Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1691

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
201308101/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2013, kenmerk 13-53, heeft de raad het bestemmingsplan "Wethouder Rebellaan I" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308101/1/R2.

Datum uitspraak: 7 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Barneveld,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Barneveld.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2013, kenmerk 13-53, heeft de raad het bestemmingsplan "Wethouder Rebellaan I" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken overgelegd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.J.M. Wolbers, advocaat te Amersfoort, de raad, vertegenwoordigd door P.A. van Nieuwenhuizen en J. de Goeij beiden werkzaam bij de gemeente, en [belangstellende], zijn verschenen. Voorts is ter zitting Mixed Hockey Club Barneveld (hierna: MHCB), vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet erin om het sportcomplex Oosterbos te Barneveld aan de noordzijde uit te breiden met een extra hockeyveld, zodat het totale aantal hockeyvelden drie zal bedragen. Rondom het derde veld kunnen onder meer acht lichtmasten worden geplaatst.

Ter zitting heeft [appellant] bevestigd dat zijn beroep niet is gericht tegen de - tezamen met het plan gecoördineerd voorbereide -omgevingsvergunning die het college bij ongedateerd besluit, kenmerk 1193661, heeft verleend voor het plaatsen van acht lichtmasten en een hekwerk.

3. [appellant] heeft ter zitting zijn beroepsgrond dat de raad niet heeft onderzocht of voor de uitvoering van het plan een ontheffing nodig is van de Flora- en faunawet, ingetrokken.

4. [appellant], woonachtig aan [locatie], kan zich niet met het plan verenigen. Hij betoogt dat de raad de behoefte aan een derde hockeyveld onvoldoende heeft onderbouwd. De gegevens van MHCB over de huidige veldbehoefte van 2,86 velden, zijn volgens hem niet controleerbaar. Daarbij komt dat de berekeningen onjuist zijn, omdat MHCB een te hoge opgave heeft gedaan over de groei van haar ledenbestand alsmede het aantal (junioren)teams dat in competitie is op zaterdag. [appellant] vreest dat over enkele jaren een vierde veld wordt bestemd en over negen jaar nog een vijfde veld zal worden gerealiseerd.

4.1. De raad stelt dat de maatschappelijke behoefte aan het derde hockeyveld is onderzocht en meent dat deze behoefte aanwezig is. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op gegevens van MHCB. Niet alleen bestaat nu reeds een behoefte aan 2,86, oftewel drie hockeyvelden, maar de prognoses van MHCB en van de Koninklijke Nederlandse Hockey Bond (hierna: KNHB) tot 2020 laten een groei zien in het ledenaantal, zo stelt de raad.

4.2. In de plantoelichting staat dat met het huidige aantal van 534 leden een veldbehoefte bestaat van 2,86 velden. De stelling van [appellant] dat dit berekende aantal van 2,86 velden niet controleerbaar zou zijn en dat wordt afgeweken van de standaard-berekeningsmethode voor de veldbehoefte, slaagt niet. Zoals in de plantoelichting staat vermeld, wordt de veldbehoefte door de KNHB/NOC*NSF doorgaans berekend uitgaande van één veld per 250 spelende leden. In de plantoelichting staat dat de veldbehoefte in het onderhavige geval hoger ligt dan wanneer berekend met deze norm, omdat de balans tussen senioren en junioren bij MHCB scheef is. Omdat het aantal spelende juniorenteams bijna driemaal zo groot is als het aantal seniorenteams, zijn er meer velden nodig; de juniorenteams trainen alleen aan het begin van de avond en spelen wedstrijden met name op zaterdag. De raad heeft hierbij betrokken dat naast MHCB ook het Johannes Fontanus College gebruik maakt van alle velden op het sportcomplex. Nu dit college heeft gesteld dat het op de bestaande velden niet voldoende ruimte heeft voor de te geven gymlessen, zal het derde veld eveneens in zoverre in een behoefte zal voorzien.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad reeds in de huidige situatie aanleiding mogen zien voor het oordeel dat behoefte bestaat aan een derde hockeyveld. Partijen verschillen van mening over de precieze groeiprognoses van het aantal leden van MHCB, maar ook [appellant] gaat uit van een ledengroei gerekend over meerdere jaren. De raad behoefde derhalve niet van een lagere veldbehoefte uit te gaan. Ten aanzien van de vrees van [appellant] dat nog een vierde veld en zelfs een vijfde veld zullen worden gerealiseerd, overweegt de Afdeling dat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft. Deze procedure behelst slechts het voorziene derde veld. De vraag of een groter aantal velden wordt gerealiseerd, is in deze procedure derhalve niet aan de orde.

Het betoog faalt.

