Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:166

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
201400182/1/V1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 30 augustus 2013 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, het door de vreemdeling tegen het besluit van 1 mei 2013, waarbij het COa een aanvraag van de vreemdeling om hem krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) opvang te verlenen opnieuw heeft afgewezen, ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het COa binnen drie weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400182/1/V1.

Datum uitspraak: 16 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa).

Procesverloop

Bij uitspraak van 30 augustus 2013 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, het door de vreemdeling tegen het besluit van 1 mei 2013, waarbij het COa een aanvraag van de vreemdeling om hem krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) opvang te verlenen opnieuw heeft afgewezen, ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het COa binnen drie weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft het COa hoger beroep ingesteld (zaak nr. 201309032/1/V1). Het COa heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 23 december 2013 (zaak nr. 201309032/2/V1) heeft de voorzitter van de Afdeling dit verzoek toegewezen, in die zin dat het COa geen nieuw besluit op de aanvraag hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

De vreemdeling heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het COa. Het door de rechtbank doorgezonden beroepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. Zoals volgt uit de uitspraak van 17 juli 2002 in zaak nr. 200102356/1 (www.raadvanstate.nl) verstaat de Afdeling onder een besluit als bedoeld in (thans) artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede het niet tijdig nemen van een nieuw besluit na vernietiging door de rechter in eerste aanleg van het oorspronkelijke, in eerste aanleg bestreden, besluit.

Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, wordt een beroep tegen het niet tijdig nemen van een dergelijk besluit, terwijl bij de Afdeling hoger beroep is ingesteld tegen de tot vernietiging van het oorspronkelijke besluit strekkende uitspraak van de rechter in eerste aanleg, door de Afdeling beoordeeld. Daarom wordt thans door de Afdeling beslist op het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

2. Ingevolge artikel 6:12, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb, voor zover thans van belang, kan beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingesteld zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

3. Ingevolge de uitspraak van 23 december 2013 in zaak nr. 201309032/2/V1 hoeft het COa, totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist, geen nieuw besluit op de aanvraag te nemen, zodat het COa niet in gebreke is tijdig een besluit te nemen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Hierom dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

4. Het beroep is kennelijk ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. De Groot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2014

210.