. Wijderveld, bijgestaan door mr. M.C. van Meppelen Scheppink, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman en F.W. Kwint, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Vitea Fit, vertegenwoordigd door M.M. Bulk, als belanghebbende gehoord.

Na de behandeling ter zitting heeft de Afdeling de zaak gesplitst en de behandeling van één beroep voortgezet onder nummer 201301050/2/R4.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Er zijn nog stukken ontvangen van de raad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. Met toestemming van partijen is afgezien van een verdere behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet onder meer in nieuwbouw van woningen ter plaatse van de 1e Scheepvaartstraat 26-30 en Concordiastraat 1-3 bij recht en voorts in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van woningbouw op ontwikkelingslocatie Lemaireweg.

Het beroep van [appellanten sub 1]

3. Het beroep van [appellanten sub 1] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op de percelen aan de 1e Scheepvaartstraat 26-30 en de Concordiastraat 1-3. [appellanten sub 1] voeren aan dat er op de desbetreffende locatie geen behoefte is aan nieuwbouwwoningen, omdat in de omgeving al veel woningen te koop staan en er in Hoek van Holland meerdere gebieden voor de ontwikkeling van woningbouw zijn. [appellanten sub 1] betogen voorts dat het deel van de gronden dat thans braak ligt, moet worden bestemd voor een wijkparkje en parkeervoorzieningen, zoals door het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hoek van Holland was toegezegd.

Voor het geval dat de bestreden woonbestemming aanvaardbaar moet worden geacht, is het beroep van [appellanten sub 1] gericht tegen de aanduiding "maximaal aantal bouwlagen = 2", voor zover dat is toegekend aan de desbetreffende percelen. Zij voeren hiertoe aan dat het plan ten onrechte hogere bebouwing mogelijk maakt dan de thans aanwezige bebouwing. Zij vrezen aantasting van hun privacy, beperking van de lichtinval in hun woning en waardevermindering van de woning.

[appellanten sub 1] richten zich verder tegen de in het voorlopige bouwplan voorziene in- en uitrit ten behoeve van het achter de voorziene woningen gelegen parkeerterrein. Zij vrezen verstoring van hun woongenot vanwege verkeer dat langs de buitenmuur rijdt.

3.1. Volgens de raad is woningbouw ter plaatse gewenst, vanwege de ligging in de bebouwde kom van Hoek van Holland, te midden van andere woningen. De woningbouw past binnen de ambitie om de woonkern van Hoek van Holland aantrekkelijk te maken. De omstandigheid dat het dagelijks bestuur van de deelgemeente plannen had voor een andere invulling van het braakliggende terrein staat er volgens de raad niet aan in de weg dat het plan ter plaatse woningbouw mogelijk maakt. Hierbij acht de raad van belang dat de plannen van het dagelijks bestuur financieel niet haalbaar waren.

De raad heeft wat betreft het aantal bouwlagen toegelicht dat hij, naar aanleiding van de zienswijze van [appellanten sub 1] over het ontwerpplan, heeft besloten om op het naast de woning van [appellanten sub 1] gesitueerde perceel aan de [locatie] het aantal toegestane bouwlagen terug te brengen van twee naar één.

3.2. Aan de percelen aan de 1e Scheepvaartstraat 26-28 en de Concordiastraat 1-3 is de bestemming "Wonen" toegekend. Aan het perceel aan de Concordiastraat 3 is voorts de aanduiding "maximaal aantal bouwlagen = 1" toegekend; aan de overige percelen de aanduiding "maximaal aantal bouwlagen = 2".

Ingevolge artikel 24, lid 24.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor woningen, met de daarbij behorende voorzieningen zoals (inpandige) bergingen en garageboxen, aanbouwen, bijgebouwen, alsmede tuinen, groen, water en ontsluitingswegen en -paden.