5. [appellant] stelt dat geen aantasting van zijn woon- en leefklimaat hoeft op te treden indien wordt gekozen voor een andere locatie van het hockeyveld, bijvoorbeeld ten noorden van het Oosterbos, of de locatie van het vierde veld dat vooralsnog niet zal worden gerealiseerd.

5.1. De raad stelt dat de alternatieve locaties voor het hockeyveld zijn afgewogen ten opzichte van de voorziene locatie. De alternatieve locaties heeft hij niet wenselijk geacht.

5.2. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de naar voren gebrachte locaties stedenbouwkundig gezien geïsoleerd liggen van de bestaande velden. Voorts heeft de raad ter zitting uitgelegd dat de thans gekozen locatie logistiek gezien meer voor de hand ligt ten opzichte van de bestaande velden. Namens MHCB is ter zitting aangevoerd dat op de alternatieve locaties minder goed toezicht kan worden gehouden vanaf de bestaande hockeyvelden. Een en ander komt de Afdeling niet onredelijk voor. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid voor de gekozen locatie voor het derde veld kunnen kiezen.

Het betoog faalt.

6. [appellant] voert aan dat vanwege een toename van de geluidsbelasting het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn perceel zal verslechteren. Hij betwijfelt of de raad in dit geval kon aansluiten bij de richtafstanden uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering 2009" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure), omdat zijn woning is gelegen in een rustige woonomgeving aan de rand van het landelijke gebied, dat een lager achtergrondniveau kent dan een stedelijke omgeving. Daarbij komt dat de hockeyvelden met name worden gebruikt op het moment dat hij thuis is, namelijk doordeweeks aan het eind van de dag en overdag in de weekenden. De raad had daarom akoestisch onderzoek moeten laten verrichten. Omdat de raad dit heeft nagelaten heeft [appellant] akoestisch onderzoek laten uitvoeren. Hieruit is naar voren gekomen dat de geluidbelasting ten gevolge van het derde veld substantieel zal toenemen. Eveneens is uit dat onderzoek gebleken dat een grondwal van drie meter hoog, die noodzakelijk wordt geacht om de geluidhinder te verminderen, niet afdoende is. [appellant] acht het opleggen van maatwerkvoorschriften gepast vanwege het overschrijden van de referentieniveaus ten aanzien van geluid.

6.1. De raad heeft voor het antwoord op de vraag of voor [appellant] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat behouden blijft, aansluiting gezocht bij de richtafstanden uit de VNG-brochure. Nu de woning van [appellant] op een afstand van 65 m van het voorziene derde hockeyveld ligt, wordt aan de richtafstand van 50 m voldaan. Omdat de gemeentelijke geluidsdeskundige de uitgangspunten van het in opdracht van [appellant] uitgevoerde geluidonderzoek niet reëel achtte, heeft de raad er bij de vaststelling voor gekozen niet van de systematiek van de VNG-brochure af te wijken.

De raad stelt dat aan de grenswaarden voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus uit het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan. De raad heeft desalniettemin de maximale geluidniveaus onderzocht en geconstateerd dat ter plaatse van de woning van [appellant] aan de daarvoor geldende richtwaarden wordt voldaan. De grondwal dient zowel ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing, als ter tegemoetkoming aan omwonenden ter beperking van eventueel zicht-, licht- en geluidoverlast, aldus de raad.

6.2. Ingevolge de VNG-brochure is voor een "veldsportcomplex met verlichting" een minimale richtafstand van 50 m ten opzichte van een rustige woonwijk vereist. Dat de woning van [appellant] is gelegen in een rustige woonomgeving aan de rand van het landelijke gebied, brengt niet met zich dat de raad de VNG-brochure voor de onderhavige situatie niet als richtlijn mocht gebruiken. In dit verband is van belang dat in de VNG-brochure staat dat een rustige woonwijk en een rustig buitengebied wat betreft aanvaardbare milieubelasting als vergelijkbare omgevingstypen worden gezien. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning van [appellant] ligt op ongeveer 65 m van het plandeel met de bestemming "Sport (S)", waar het hockeyveld is beoogd. Aan de richtafstand wordt derhalve voldaan. Voor het oordeel dat met deze richtafstand onvoldoende rekening zou zijn gehouden met wedstrijden in het weekend of trainingen in de avonduren, ziet de Afdeling geen aanleiding, nu de richtafstand - zoals de raad terecht stelt - in dit geval is gebaseerd op continu geluid. Gelet hierop mocht de raad er in beginsel op basis van de VNG-brochure van uitgaan dat ter plaatse van de woning van [appellant] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd.

