Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1678

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
201400649/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Reeland" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400649/2/R4.

Datum uitspraak: 28 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te Dordrecht,

2. [verzoeker sub 2] en anderen, allen wonend te Dordrecht,

en

de raad van de gemeente Dordrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Reeland" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen beroep ingesteld.

[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 8 april 2014, waar [verzoeker sub 1], bijgestaan door mr. R. Brouwer, [verzoeker sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W.M. Berendsen, P. Bezemer, mr. H. Capelle, J.S. Handkai en M.T.C. Kleinveld zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan voorziet in een actualisering van het planologische regime voor het gebied Reeland te Dordrecht.

Het verzoek van [verzoeker sub 1]

3. [verzoeker sub 1] verzoekt om schorsing van artikel 12, lid 12.3 van de planregels. Zij kan zich niet vinden in de in dat artikel opgenomen afwijkingsbevoegdheid voor het vergroten van de aanduiding "stadion", met 50%. [verzoeker sub 1] vreest dat een uitbreiding van het FC Dordrecht stadion vlak voor haar woning zal worden gerealiseerd, waardoor haar woon- en leefgenot zal verminderen. [verzoeker sub 1] stelt dat met haar verzoek spoedeisend belang is gemoeid omdat volgens haar concrete voornemens zijn tot het uitbreiden van het stadion. Zo werd volgens haar onlangs een maquette van een nieuw, groter stadion gepresenteerd en is volgens haar een overeenkomst gesloten tussen FC Dordrecht en BAM over de bouw van dit stadion.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen concreet plan tot uitbreiding van het stadion bij hem bekend is. De maquette en de overeenkomst waar [verzoeker sub 1] op doelt, hebben volgens de raad betrekking op een compleet nieuw stadion voor FC Dordrecht, dat mogelijk ten zuiden van het huidige stadion zal worden gebouwd. Het bestemmingsplan voorziet niet in deze ontwikkeling, aldus de raad. De raad stelt dat de afwijkingsbevoegdheid in het plan is opgenomen voor het geval uitbreiding van het stadion nodig is in verband met de mogelijke promotie van FC Dordrecht naar de eredivisie. De raad stelt dat in dat geval mogelijk extra ruimten nodig zijn voor sponsoring, beveiliging en kleedgelegenheden.

3.2. Ingevolge artikel 12, lid 12.1, onder b, van de planregels, zijn de voor "Sport" aangewezen gronden bestemd voor een stadion, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "stadion".

Ingevolge lid 12.2.2, gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:

a. bouwen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak";

b. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste de in de verbeelding aangegeven hoogtemaat.

Ingevolge artikel 12, lid 12.3, van de planregels, kunnen burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

- lid 12.1 onder c voor het vergroten van het aanduidingsvlak "stadion" met maximaal 50 % indien dit nodig is voor een verbetering van de accommodatie;

- lid 12.2.2. voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken, zoals een tribune, met dien verstande dat de totale oppervlakte en bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 200 m² en 5 m.

3.3. Gelet op hetgeen de raad ter zitting heeft toegelicht over de voornemens tot het bouwen van een compleet nieuw stadion acht de voorzitter aannemelijk dat de maquette die Van Halen zag en de overeenkomst tussen FC Dordrecht en BAM waarvan zij vernam, niet zien op het gebruik van de in artikel 12, lid 12.3 van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid.

De voorzitter acht aannemelijk dat bij een mogelijke promotie van FC Dordrecht naar de eredivisie ruimte nodig is voor de door de raad genoemde voorzieningen. Naar het oordeel van de voorzitter weegt het belang van de raad en FC Dordrecht bij inwerkingtreding van het plan en daarmee bij het behoud van de uitbreidingsmogelijkheid zwaarder dan het belang van [verzoeker sub 1] bij een schorsing van het plan in zoverre, omdat de uitbreiding die op korte termijn kan plaatsvinden naar het oordeel van de voorzitter naar verwachting niet zal leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [verzoeker sub 1]. Gelet hierop bestaat, na afweging van alle betrokken belangen, aanleiding het verzoek van [verzoeker sub 1] om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Het verzoek van [verzoeker sub 2] en anderen