Ingevolge artikel 33, lid 33.3, onder a en b, van de planregels gelden, voor zover in de regels geen bepalingen zijn opgenomen ter zake van de maximum toegestane bouwhoogte, de maatvoeringsaanduidingen ter zake op de verbeelding. Voor woningen mag de maximum bouwhoogte (nokhoogte) niet meer bedragen dan 7 meter boven de maximum goothoogte.

Ingevolge artikel 33, lid 33.4, van de planregels dient ingeval de toegestane bouwhoogte in bouwlagen is vermeld, voor het berekenen van de maximum toegestane goothoogte een hoogte van 3,5 meter voor een bouwlaag van een woonfunctie respectievelijk een hoogte van 4,5 meter voor een niet-woonfunctie te worden aangehouden.

Ingevolge artikel 33, lid 33.6, van de planregels mogen gebouwen zowel met een kap als plat worden afgedekt, ingeval noch de regels, noch de verbeelding duidelijkheid verschaffen over de wijze van afdekking van gebouwen.

3.3. Wat betreft de behoefte aan woningen op de percelen aan de 1e Scheepvaartstraat 26-28 en de Concordiastraat 1-3 staat in de plantoelichting dat uit de Woonvisie Wonen in Rotterdam volgt dat in de directe omgeving van de kern van Hoek van Holland ruimte is voor nieuwe woningen in hetzelfde woonmilieu. Gelet hierop leidt hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd niet tot de conclusie dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat behoefte bestaat aan woningen op de desbetreffende locatie.

Het betoog faalt.

3.4. Op het perceel dat grenst aan de woning van [appellanten sub 1] is maximaal één bouwlaag toegestaan. De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich gelet hierop niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat daardoor geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van privacy en beperking van de lichtinval in hun woning.

3.5. [appellanten sub 1] hebben betoogd dat het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hoek van Holland heeft toegezegd dat ter plaatse een wijkparkje en parkeervoorzieningen zouden worden gerealiseerd. De raad heeft ter zitting erkend dat hij niet heeft onderzocht in hoeverre door of namens hem verwachtingen zijn gewekt dat het plan daarin zou voorzien.

3.6. Ter zitting is vast komen te staan dat de raad heeft beoogd om voor het perceel aan de [locatie] te regelen dat uitsluitend een plat dak is toegestaan. Op de papieren verbeelding is ter plaatse de aanduiding "plat dak" opgenomen. Deze aanduiding ontbreekt op de langs elektronische weg vastgestelde verbeelding, die op grond van artikel 1.2.3, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening beslissend is. De raad heeft ter zitting erkend dat de aanduiding abusievelijk niet in de digitale verbeelding is verwerkt. Het plan regelt in zoverre niet hetgeen de raad beoogde te regelen.

3.7. Wat betreft de verstoring van het woongenot door de voorziene in- en uitrit heeft de raad niet gemotiveerd en desgevraagd ter zitting ook niet toegelicht op welke wijze het belang van [appellanten sub 1] bij voorkoming van verstoring van hun woongenot vanwege verkeer op de door het plan naast hun gevel mogelijk gemaakte ontsluitingswegen en -paden is betrokken bij de vaststelling van het plan.

3.8. Gelet op het overwogene onder 3.5, 3.6 en 3.7 ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover bestreden, onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en niet berust op een deugdelijke motivering.

Het beroep van Deltalinqs en anderen

4. Het beroep van Deltalinqs en anderen is gericht tegen het plandeel met bestemming "Recreatie" en de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied-1" voor ontwikkelingslocatie Lemaireweg. Zij vrezen dat woningbouw ter plaatse zal leiden tot een beperking van de geluidruimte en een aantasting van de gevestigde rechten die binnen de geluidzone van het havengebied en het geluidruimte-verdeelplan gelden.

