Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1659

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
201309207/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Compensatiewoning ZWR 7 nabij [locatie 1]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309207/1/R4.

Datum uitspraak: 7 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Gouderak, gemeente Ouderkerk,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Ouderkerk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan

"Compensatiewoning ZWR 7 nabij [locatie 1]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een

enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2014, waar [appellant A] en [appellant B], en de raad, vertegenwoordigd door W. den Hartigh, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij] gehoord.

Overwegingen

1. Ter zitting is het beroep ingetrokken voor zover dat was ingesteld door [appellant B].

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet in een nieuwe woning nabij [locatie 1] te Gouderak, tussen dat perceel en de woning van [appellant A] op [locatie 2].

4. Het beroep van [appellant A] richt zich tegen het plan, voor zover dat een nieuwe woning naast zijn woning mogelijk maakt.

[appellant A] betoogt dat het plan in strijd met het gemeentelijk beleid voor de zichtlijnen is vastgesteld.

Voorts betoogt [appellant A] dat het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld, aangezien op grond van het plan een woning met een inhoud van 715 m3 mag worden opgericht, terwijl hij ten tijde van de bouw van zijn woning nog gebonden was aan een maximale inhoud van 500 m3.

[appellant A] betoogt verder dat hij gezondheidsproblemen heeft en dat hij vanwege de rust en openheid ter plaatse aan het [locatie] is gaan wonen. In zijn afweging heeft de raad ten onrechte geen betekenis toegekend aan het belang bij behoud van de rust en openheid ter plaatse, aldus [appellant A].

Verder betoogt hij dat de keuze voor deze kavel als locatie voor een compensatiewoning op ondoorzichtige wijze tot stand is gekomen.

Ter zitting heeft [appellant A] verder betoogd dat de raad het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, doordat op grond van het plan een huis mag worden gebouwd, terwijl het [appellant A] in 1997 niet was toegestaan om een huis te bouwen op zijn grond aan het [locatie 3].

5. De raad stelt dat het provinciaal en gemeentelijk beleid erop is gericht om het oprichten van nieuwe gebouwen in het buitengebied in beginsel niet toe te staan. De raad heeft geen specifiek beleid geformuleerd ter behoud van de zichtlijnen in het buitengebied. In dit geval voldoet de woning aan de voorwaarden die het gemeentebestuur heeft geformuleerd in de beleidsregel ‘Toewijzing bouwkavel buitengebied’ voor de bouw van een nieuwe woning ter compensatie van een elders in verband met de aanleg van de Zuidwestelijke Randweg N207 gesloopte woning en is op provinciaal niveau een ontheffing voor de bouw van de woning verleend, aldus de raad.

De raad stelt voorts dat ten tijde van de bouw van de woning van [appellant A] provinciaal beleid van kracht was op grond waarvan woningen een inhoud van maximaal 500 m3 mochten hebben. Sinds de provincie dit beleid heeft losgelaten, hanteert de raad een maximale inhoudsmaat van 650 m3 met een afwijkingsmogelijkheid van 10%.

De raad stelt verder dat de bouw van een woning ter plaatse niet zal leiden tot een wezenlijke verandering in de beleving van rust en openheid, aangezien de woning in het bestaande lint wordt gebouwd en geen aanleiding zal geven tot veel extra verkeersbewegingen.

Ten slotte stelt de raad dat de beleidsregel ‘Toewijzing bouwkavel buitengebied’ op 4 mei 2011 bekend is gemaakt in het plaatselijke huis-aan-huisblad ‘Postiljon’. Op basis van deze beleidsregel is het contingent woningen verdeeld, aldus de raad.

6. Aan het plangebied is de bestemming ‘Wonen’ en de aanduiding ‘bouwvlak’ toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2 van de planregels worden op de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd met inachtneming van de volgende regels: (…)

g. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak alsmede ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' worden opgericht;

h. het gezamenlijk oppervlak aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak bedraagt ten hoogste 50% van het achtererf;

i. de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak bedraagt ten hoogste 50 m², behalve indien:

1. het achtererf van de woning groter is dan 500 m², bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken ten hoogste 75 m²;

2. het achterf van de woning groter is dan 750 m², bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken ten hoogste 100 m².

7. De Afdeling is van oordeel dat het beroep van [appellant A] ongegrond is en verwijst voor de motivering van dit oordeel naar de overwegingen 6 tot en met 10 van de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 19 november 2013 in zaak nr. 201309207/2/R4. De Afdeling ziet in de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding om tot een ander oordeel dan dat van de voorzitter te komen.

Voor zover [appellant A] met zijn beroep ook heeft beoogd op te komen tegen de bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken die het plan biedt, is van belang dat uit artikel 3, lid 3.2, aanhef en onder g, van de planregels volgt dat bijbehorende bouwwerken uitsluitend mogen worden gebouwd hetzij binnen het bouwvlak, hetzij ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’. Een redelijke uitleg van lid 3.2, onder h en i, brengt met zich dat deze laatste onderdelen, voor zover zij beperkingen stellen aan de mogelijkheid om bijbehorende bouwwerken op te richten buiten het bouwvlak, alleen betrekking hebben op gronden waarop de aanduiding ‘bijgebouwen’ is aangebracht. Aan het plangebied is deze aanduiding niet toegekend, zodat bijbehorende bouwwerken alleen binnen het bouwvlak mogen worden gerealiseerd. Deze uitleg van de planregels strookt met wat de raad bij de vaststelling van het plan voor ogen heeft gehad, zoals blijkt uit de plantoelichting en zoals ter zitting van de zijde van de raad is bevestigd. Het voorgaande betekent dat ook wat de bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken betreft geen grond bestaat voor het oordeel dat het plan leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant A].

Ten aanzien van het betoog van [appellant A] dat zich strijd met het gelijkheidsbeginsel voordoet doordat het plan een woning mogelijk maakt terwijl het hem in 1997 niet is toegestaan aan het Veerstalblok een woning te bouwen, overweegt de Afdeling dat, zoals in de plantoelichting is vermeld, de woning die in het plan wordt mogelijk gemaakt een uitzondering vormt op het uitgangspunt dat in het buitengebied geen nieuwe woningen zijn toegestaan. Deze uitzondering houdt verband met de aanleg van de Zuidwestelijke Randweg N207, waartoe op 11 november 2009, met de vaststelling van een inpassingsplan door provinciale staten van Zuid-Holland, definitief is besloten. Van een situatie die vergelijkbaar is met de situatie waar [appellant A] op doelt, is dan ook geen sprake.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2014

375-808.