Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1663

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-05-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
201309271/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309271/1/V3.

Datum uitspraak: 2 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 september 2013 in zaak nr. 13/15753 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Bij besluit van 22 mei 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 september 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag (lees: het gemaakte bezwaar) neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris dient tevens te worden verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door de vreemdeling gestelde medische problemen moeten worden beschouwd als een zelfstandige grond ter verkrijging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en niet als een van de factoren die volgens paragraaf B16/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) moeten worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of aan de vreemdeling voortgezet verblijf dient te worden toegestaan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

Daartoe betoogt de staatssecretaris, samengevat weergegeven, dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat hij de door de vreemdeling gestelde medische problemen uitsluitend heeft beschouwd als een zelfstandige grond ter verkrijging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De rechtbank heeft niet onderkend dat uit het besluit van 22 mei 2013 blijkt dat de staatssecretaris de aangevoerde medische omstandigheden wel degelijk heeft meegewogen als een van de factoren die moeten worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of aan de vreemdeling voortgezet verblijf dient te worden toegestaan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. De staatssecretaris wijst er voorts op dat hij er in dat besluit nadrukkelijk op heeft gewezen dat de vreemdeling zich voor ondersteuning op maat kan wenden tot de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: de IOM) en de organisatie Maatwerk bij Terugkeer, die onder meer kunnen helpen bij het verkrijgen van toegang tot gespecialiseerde medische instellingen in Sierra Leone. Volgens de staatssecretaris heeft hij de door de vreemdeling gestelde medische problemen derhalve in overeenstemming met zijn beleid meegewogen en heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daaraan niet zo veel gewicht toekomt dat aan de vreemdeling voortgezet verblijf dient te worden toegestaan.

2.1. Volgens paragraaf B16/4.5 van de Vc 2000, zoals deze luidde ten tijde van belang, kunnen aanvragen om voortgezet verblijf van slachtoffers van mensenhandel wier aangifte of andersoortige medewerking niet tot een strafzaak dan wel rechterlijke uitspraak heeft geleid, alleen voor inwilliging in aanmerking komen, indien naar het oordeel van de minister wegens bijzondere individuele omstandigheden van een vreemdeling niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat. Bij de beoordeling van een dergelijke aanvraag kunnen de volgende factoren een belangrijke rol spelen:

- risico van represailles jegens betrokkene en haar of zijn familie en de mate van bescherming daartegen die de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn te bieden;

- risico van vervolging in het land van herkomst, bijvoorbeeld op grond van prostitutie;

- de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst, rekening houdend met de specifieke culturele achtergrond en het eventuele prostitutieverleden van betrokkene, duurzame ontwrichting van familierelaties, de eventuele maatschappelijke opvattingen over prostitutie en het overheidsbeleid ter zake.

Buiten deze factoren kan bijvoorbeeld gedacht worden aan psychische problemen waarvoor de vreemdeling in Nederland in behandeling is, de zorg die de vreemdeling heeft voor kinderen die in Nederland zijn geboren of een opleiding volgen, en de positie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst. Hierbij is nog van belang dat, indien psychische of andere medische omstandigheden worden aangevoerd, dit slechts als onderdeel van de te wegen factoren kan worden meegenomen. Indien het zwaartepunt van de aangevoerde omstandigheden ligt op medische omstandigheden, ligt beoordeling in het kader van het beleid medische behandeling meer in de rede. Dit geldt eveneens als verblijf wordt beoogd om een medische noodsituatie te voorkomen of als gesteld wordt dat behandeling in het land van herkomst niet mogelijk is.

2.2. In het besluit van 22 mei 2013 heeft de staatssecretaris zich primair op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is van mensenhandel en reeds daarom geen rechten kan ontlenen aan paragraaf B16/4.5 van de Vc 2000. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de staatssecretaris dit standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd. Hiertegen heeft de staatssecretaris in hoger beroep geen grieven gericht.

Subsidiair heeft de staatssecretaris zich in het besluit van 22 mei 2013 op het standpunt gesteld dat de vreemdeling evenmin in aanmerking komt voor voortgezet verblijf, indien, in weerwil van zijn primaire standpunt, moet worden uitgegaan van de door haar afgelegde verklaringen.

In dit kader heeft de staatssecretaris opgemerkt dat de enkele omstandigheid dat de vreemdeling aan een posttraumatische stressstoornis lijdt niet tot de conclusie kan leiden dat vaststaat dat zij slachtoffer van mensenhandel is. Nu door de vreemdeling, los van de gestelde, niet aannemelijk geachte mensenhandelproblematiek, slechts medische aspecten zijn aangevoerd, is dit een op zichzelf staande grond ter verkrijging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die eerst naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag kan worden beoordeeld, aldus de staatssecretaris.

