Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1670

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
201310223/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2013:2438, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning voor het veranderen van een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats], verleend.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/507
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201310223/1/A4.

Datum uitspraak: 7 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Hardenberg,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 oktober 2013 in zaak nr. 12/2548 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg.

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning voor het veranderen van een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats], verleend.

Bij uitspraak van 3 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghouder heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2014, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door A.M. Zwiers, T. Casuela-Visser en A.T. van der Zwaan-Wenneker, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghouder als partij gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder a, sub 5, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), betrekt het bevoegd gezag, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als hier aan de orde, bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval: de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder c, sub 1, neemt het bevoegd gezag, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als hier aan de orde, bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast.

Ingevolge het derde lid kan de omgevingsvergunning, voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

Ingevolge artikel 5.3, zoals dat luidde ten tijde van belang, worden, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als hier aan de orde, in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur aan de bron - te beperken of ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de omgevingsvergunning, voor zover het gaat om de locatie van de mestsilo, in strijd met het gelijkheidsbeginsel is verleend. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat het college in andere vergunningen de voorwaarde heeft opgenomen dat de opslag van vaste en dunne mest ten minste 7,5 m van de erfgrens moet plaatsvinden. Daarnaast heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte verschil gemaakt tussen mestsilo's die op meer, dan wel minder dan 50 m afstand van de woning van derden staan en het al dan niet aanwezig zijn van een sloot. [appellant] stelt dat in zoverre geen verschil bestaat tussen de door hem overgelegde vergunningen en de vergunning die bij het besluit van 9 oktober 2012 is verleend.

2.1. Het college heeft aan de door [appellant] overgelegde vergunningen van andere bedrijven in de omgeving van de varkenshouderij het voorschrift verbonden dat de opslag van vaste en dunne mest ten minste 7,5 m van de erfgrens moet plaatsvinden. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, gelden voor de mestsilo's van die bedrijven andere toetsingskaders, zodat het niet gaat om gelijke gevallen onder gelijke omstandigheden. De overwegingen van de rechtbank over mestsilo's die op meer, dan wel minder dan 50 m afstand van de woning van derden staan en het al dan niet aanwezig zijn van een sloot, hebben betrekking op de vaststelling van het toetsingskader voor de aangevraagde mestsilo. Anders dan [appellant] veronderstelt, volgt hieruit niet dat de door hem overgelegde vergunningen en de vergunning die bij het besluit van 9 oktober 2012 is verleend, verschillend zijn beoordeeld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen geuronderzoek ten aanzien van de mestsilo heeft verricht. [appellant] ervaart met name geuroverlast bij het mixen van de mest waarbij gedurende twee uur aan de onderzijde van de mestsilo lucht naar binnen wordt gepompt.

3.1. Er bestaat geen wettelijk voorschrift dat een geuronderzoek naar mestsilo's eist. Het college heeft aan de bij het besluit van 9 oktober 2012 verleende vergunning voorschriften verbonden ter beperking van geurhinder vanwege de mestsilo. Deze voorschriften houden onder meer in dat het mestbassin moet zijn uitgevoerd en afgedekt conform de Richtlijn Mestbassins 1992 en dat zes maanden nadat het bassin in gebruik is genomen een controle van het bassin door een onafhankelijke deskundige moet plaatsvinden. Het mixen van mest vindt volgens de vergunning twee keer per jaar plaats, gedurende maximaal twee uur per keer. Volgens het college worden de nadelige gevolgen van de mestsilo hiermee in voldoende mate voorkomen en voor zover dat niet mogelijk is, beperkt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat in hetgeen [appellant] betoogt geen grond wordt gezien voor het oordeel dat de verleende vergunning niet in stand kan blijven.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het laden van biggen met shovels is vergund. Hiertoe voert hij aan dat de vergunning noch het akoestisch rapport voorschrijft op welke manier de biggen moeten worden geladen. Verder heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat de in zijn opdracht door Sirius Geluid en Milieu (hierna: Sirius) uitgevoerde geluidmeting op 40 m accurater is dan de berekeningen in het rapport "Akoestisch onderzoek zeugenhouderij [vergunninghouder] te Balkbrug" van 4 oktober 2011 met nummer 08-350, opgesteld door Adviesburo Van der Boom B.V. (hierna: het akoestisch rapport) dat ten grondslag ligt aan de verleende vergunning. Volgens [appellant] is de geluidbelasting op zijn woning dan ook 71 dB(A) in plaats van de 64 dB(A) waarvan in het akoestisch rapport wordt uitgegaan. Ook is in het akoestisch rapport het mixen van mest niet meegenomen, zodat het akoestisch rapport volgens [appellant] niet bij de vergunningverlening had mogen worden betrokken. Hij betoogt dat de rechtbank dit eveneens heeft miskend.

4.1. In het akoestisch rapport, dat blijkens het dictum van het besluit van 9 oktober 2012 deel uitmaakt van de verleende vergunning, staat als bedrijfsactiviteit laden en lossen van zeugen en biggen. Dit gebeurt eens in de veertien dagen, gedurende drie uur. Over het gebruik van een shovel of tractor is in het akoestisch rapport vermeld dat zowel de shovel als de tractor overdag circa vijftien minuten verspreid over het terrein actief kunnen zijn. De rechtbank heeft, gelet op het vorenstaande, terecht overwogen dat het laden van biggen met shovels niet is vergund. Indien het laden van biggen desondanks met shovels plaatsvindt, kan het college handhavend optreden.