4. [verzoeker sub 2] en anderen verzoeken om schorsing van het plan voor zover dat voorziet in een brug over de Vlij met bijbehorende voorzieningen. Zij kunnen zich niet vinden in de huidige plannen voor de brug en willen voorkomen dat een omgevingsvergunning voor de brug op grond van het bestreden bestemmingsplan wordt verleend. Volgens [verzoeker sub 2] en anderen is het voorgenomen bouwplan voor de brug met name door de daarin opgenomen remmingswerken en de opritten van de brug, in strijd met het vigerende bestemmingsplan.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning voor de brug ook op grond van het vigerende plan kan worden verleend. Het plan "De Vlij en omgeving" van 9 november 2004 maakt de bouw van de brug volgens de raad immers al mogelijk.

4.2. In het bestemmingsplan "De Vlij en omgeving" is aan de gronden waar de brug is voorzien, de bestemming "Waterstaatsdoeleinden met natuurwetenschappelijke waarden" en de aanduiding "brug" toegekend.

Ingevolge artikel 10, eerste lid van de planvoorschriften van dat plan, zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor:

a. de waterhuishouding, scheepvaart en andere waterstaatsdoeleinden;

b. voor het behoud en herstel van de aanwezige natuurwetenschappelijke waarden.

Ingevolge het tweede lid zijn toegelaten:

a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals bruggen, scheepvaarttekens;

b. afmeervoorzieningen voor de recreatievaart, echter uitsluitend op de plankaart aangewezen gronden.

4.3. De brug is in het bestemmingsplan "De Vlij en omgeving" voorts gedeeltelijk voorzien in de bestemming "Groenvoorzieningen-park" en "Groenvoorzieningen".

Ingevolge artikel 8, eerste lid van de planvoorschriften van dat plan, zijn de op de plankaart als "Groenvoorzieningen-park" aangewezen gronden bestemd voor park met behoud van de aanwezige monumentale waarden ter plaatse van het Wantijplantsoen en het muurrestant van de schietbaan.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, c en d, zijn groenvoorzieningen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals zit- en speelgelegenheden, speelwerktuigen en lichtmasten, verhardingen in de vorm van voet- en fietspaden en andere verblijfsruimten toegestaan.

Ingevolge het derde lid, onder 3, mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedragen dan 12 m.

Ingevolge artikel 9, eerste lid van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Groen" aangewezen gronden bestemd voor groenvoorzieningen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, b en c, zijn groenvoorzieningen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals zit- en speelgelegenheden, speelwerktuigen en lichtmasten, verhardingen in de vorm van voet- en fietspaden en andere verblijfsruimten toegestaan.

Ingevolge het derde lid mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedragen dan 12 m.

4.4. De voorzitter is van oordeel dat de remmingswerken zijn aan te merken als bouwwerken geen gebouwen zijnde, zodat zij ingevolge artikel 10, tweede lid aanhef en onder a van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "De Vlij en omgeving" zijn toegestaan. Anders dan [verzoeker sub 2] en anderen ter zitting hebben aangevoerd zijn remmingswerken niet aan te merken als afmeervoorzieningen voor de recreatievaart, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid aanhef en onder b, van de planvoorschriften, aangezien zoals de Afdeling oordeelde in haar uitspraak van 26 mei 2010, in zaaknr. 200907248/1/H1, remmingswerken niet tot doel hebben dat ter plaatse kan worden afgemeerd, maar uitsluitend bestemd zijn voor het wachten van vaartuigen op het opengaan van de brug.

Hoewel de bestemming "Groenvoorzieningen-park" en "Groen" opritten voor een brug niet expliciet toestaan, acht de voorzitter de opritten behorende bij de aangevraagde brug, in verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2007, in zaaknr. 200703037/1, niet in strijd met de genoemde bestemmingen omdat daarin bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot een maximum hoogte van 12 m, alsmede verhardingen zijn toegestaan.

4.5. [verzoeker sub 2] en anderen hebben gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat de omgevingsvergunning voor de realisering van de brug niet ook onder het vigerende plan kan worden verleend. In zoverre bestaat daarom geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

4.6. Gelet hierop bestaat aanleiding het van [verzoeker sub 2] en anderen om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Proceskosten

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2014

539-731.