Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1681

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
201306118/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:4920, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2012 heeft de Belastingdienst het voorschot huurtoeslag voor [appellant] over 2012 herzien en vastgesteld op € 1.115,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306118/1/A2.

Datum uitspraak: 7 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2013 in zaak nr. 12/4599 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2012 heeft de Belastingdienst het voorschot huurtoeslag voor [appellant] over 2012 herzien en vastgesteld op

€ 1.115,00.

Bij besluit van 17 oktober 2012 heeft de Belastingdienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2014, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de dienst, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, wordt een huurtoeslag slechts toegekend:

a. als de huurder, diens partner alsmede degene die medebewoner van de woning zijn, op het adres van die woning zijn ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de GBA).

b. als op dat adres geen andere personen staan ingeschreven in de GBA, behoudens eventueel een onderhuurder en personen die behoren tot diens huishouden.

Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid een huurtoeslag worden toegekend, als de onjuiste inschrijving in de GBA niet aan de huurder kan worden toegerekend.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awir wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, onder medebewoner verstaan de persoon die op hetzelfde woonadres als belanghebbende in de GBA staat ingeschreven, met dien verstande dat als medebewoner niet wordt aangemerkt:

1o. de partner van de belanghebbende,

2o. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende een deel van de woning huurt, tenzij deze een bloed- of aanverwant in de eerste graad is van de belanghebbende of van diens partner,

3o. degene die tot het huishouden van de onder 2o bedoelde persoon behoort.

2. De Belastingdienst heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] over de periode van januari 2012 tot en met juli 2012 geen aanspraak op huurtoeslag heeft. Daaraan heeft de dienst ten grondslag gelegd dat volgens de GBA op het woonadres van [appellant] aan de [locatie] in [woonplaats] ook zijn zoon [naam] stond ingeschreven en de zoon derhalve medebewoner was. Gelet op het gezamenlijk inkomen van [appellant] en zijn zoon, heeft [appellant] over die periode geen aanspraak op huurtoeslag, aldus de dienst. De rechtbank heeft dit standpunt gevolgd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst uit de vermelding van zijn zoon in de GBA op zijn woonadres heeft mogen afleiden dat deze tot augustus 2012 zijn medebewoner was. Volgens [appellant] volgt uit de door hem overgelegde stukken dat zijn zoon in de periode tot 8 augustus 2012 feitelijk niet bij hem heeft gewoond en zijn adres alleen als postadres heeft gebruikt.

3.1. Uit het door de Belastingdienst overgelegde uittreksel uit de GBA blijkt dat de zoon van 7 april 2011 tot 8 augustus 2012 op het woonadres van [appellant] stond ingeschreven.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 11 maart 2009 in zaak nr. 200805067/1, waarin een verzoek om wijziging van gegevens in de GBA aan de orde was, overwogen dat de gegevens in de GBA betrouwbaar en duidelijk moeten zijn en de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. De Afdeling heeft daarin verder overwogen dat voor het wijzigen van eenmaal in de GBA geregistreerde gegevens of het plaatsen van een aantekening van onjuistheid bij bepaalde gegevens, gelet op het systeem van de Wet GBA, onomstotelijk moet vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn.

In de uitspraak van 5 september 2012 (zaak nr. 201112868/1/A2) heeft de Afdeling overwogen dat de Belastingdienst mag uitgaan van inschrijving in de GBA, zolang daarop geen aantekening van onjuistheid is geplaatst.

Hieruit volgt voor de onderhavige zaak dat de Belastingdienst van de inschrijving van de zoon op het woonadres van [appellant] mag uitgaan zolang daarbij geen aantekening van onjuistheid is geplaatst. Voor het verkrijgen van zodanige aantekening in de GBA dient [appellant] zich tot het college van burgemeester en wethouders als beheerder van de basisadministratie te wenden. In die procedure kunnen de door [appellant] overgelegde stukken en verklaringen een rol spelen. Niet is gebleken dat [appellant] zich hiervoor tot het college heeft gewend. Onder deze omstandigheden heeft de Belastingdienst uit de vermelding van de zoon in de GBA op het adres van [appellant] mogen afleiden dat deze diens medebewoner was. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

Dat een belanghebbende die het niet eens is met een besluit van de Belastingdienst, zich tot het college van burgemeester en wethouders moet wenden, is het gevolg van de door de wetgever gemaakte keuze dat voor toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Awir, de GBA leidend is en uitsluitend de beheerder van die administratie wijzigingen kan doorvoeren.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Jansen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2014

609.