Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1685

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
201307499/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2013:1329, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2012 heeft het college [appellant] gelast de verbinding tussen het woonhuis en bijgebouw, die op de bouwtekening is aangeduid met nummer 9, op het perceel [locatie] te [plaats] te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307499/1/A1.

Datum uitspraak: 7 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Dinkelland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 9 juli 2013 in zaak nr. 13/495 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland.

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2012 heeft het college [appellant] gelast de verbinding tussen het woonhuis en bijgebouw, die op de bouwtekening is aangeduid met nummer 9, op het perceel [locatie] te [plaats] te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit, verzonden op 25 januari 2013, heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Hurenkamp, advocaat te Enschede, en het college, vertegenwoordigd door F. Veenhuizen, in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Aan de zijde van [appellant] is tevens verschenen W.B.A. Kooiker.

Overwegingen

1. Bij besluit van 19 december 2011 heeft het college [appellant] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bijgebouw met zwembad en het wijzigen van een bijgebouw op het perceel. Op 20 januari 2012 heeft een toezichthouder geconstateerd dat [appellant] in afwijking van de verleende omgevingsvergunning een verbinding heeft aangebracht tussen de woning en het bijgebouw met zwembad.

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge het derde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht is, in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de wet, geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën van gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 3, van die bijlage is geen omgevingsvergunning vereist voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de in het artikelonderdeel opgenomen eisen.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van die bijlage wordt onder achtererfgebied verstaan: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de verbinding zich bevindt op de naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant van het hoofdgebouw en daarom voor het bouwen hiervan een omgevingsvergunning is vereist. Hij voert aan dat de verbinding is gebouwd op het achtererfgebied, op het gedeelte van het perceel dat grenst aan een sloot en dat deze sloot niet kan worden aangemerkt als openbaar toegankelijk gebied.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 4 september 2013 in zaak nr. 201300795/1/A1 kan het achtererfgebied worden bepaald door vast te stellen wat de voorgevel van het hoofdgebouw is. Onder voorgevel wordt ingevolge artikel 1, onder m, van het ten tijde van het besluit van 11 april 2012 geldende bestemmingsplan "Buitengebied" en artikel 1, onder 75, van de planvoorschriften van het ten tijde van het besluit, verzonden op 25 januari 2013, geldende bestemmingsplan "Ootmarsum overige gebieden", en voor zover thans van belang, verstaan de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw.

3.2. De rechtbank heeft de gevel, die naar het noorden is gericht en waarin de voordeur zit, als voorgevel aangemerkt. Volgens de rechtbank is het bouwplan gesitueerd op de naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant van het hoofdgebouw, zodat het daarom niet omgevingsvergunningvrij is. De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat niet de naar het noorden gerichte gevel, maar de naar het oosten gerichte gevel is gekeerd naar de weg, te weten de Timmusweg. Deze gevel moet, gelet op de planvoorschriften, derhalve als voorgevel worden aangemerkt. Het bouwplan wordt gebouwd vóór de voorgevel. Gelet hierop is geen sprake van een activiteit die betrekking heeft op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied, zodat om die reden geen sprake is van een omgevingsvergunningvrij bouwwerk. Het college is derhalve bevoegd handhavend op te treden. De rechtbank is terecht, zij het op onjuiste gronden, tot dit oordeel gekomen. Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat met de bij besluit van 19 december 2011 verleende omgevingsvergunning alle bouwmogelijkheden op het perceel zijn opgesoupeerd, niet heeft onderkend dat het bestemmingsplan "Ootmarsum overige gebieden" een wijzigingsbevoegdheid bevat om het bouwvlak te vergroten of te wijzigen en daarom van concreet zicht op legalisering sprake is. Hij wijst erop dat hij het college heeft verzocht een principebesluit te nemen om het bestemmingsplan te wijzigen in die zin dat het bouwblok met een oppervlakte van 150 m² wordt vergroot.

4.1. De rechtbank heeft overwogen dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat op het perceel alle bouwmogelijkheden zijn opgesoupeerd en het college geen medewerking wenst te verlenen aan legalisering van het bouwplan door daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen.

Dat, zoals [appellant] stelt, het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid kent om het bouwvlak te vergroten of te wijzigen, leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat ten tijde van het besluit, verzonden op 25 januari 2013, geen concreet zicht op legalisering bestond. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat eerst op 25 februari 2014, derhalve na dat besluit, is verzocht om een principebesluit. Daarbij komt dat het college, zoals het ook ter zitting van de Afdeling heeft bevestigd, geen medewerking aan legalisering van het bouwplan wil verlenen. In beginsel volstaat het enkele feit dat het college niet bereid is gebruik te maken van zijn wijzigingsbevoegdheid voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het college ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste medewerking niet zal kunnen worden geweigerd.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zijn belang bij instandlating van de verbinding groot is. Hij maakt dagelijks gebruik van de verbinding om bij zijn zwembad te komen. De verbinding is voorts niet zichtbaar vanaf de openbare weg en van de door het college gestelde precedentwerking is volgens hem geen sprake.

5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat handhavend optreden niet zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan dient te worden afgezien. Het algemeen belang van handhavend optreden tegen de zonder omgevingsvergunning gebouwde verbinding weegt in dit geval zwaarder dan het belang van [appellant] om zijn zwembad direct vanuit de woning te kunnen bereiken. Dat de verbinding van de openbare weg niet zichtbaar is, maakt dat niet anders. Anders dan [appellant] stelt, heeft het college voorts terecht gewezen op mogelijke precedentwerking die het afzien van handhaving tot gevolg heeft. Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Pieters

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2014

473.