4.2. Bij de aanvulling van zijn beroepschrift van 14 augustus 2013 heeft [appellant] een meetverslag van Sirius van 13 augustus 2013 met nummer S13010 overgelegd. Volgens dit verslag heeft Sirius tijdens het laden en lossen van varkens geluidmetingen ter plaatse van de woning van [appellant] verricht. De metingen hebben plaatsgevonden op een afstand van 40 m van de laadplaats van de varkens. Het laden en lossen van de varkens duurde blijkens het meetverslag een uur en daarbij werd gebruik gemaakt van een shovel. Zoals het college in beroep terecht heeft gesteld, is de bedrijfssituatie die Sirius in het meetverslag heeft beschreven niet vergund, omdat het gebruik van de shovel tijdens het laden en lossen niet is vergund. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het meetverslag van Sirius geen aanleiding geeft te twijfelen aan de juistheid van het akoestisch rapport.

4.3. Naar aanleiding van de uitbreiding van de aanvraag met het mestbassin is een aanvullend akoestisch rapport van 17 april 2012 overgelegd. Deze aanvulling betreft een berekening van de geluidbelasting ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting inclusief de mestopslag.

Ter zitting heeft het college toegelicht dat in het akoestisch rapport is uitgegaan van een worstcasescenario. Daarbij is rekening gehouden met twee bronnen voor het oppompen van mest, omdat het oppompen twee keer per maand in plaats van twee keer per jaar, zoals het mixen van mest, voorkomt en dezelfde geluidssterkte als het mixen van mest heeft. Deze bronnen zijn volgens het college daarom maatgevend. In het aanvullende akoestisch rapport staat dan ook dat de geluidbelasting vanwege het in werking zijn van de inrichting inclusief de mestopslag nagenoeg gelijk blijft. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de standpunten van het college onjuist zijn. De rechtbank heeft ook in zoverre terecht overwogen dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het akoestisch rapport.

4.4. Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de beoordeling van de ammoniakschade voor zijn coniferenkwekerij had moeten uitgaan van de toename van de ammoniakuitstoot op de datum van de aanvraag van de omgevingsvergunning, dan wel de datum van verlening. Volgens hem kon de vergunning niet worden verleend, omdat bij de beoordeling van directe ammoniakschade geen rekening is gehouden met de mestsilo en stal 5 die volgens hem beide op een afstand van minder dan 50 m tot zijn coniferen liggen.

5.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het beschermingsniveau tegen directe ammoniakschade nog steeds aanvaardbaar is. Het college heeft voor de beoordeling van de directe ammoniakschade het rapport "Stallucht en Planten" uit juli 1981, opgesteld door het Instituut voor Plantenziektekundig Onderzoek (hierna: het rapport stallucht) tot uitgangspunt genomen. Uit dit rapport blijkt dat directe schade aan vegetatie rondom stallen door uitstoot van ammoniak zich bij intensieve kippen- en varkenshouderijen in de praktijk kan voordoen. Ter voorkoming van dergelijke schade wordt een afstand van minimaal 50 m tussen stallen en meer gevoelige planten en bomen, zoals coniferen, aanbevolen. Daarbij wordt uitgegaan van de afstand tot de dichtstbijzijnde gevel van de dichtstbijzijnde stal. Volgens [appellant] bedraagt de afstand tussen stal 5 en zijn coniferen 48 m. Uit de vergunning van 9 oktober 2012 volgt dat de ammoniakemissie van de inrichting als gevolg van de ingebruikname van stal 5 met 32,2 kg toeneemt ten opzichte van de eerder vergunde situatie. De totale ammoniakemissie bedraagt daardoor 1441 kg. Het college vindt deze toename bij een afstand van 48 m niet onaanvaardbaar nu [appellant] in 2006 weer is begonnen met de bedrijfsmatige teelt van coniferen en er zelf voor heeft gekozen dit op een afstand binnen 50 m tot de stallen te doen. Het college heeft daarbij in aanmerking genomen dat toen [appellant] weer begon met de bedrijfsmatige teelt van coniferen een situatie was vergund waarbij de ammoniakemissie 1994,6 kg bedroeg en de ammoniakemissie ten gevolge van het besluit van 9 oktober 2012, inclusief de toename van 32,2 kg, 1441 kg bedraagt. Het college heeft het beschermingsniveau in zoverre in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten.

5.2. Het rapport stallucht ziet slechts op schade aan vegetatie door ammoniakuitstoot uit stallen en niet op eventuele schade aan planten door de ammoniakuitstoot uit een mestsilo. Het college heeft aan de vergunning voorschriften verbonden op grond waarvan onder meer het mestbassin moet zijn afgedekt en het transport van de mest moet plaatsvinden in gesloten tankwagens of in een gesloten mestdichte leiding. Het college heeft daarmee onder meer beoogd de ammoniakuitstoot uit de mestsilo zoveel mogelijk te voorkomen, dan wel te beperken. Verder heeft het college in de frequentie van afvoer van mest of het roeren van mest geen aanleiding gezien nadere voorschriften te stellen. De rechtbank heeft in het betoog van [appellant] terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college zich ten aanzien van de mestsilo niet in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat het beschermingsniveau tegen directe ammoniakschade vanwege de mestsilo aanvaardbaar is.

5.3. Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. De Jong

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2014

628.