Verder is volgens Deltalinqs en anderen onvoldoende onderzocht of aangetoond dat bron- of overdrachtsmaatregelen effectief en uitvoerbaar zijn, dan wel dat al het mogelijke wordt gedaan om voor toekomstige bewoners een goede leefomgevingskwaliteit te creëren. Deltalinqs en anderen voeren verder aan dat de ontwikkeling van woningbouw ter plaatse in strijd is met de provinciale beleidsvisie duurzaamheid en milieu 2013-2017 (hierna: de provinciale beleidsvisie), omdat het plan burgers niet beschermt tegen geluidhinder. Deltalinqs en anderen betogen voorts dat de ontwikkeling van woningbouw ter plaatse in strijd is met de Havenvisie 2030, waarin staat dat een goede leefkwaliteit voor de omgeving van groot belang wordt geacht. Volgens Deltalinqs en anderen is onvoldoende gemotiveerd hoe de ontwikkeling van woningbouw ter plaatse zich verhoudt tot deze doelstelling. Deltalinqs en anderen betogen dat het Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder van de gemeente Rotterdam (hierna: het ontheffingsbeleid) in de weg staat aan woningbouw ter plaatse van ontwikkelingslocatie Lemaireweg, omdat de beoogde woningbouwontwikkeling niet strookt met het doel van het beleid om het aantal gehinderden te minimaliseren.

Ten slotte betogen Deltalinqs en anderen dat onvoldoende is gemotiveerd hoe het plan zich verhoudt tot de bestemmingsplannen die worden voorbereid voor het havengebied, en waarin wordt voorzien in een verdere uitbreiding van het complex.

4.1. Volgens de raad blijkt uit het akoestisch onderzoek dat door toepassing van de zeehavennorm en het vaststellen van hogere waarden de woningen op de beoogde locatie kunnen worden gerealiseerd.

Door uitbreiding van het aantal woningen wordt volgens de raad niet alleen invulling gegeven aan de wens nieuwe groene woonmilieus te realiseren in de Rotterdamse regio, maar krijgt ook het voorzieningenniveau van Hoek van Holland een flinke impuls, omdat de groei van het aantal permanente bewoners een stevig draagvlak voor voorzieningen genereert.

4.2. Volgens de verbeelding zijn aan ontwikkelingslocatie Lemaireweg de bestemmingen "Recreatie", "Groen" dan wel "Verkeer - Verblijfsgebied" toegekend, alsook de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied-1".

Ingevolge artikel 35, lid 35.1, aanhef en onder a, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied-1" de bestemmingen "Recreatie", "Groen" en "Verkeer - Verblijfsgebied" wijzigen in de bestemmingen "Wonen", "Tuin", "Groen", "Verkeer - Verblijfsgebied" en "Verkeer - Wegverkeer".

4.3. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Derhalve moet reeds bij het vaststellen van een wijzigingsbevoegdheid die woningbouw mogelijk maakt, worden beoordeeld of woningbouw in het gebied waarop deze bevoegdheid rust, vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel aanvaardbaar is. De concrete invulling van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid rust, is thans echter niet aan de orde en kan pas bij het mogelijke wijzigingsplan aan de orde worden gesteld. Dit betekent dat in dit geval bezien moet worden of een invulling mogelijk is, waarbij de raad in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat Deltalinqs en anderen niet onevenredig worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.

4.4. Voor zover Deltalinqs en anderen betogen dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van bedrijven in het havengebied bij behoud van hun uitbreidingsmogelijkheden, overweegt de Afdeling dat Deltalinqs en anderen niet hebben geconcretiseerd in hoeverre zij worden beperkt in hun uitbreidingsmogelijkheden. Gelet hierop en op de omstandigheid dat de rond het industrieterrein Maasvlakte/Europoort gelegen geluidzone het kader vormt waarbinnen de toelaatbaarheid van een uitbreiding wordt beoordeeld, ziet de Afdeling in hetgeen Deltalinqs en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan de uitbreidingsmogelijkheden van Deltalinqs en anderen niet onredelijk beperkt.

4.5. Wat betreft de provinciale beleidsvisie overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. De raad heeft aannemelijk gemaakt dat hij de provinciale beleidsvisie heeft betrokken in zijn belangenafweging, nu geluidhinder wordt teruggedrongen door gevelmaatregelen te treffen.