Subsidiair is de staatssecretaris enerzijds, in tegenstelling tot zijn primaire standpunt, uitgegaan van de verklaringen van de vreemdeling dat zij slachtoffer is van mensenhandel. Anderzijds heeft hij vastgehouden aan zijn primaire standpunt dat die verklaringen niet aannemelijk zijn. In zoverre is de door de staatssecretaris gegeven motivering innerlijk tegenstrijdig en heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat deze ondeugdelijk is.

2.3. De rechtbank is er evenwel aan voorbijgegaan dat de staatssecretaris in het besluit van 22 mei 2013 tevens heeft vermeld dat de mogelijkheden en toegankelijkheid van medische behandeling voor de vreemdeling in het land van herkomst in de huidige procedure niet worden beoordeeld en dat hetgeen de vreemdeling heeft gesteld en overgelegd met betrekking tot haar medische problemen slechts als onderdeel van de te wegen factoren kan worden meegenomen. Deze medische problemen leiden volgens de staatssecretaris, in samenhang bezien met hetgeen aan overige factoren is aangevoerd, niet tot de conclusie dat aan de vreemdeling verblijf dient te worden toegestaan op grond van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard. Daarbij heeft de staatssecretaris benadrukt dat de IOM, in aanvulling op de basisvoorzieningen binnen het programma 'Return and Emigration from the Netherlands', individuele ondersteuning bij somatische en psychische klachten biedt. In het besluit van 9 oktober 2012, dat is herhaald en ingelast in het besluit van 22 mei 2013, heeft de staatssecretaris toegelicht welke vormen van medische ondersteuning de IOM kan bieden. Verder heeft de staatssecretaris er in beide besluiten op gewezen dat de vreemdeling zich ook kan wenden tot andere non-gouvernementele organisaties die actief zijn in Sierra Leone, zoals Maatwerk bij Terugkeer. Deze organisatie werkt samen met de organisatie Christian Brothers in een project voor terugkeerders uit Nederland en andere Europese landen. Daarbij wordt door een gespecialiseerde sociaal werker onder meer, in samenwerking met HealthNet TPO, voorzien in psychosociale begeleiding.

2.4. Op de onder 2.3. weergegeven wijze heeft de staatssecretaris de door de vreemdeling aangevoerde medische problemen voldoende bij de belangenafweging betrokken en voldoende gemotiveerd dat deze niet leiden tot het oordeel dat van de vreemdeling niet kan worden gevergd dat zij Nederland verlaat.

De vreemdeling heeft in beroep niet meer betwist dat zij zich voor hulp bij en na de terugkeer naar Sierra Leone kan wenden tot de IOM en de andere organisaties die de staatssecretaris in zijn besluiten van 9 oktober 2012 en 22 mei 2013 heeft genoemd. Zij heeft in beroep wel betoogd dat er voor haar in Sierra Leone slechts tijdelijk opvang beschikbaar is en dat niet gegarandeerd is dat zij de benodigde medische zorg ontvangt, laat staan dat voor haar een herintegratieprogramma of psychotherapie beschikbaar is. Volgens de vreemdeling zullen haar psychische problemen een ernstige belemmering vormen voor haar sociale en maatschappelijke herintegratie. Uit de door haar overgelegde verklaring van haar psychotherapeut van 3 mei 2013 blijkt dat zij therapie nodig heeft, een door haar als veilig ervaren omgeving en een sociaal steunsysteem. Aangezien de twee laatstgenoemde factoren in Sierra Leone ontbreken, is moeilijk voorstelbaar dat de behandeling aldaar enige kans van slagen heeft, aldus de vreemdeling.

De staatssecretaris heeft, gelet op het gewicht dat in het onder 2.1. weergegeven beleid wordt toegekend aan psychische of andere medische omstandigheden binnen de door hem te maken afweging, niet nader hoeven onderzoeken of er voor de vreemdeling in Sierra Leone voldoende mogelijkheden voor medisch-psychische behandeling bestaan en of deze behandeling in haar geval effectief zal zijn. In de vreemdelingenwetgeving en het bij de toepassing daarvan gevoerde beleid is voorzien in een specifieke beperking inzake medische behandeling. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 2 maart 2007 in zaak nr. 200607507/1, volgt uit die wetgeving en de daaruit blijkende systematiek dat bij een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die verband houdt met psychische problemen, moet worden aangesloten bij de daarvoor geldende beperkingen en ter verkrijging van een zodanige vergunning een daartoe strekkende aanvraag moet worden ingediend.

De rechtbank heeft dan ook in zoverre ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris het besluit van 22 mei 2013 onvoldoende heeft gemotiveerd.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op overweging 2.4., het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 22 mei 2013 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren. Aan de hier niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Hierover is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het besluit van 22 mei 2013 waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Dientengevolge vallen deze gronden thans buiten het geding.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 september 2013 in zaak nr. 13/15753;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Laar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2014

551.