6.3. Ter onderbouwing van zijn standpunt, dat ondanks de richtafstanden in de VNG-brochure ter plaatse van zijn woning geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, heeft [appellant] voorafgaand aan de vaststelling van het plan akoestisch onderzoek laten verrichten, dat is neergelegd in het rapport "MHC Barneveld, Uitbreiding van 2 naar 4 velden" van bureau Peutz van 12 juni 2013 (hierna: het Peutz-rapport). Daarin is geconcludeerd dat de geluidbelasting bij de woning van [appellant] de criteria van de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening VROM 1998 (hierna: de Handreiking) duidelijk overschrijdt. Gezien de reactie hierop van de gemeentelijke geluiddeskundige van 21 juni 2013 heeft de raad heeft bij de vaststelling van het plan hierin geen aanleiding gevonden om het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant] onaanvaardbaar te achten. Hangende het beroep heeft de raad alsnog akoestisch onderzoek laten verrichten. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek, Mixed Hockey Club Barneveld, in het kader van aanleg 3e veld" van bureau Oranjewoud van 17 december 2013 (hierna: het Oranjewoud-rapport). In dat rapport is geconcludeerd dat ruimschoots onder de geluidgrenswaarden op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt gebleven. In reactie hierop heeft [appellant] een nadere notitie van bureau Peutz van 14 februari 2014 overgelegd.

6.4. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of de raad in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding had moeten zien om, hoewel aan de richtafstanden ingevolge de VNG-brochure was voldaan, er aan te twijfelen dat ter plaatse van de woning van [appellant] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat was gewaarborgd. De Afdeling beantwoordt deze vraag ontkennend. Hierbij neemt zij in aanmerking dat het Oranjewoud-rapport aansluit bij de conclusie waartoe de raad op grond van de VNG-brochure was gekomen. De bevindingen van Peutz en zijn kanttekeningen bij het Oranjewoud-rapport zijn ontoereikend zijn voor een andersluidend oordeel. De Afdeling overweegt daartoe dat er bij een nadere beoordeling van het goede woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant] geen gehoudenheid van de raad bestond om uit te gaan van de criteria uit de Handreiking meten en weten industrielawaai 1999, zoals Peutz heeft gedaan, en niet valt in te zien dat in redelijkheid geen aansluiting mocht worden gezocht bij de geluidnormen in het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals in het Oranjewoud-rapport is gedaan. Wat betreft de gehanteerde bedrijfsduur volgt de Afdeling de raad in zijn standpunt dat de gebruiksduur van de velden waarvan Peutz bij ontbreken van een gebruiksduurbeperking in het plan is uitgegaan, niet realistisch is. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfsduur waarvan in het Oranjewoud-rapport is uitgegaan, niet als representatief kan worden aangemerkt. Naar aanleiding van de stelling dat in het Oranjewoud-rapport ten onrechte geen rekening is gehouden met tonaal of impulsgeluid door fluiten of andere bronnen, overweegt de Afdeling dat de raad voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat, ook indien daarvan zou worden uitgegaan, dit niet zou leiden tot een zodanige toename van geluidbelasting dat deze daarom onaanvaardbaar zou moeten worden geoordeeld.

6.5. Gezien het vorenstaande moet worden geoordeeld dat de raad zich bij de vaststelling van het plan in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter plaatse van de woning van [appellant] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte de coördinatieregeling heeft toegepast. Ter zitting heeft [appellant] in dit verband toegelicht dat de raad de indruk heeft gewekt dat de regeling, vanwege haar versnellende werking, is toegepast om MHCB te bevoordelen en dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht of de toepassing ervan in het belang is van belanghebbenden zoals hijzelf.

7.1. De raad stelt dat ervoor is gekozen om de coördinatieregeling toe te passen, om op een efficiënte wijze invulling te geven aan het beleidsvoornemen een derde hockeyveld te realiseren. Hij betoogt dat hiermee is voldaan aan het in de wet gestelde criterium.

7.2. Uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de gemeentelijke coördinatieregeling (TK, 2002-2003, 28 916, nr. 3, blz. 60) volgt, dat de coördinatieregeling een procedurele versnelling bewerkstelligt. De procedures worden niet serieel maar parallel geschakeld en zij kunnen in samenhang worden voorbereid en behandeld. De enkele stelling dat MHCB door de procedurele versnelling wordt bevoordeeld, maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat de raad het belang van [appellant] onvoldoende heeft gewogen. Zoals ook uit de parlementaire geschiedenis volgt leidt de coördinatieregeling tot snellere rechtszekerheid voor de gemeente, voor de bezwaarden en derden-belanghebbenden. [appellant] heeft geen belangen gesteld waarin hij in concreto is geschaad door de toepassing van de coördinatieregeling.

Het betoog faalt.

8. Wat betreft de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant], bestaat op grond van hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

9. [appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze van 27 maart 2013. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

10. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

11. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Konings

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2014

612.