Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1700

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
201403080/1/A1 en 201403080/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft het college onder meer [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast de bewoning van de bedrijfswoning aan de [locatie] te Daarle uiterlijk 1 januari 2014 te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201403080/1/A1 en 201403080/2/A1.

Datum uitspraak: 28 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Daarle, gemeente Hellendoorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 9 april 2014 in zaak nr. 13/3001 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft het college onder meer [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast de bewoning van de bedrijfswoning aan de [locatie] te Daarle uiterlijk 1 januari 2014 te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 13 november 2013 heeft het college het door onder meer [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 9 april 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Bij deze brief heeft [appellante] de voorzitter voorts verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 april 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door S.H.H. Ponsteen-Jurrien, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Bij besluit van 18 november 2013 heeft het college de begunstigingstermijn op verzoek van [appellante] verlengd tot uiterlijk 1 mei 2014.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het door haar gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert zij aan dat het besluit van 27 juni 2013 niet is voorzien van een verzenddatum. Voorts stelt zij dat het college haar e-mails van juli 2013 als bezwaarschrift aan had moeten merken.

3.1. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:7 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.2. Vast staat dat het besluit van 27 juni 2013 is voorzien van een datumstempel van 27 juni 2013 en van de juiste adressering. Het college heeft gesteld dat besluiten worden gestempeld, alvorens zij ter verzending worden aangeboden. Het besluit van 27 juni 2013 is voorzien van een correcte rechtsmiddelenverwijzing, waarin is opgenomen dat binnen zes weken na de dag van verzending ervan een bezwaarschrift kan worden ingediend. [appellante] heeft niet bestreden dat zij het besluit heeft ontvangen. Voorts is niet gebleken van problemen bij de verzending van poststukken.

De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het niet aannemelijk is dat het college het besluit van 27 juni 2013 op die datum ter verzending heeft aangeboden. De rechtbank heeft in het door [appellante] aangevoerde voorts terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat zij dat vermoeden heeft ontzenuwd. De bezwaartermijn is derhalve aangevangen op 28 juni 2013 en de laatste dag waarop een bezwaarschrift kon worden ingediend, was 8 augustus 2013.

Vast staat dat [appellante] haar bezwaarschrift, gedateerd op 9 augustus 2013, op diezelfde datum in persoon bij het college heeft afgegeven. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat [appellante] niet binnen de hiervoor genoemde termijn bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank heeft het betoog van [appellante] dat het college haar e-mails van juli 2013 als bezwaarschrift had moeten aanmerken, terecht niet gevolgd. In de e-mail van 11 juli 2013 heeft [appellante] het college om uitleg verzocht ten aanzien van de gang van zaken omtrent het indienen van een bezwaarschrift, die het college bij e-mail van 12 juli 2013 heeft beantwoord. Per e-mail van 29 juli 2013 heeft [appellante] het college een brief gestuurd, gedateerd op 27 juli 2013. Zij stelt daarin het in principe eens te zijn met het besluit van 27 juni 2013 en verzoekt het college om uitstel van de begunstigingstermijn in verband met een civielrechtelijke procedure. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit voormelde e-mails niet volgt dat [appellante] heeft beoogd daarmee een bezwaarschrift in te dienen.

Voor het overige is niet gebleken of gesteld van een situatie, als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellante] in verzuim is geweest. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat het college het door [appellante] gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Wijgerde

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2014

672.