Voorts ziet de Afdeling in hetgeen Deltalinqs en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met de Havenvisie 2030. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de raad aannemelijk heeft gemaakt dat sprake zal zijn van een aanvaardbare leefkwaliteit ter plaatse door gevelmaatregelen te waarborgen.

In hetgeen Deltalinqs en anderen naar voren hebben gebracht, ziet de Afdeling voorts geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met het ontheffingsbeleid. Hierbij betrekt de Afdeling dat de stelling van Deltalinqs en anderen dat het beleid ertoe strekt dat het aantal gehinderden wordt geminimaliseerd niet uitsluit dat enige toename van geluidhinder optreedt. Dit aspect kan bovendien zo nodig worden betrokken bij de concrete invulling van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid rust.

Wat betreft de effectiviteit en de uitvoerbaarheid van bron- of overdrachtsmaatregelen, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 december 2010, in zaak nr. 201002846/1/M2) ziet het ontheffingsbeleid op de beoordeling van bouw- en bestemmingsplannen waarbij het vaststellen van hogere grenswaarden aan de orde kan zijn. De Afdeling stelt vast dat het ontheffingsbeleid een weergave bevat van artikel 110a, vijfde lid, van de Wgh, ingevolge welk artikel slechts toepassing kan worden gegeven aan de in het eerste lid van dit artikel toegekende bevoegdheid tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege het industrieterrein van de gevel van de betrokken woningen tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn. Zoals de Afdeling heeft overwogen bij uitspraak van heden (zaak nr. 201301051/1/R4), heeft het college naar het oordeel van de Afdeling voldoende onderzoek verricht en voldoende gemotiveerd dat de toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege het industrieterrein op de gevels van de woningen die door middel van een wijzigingsbevoegdheid op ontwikkelingslocatie Lemaireweg zijn voorzien, onvoldoende doeltreffend zal zijn. In hetgeen Deltalinqs en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met het ontheffingsbeleid.

4.6. Naar de geluidbelasting in het gebied waaraan de bestreden wijzigingsbevoegdheid is toegekend, is onderzoek verricht. De resultaten daarvan zijn beschreven in de plantoelichting. Volgens de resultaten van het geluidonderzoek bedraagt de maximale geluidbelasting op de ontwikkelingslocatie Lemaireweg 57 dB(A) op een hoogte tot 10,50 m. Deltalinqs en anderen hebben het geluidonderzoek niet bestreden. Zoals de Afdeling heeft overwogen bij uitspraak van heden (zaak nr. 201301051/1/R4), heeft het college terecht toepassing gegeven aan de in artikel 60 van de Wet geluidhinder neergelegde zeehavennorm, waarmee een waarde kon worden vastgesteld van ten hoogste 60 dB(A), die door de wetgever als aanvaardbaar is geoordeeld. Hetgeen Deltalinqs en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid aannemelijk heeft kunnen achten dat op zodanige wijze invulling aan de wijzigingsbevoegdheid kan worden gegeven dat bij de voorziene woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.7. Wat de verhouding met andere bestemmingsplannen betreft, overweegt de Afdeling dat de raad met de mogelijke inhoud van dergelijke toekomstige bestemmingsplannen in redelijkheid geen rekening heeft hoeven houden.

4.8. De betogen falen.

Conclusie

5. Het beroep van [appellanten sub 1] is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op de percelen aan de 1e Scheepvaartstraat 26-30 en Concordiastraat 1-3. Het beroep van Deltalinqs en anderen is ongegrond.

6. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

7. Wat [appellanten sub 1] betreft is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Wat Deltalinqs en anderen betreft bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Rotterdam van 29 november 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hoek van Holland - Woongebied", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op de percelen aan de 1e Scheepvaartstraat 26-30 en de

Concordiastraat 1-3;

III. draagt de raad van de gemeente Rotterdam op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II. wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. verklaart het beroep van Deltalinqs en anderen ongegrond;

V. gelast dat de raad van de gemeente Rotterdam aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Steenbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2014

528-786.