Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1664

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
201309074/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2011 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [verzoeker] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309074/1/V6.

Datum uitspraak: 7 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 10 september 2013 in zaak nr. 12/1035 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2011 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [verzoeker] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Bij besluit van 6 juni 2012 heeft de minister het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 september 2013 heeft de rechtbank het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 juni 2012 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen om binnen acht weken na verzending van de uitspraak opnieuw op het bezwaar van [verzoeker] te beslissen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 26 maart 2014 heeft de staatssecretaris het door [verzoeker] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2011 opnieuw ongegrond verklaard.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2014, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en [verzoeker], bijgestaan door mr. L.J. Blijdorp, advocaat te Culemborg, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

3. De staatssecretaris heeft het verzoek van [verzoeker] afgewezen, omdat zij bij indiening van haar verzoek geen gelegaliseerde of van apostille voorziene geboorteakte en geen geldig buitenlands reisdocument heeft overgelegd en omdat bewijsnood zich niet voordoet.

4. [verzoeker] heeft in verweer aangevoerd dat het hogerberoepschrift van de staatssecretaris geen gronden bevat, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4.1. De staatssecretaris betoogt in zijn hogerberoepschrift van 27 september 2013 dat de rechtbank ten onrechte het beroep van [verzoeker] gegrond heeft verklaard, omdat volgens hem de identiteit van [verzoeker] niet is komen vast te staan. Nu het hogerberoepschrift in ieder geval één grond bevat, is anders dan [verzoeker] betoogt, voldaan aan de vereisten van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht en is het hoger beroep van de staatssecretaris ontvankelijk.

5. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij het beroep van [verzoeker] ongegrond had moeten verklaren, reeds omdat de identiteit van [verzoeker] niet is komen vast te staan. Deze grond kan immers de afwijzing van het verzoek zelfstandig dragen, aldus de staatssecretaris.

5.1. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [verzoeker] gestelde pogingen ter verkrijging van een geboorteakte niet voldoende zijn voor een geslaagd beroep op bewijsnood. Aangezien [verzoeker] geen hoger beroep heeft ingesteld is niet in geschil dat de identiteit van [verzoeker] niet vaststaat. De staatssecretaris betoogt terecht dat deze grond de afwijzing van het verzoek om verlening van het Nederlanderschap zelfstandig kan dragen, zodat de rechtbank ten onrechte het beroep van [verzoeker] niet reeds hierom ongegrond heeft verklaard.

Het betoog slaagt.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking meer. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 6 juni 2012 alsnog ongegrond verklaren.

7. Bij besluit van 26 maart 2014 heeft de staatssecretaris, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [verzoeker] gemaakte bezwaar. Nu dit besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, is door vernietiging van die uitspraak de grondslag aan dat besluit komen te ontvallen, zodat het reeds daarom dient te worden vernietigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 10 september 2013 in zaak nr. 12/1035;

III. verklaart het in die zaak door [verzoeker] ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van 26 maart 2014 van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie met zaaknummer Z1-4419226397.

Aldus vastgesteld door mr. A.B.M. Hent, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Hent w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2014

164-766.