Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1654

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
201307077/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Burgwal" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/509
JOM 2014/486
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307077/1/R1.

Datum uitspraak: 7 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Haarlem,

2. [appellant sub 2], wonend te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer,

3. [appellant sub 3], wonend te Haarlem, en anderen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Haarlem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Burgwal" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. C.C. de Brauw, advocaat te Haarlem, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. E.M. van Bommel, [appellant sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door J. van Heusden en bijgestaan door J. van der Lee, G. Ruijterman, A. van der Stelt, Y.J.M. Remers, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting eigenaar van Energieschip [woonschip], bijgestaan door mr. M.W. van der Hulst, werkzaam bij Mees Ruimte en Milieu, en firma [bedrijf], vertegenwoordigd door mr. F.W. Huizinga, advocaat te Haarlem, als partij gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan biedt een actueel planologisch kader voor bestaande functies en gebouwen in het plangebied. Het plan is overwegend conserverend van aard en biedt slechts in beperkte gevallen een verruiming van bouw- en gebruiksmogelijkheden.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. [appellant sub 1], bewoner van het perceel [locatie 1], richt zich tegen de bestemming "Maatschappelijk" en de aanduiding "onderwijs" die zijn toegekend aan het perceel [locatie 2], nu daarmee volgens hem het gebruik ten behoeve van de buitenschoolse opvang (hierna: BSO) en peuterspeelzaal bij de Veronicaschool wordt gelegaliseerd.

In zijn nader stuk heeft hij verklaard dat hij, anders dan in zijn beroepschrift staat, zich niet richt tegen de reeds gerealiseerde uitbreiding van de Veronicaschool in het plan.

3.1. In het plan is aan het perceel [locatie 2] de bestemming "Maatschappelijk" toegekend, voorzien van de aanduiding "onderwijs".

Ingevolge artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder a en f, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "onderwijs" bestemd voor een basisschool, BSO en peuterspeelzaalwerk.

3.2. In het voorgaande bestemmingsplan "Spaarne Lieve Vrouwengracht", vastgesteld door de raad op 1 mei 1976 en in zoverre goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten op 27 september 1977, was aan het perceel [locatie 2] de bestemming "Bijzondere doeleinden II met bijbehorend terrein (BD-II)" toegekend.

Ingevolge artikel 6 van de voorschriften van dat plan waren deze gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van scholen.

3.3. Bij besluit van 14 juli 1981 heeft het college van burgemeester en wethouders een bouwvergunning verleend voor de bouw van de Veronicaschool. Tevens is bij dat besluit op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend van het bestemmingsplan "Spaarne Lieve Vrouwengracht", wat betreft de omvang van het bouwvlak op het perceel [locatie 2].

Op de bouwtekeningen bij de bouwvergunning is een ruimte ingetekend voor een peuterspeelzaal.

3.4. De Afdeling stelt vast dat de peuterspeelzaal, gelet op de bouwtekeningen bij de met vrijstelling verleende bouwvergunning van 14 juli 1981, reeds planologisch op het perceel [locatie 2] was toegestaan. Een met vrijstelling verleende bouwvergunning is een bestaand recht waaraan bij de vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel niet voorbij kan worden gegaan. Met betrekking tot de bouw- en gebruiksmogelijkheden die zijn vergund in de met vrijstelling verleende bouwvergunning staat voorop dat deze gelet op de rechtszekerheid, in beginsel in zijn geheel als zodanig dienen te worden bestemd. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de raad de peuterspeelzaal niet als zodanig had moeten bestemmen.

3.5. Ten aanzien van de BSO overweegt de Afdeling dat, anders dan de raad stelt, deze met het voorliggende plan voor het eerst planologisch wordt toegestaan. Het door de raad aangedragen feit dat op de bouwtekeningen bij de in 1981 verleende bouwvergunning ook een overblijfruimte is weergegeven, maakt niet dat een BSO destijds planologisch mogelijk werd gemaakt. De Afdeling overweegt in dat verband dat naar algemeen Nederlands taalgebruik onder een overblijfruimte in een schoolgebouw een ruimte moet worden verstaan waar kinderen tussen de middag kunnen lunchen. BSO daarentegen is een ruimer begrip, waar kinderen ook voorafgaand aan en na afloop van een schooldag kunnen verblijven. De Afdeling neemt bij de uitleg van het begrip overblijfruimte in aanmerking dat het in de jaren ’80, ten tijde van de vrijstelling en de verleende bouwvergunning, anders dan thans het geval is, nog niet gebruikelijk was om kinderen voor en na schooltijd op een BSO te laten verblijven.

Ter zitting is gebleken dat, anders dan [appellant sub 1] veronderstelt, thans geen BSO aanwezig is op de Veronicaschool. De kinderen van die school gaan naar een BSO op de nabijgelegen locatie Hagestraat 10, welke BSO gebruik maakt van het schoolplein bij de Veronicaschool als speelruimte voor de kinderen. De raad heeft ter zitting toegelicht dat, omdat scholen wettelijk gezien meer faciliteiten moeten gaan aanbieden, hij met het oog op de toekomst wel een BSO in de Veronicaschool mogelijk wil maken. Het is in de praktijk met het voorliggende plan echter niet mogelijk een BSO ter plaatse te realiseren, omdat daarvoor volgens de raad binnen de Veronicaschool geen ruimte aanwezig is, hetgeen [appellant sub 1] niet heeft bestreden. De raad heeft in dat verband te kennen gegeven dat de BSO niet in de klaslokalen kan plaatsvinden, omdat de lokalen daarvoor gelet op de ruimte en inrichting niet geschikt zijn. Omdat de peuterspeelzaal reeds in gebruik is, is het ook niet mogelijk om daar een BSO te realiseren. Voorts is niet in geschil dat de Veronicaschool geen extra leerlingen kan aannemen vanwege de beperkte ruimte, hetgeen er ook op wijst dat er een ruimtegebrek is. De raad heeft ter zitting verklaard ook nog geen concreet voornemen te hebben om een BSO op het perceel [locatie 2] op te richten.

Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat binnen de planperiode van dit plan op het perceel [locatie 2] geen BSO zal worden gerealiseerd. Derhalve ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder f, van de planregels, voor zover daarin een BSO is genoemd en voor zover die bepaling van toepassing is op het bouwvlak op het perceel [locatie 2], in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld.

Of het gebruik van de BSO aan de Hagestraat 10 van het schoolplein bij de Veronicaschool in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, zal hierna worden beoordeeld.

4. [appellant sub 1] betoogt dat het plan voor hem tot ernstige geluidoverlast leidt. Hij voert in dat verband aan dat voor de berekening van het wegverkeerslawaai ten onrechte geen metingen op de gevel van zijn woning zijn verricht, maar alleen is uitgegaan van berekeningen met verkeersgegevens.

Voorts is volgens hem in het akoestisch onderzoek voor de berekening van het wegverkeerslawaai ten onrechte geen rekening gehouden met de verkeersaantrekkende werking van Veronicaschool met de peuterspeelzaal en de BSO.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het voor de beoordeling van het wegverkeerslawaai niet nodig is om geluidmetingen te verrichten op de gevels van nabij de Veronicaschool gelegen woningen.

4.2. Uit de stukken blijkt dat het wegverkeerslawaai is berekend met de Standaard Rekenmethode 1. Dit is een gebruikelijke methode om het wegverkeerslawaai in een stedelijke omgeving vast te stellen en in deze methode rekening wordt gehouden met het aspect geluidweerkaatsing. Gelet hierop en in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoegd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij in het kader van de voorbereiding van het plan geen metingen op de gevel van [appellant sub 1] had hoeven verrichten.

Gelet op hetgeen is overwogen in 5.4 faalt het betoog dat in het akoestisch onderzoek voor de berekening van het wegverkeerslawaai ten onrechte geen rekening is gehouden met de verkeersaantrekkende werking van de Veronicaschool en de peuterspeelzaal. Voor zover het betoog betrekking heeft op de mogelijkheid in het plan een BSO in het bouwvlak van de Veronicaschool te realiseren, behoeft dat betoog gelet op hetgeen is overwogen in 3.5 geen bespreking. Voor zover het betoog van [appellant sub 1] aldus moet worden opgevat dat hij verkeersaantrekkende werking vreest van het gebruik door de BSO aan de Hagestraat 10 van het schoolplein bij de Veronicaschool, overweegt de Afdeling dat aannemelijk is dat de kinderen op de locatie van de BSO, zijnde Hagestraat 10, door hun ouders worden opgehaald en niet op het schoolplein. Gelet hierop is niet aannemelijk dat dit gebruik extra verkeersbewegingen tot gevolg heeft.

5. [appellant sub 1] betoogt dat het plan in strijd is met de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure), omdat de afstand van zijn woning tot het bestemmingsvlak van de Veronicaschool niet voldoet aan de in de brochure opgenomen richtafstand van 30 m die geldt voor het maatgevende aspect geluid. Het standpunt van de raad dat sprake is van een gemengd gebied is volgens [appellant sub 1] onjuist, omdat de hoofdfunctie wonen is en in de straat verder alleen de Veronicaschool staat. Subsidiair voert [appellant sub 1] op dit punt aan dat indien wel sprake is van een gemengd gebied, het gebied niet geschikt is voor een bedrijf van categorie B in de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

[appellant sub 1] betoogt verder dat de raad bij de voorbereiding van het plan ten onrechte niet het stemgeluid van buitenspelende kinderen heeft onderzocht. Hij acht in dat verband van belang dat het gebruik van het schoolplein als gevolg van de peuterspeelzaal en BSO zal worden geïntensiveerd.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat sprake is van een gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure waardoor een richtafstand van minimaal 10 m in plaats van 30 m voor geluid op deze situatie van toepassing is. Omdat in planologisch opzicht wat betreft het gebruik en bebouwing niets verandert, kan volgens de raad een afstand van 9 m aangehouden worden. Onder voormelde omstandigheden is ook niet aannemelijk dat als gevolg van het plan het stemgeluid van de buitenspelende kinderen zal toenemen, aldus de raad.

5.2. De afstand van de woning van [appellant sub 1] tot het bestemmingsvlak waar BSO wordt toegestaan is ongeveer 9 m.

Volgens de VNG-brochure geldt voor kinderopvang wat betreft het maatgevende aspect geluid een richtafstand van 30 m in een rustige woonwijk en een richtafstand van 10 m in gemengd gebied.

5.3. Voor zover [appellant sub 1] ter zitting heeft betoogd dat de afstand van zijn woning tot het bestemmingsvlak van de Veronicaschool op de verbeelding weliswaar ongeveer 9 m is, maar in werkelijkheid 6,6 m betreft, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] dat verschil, wat daarvan ook zij, niet heeft kunnen verklaren. Gelet hierop gaat de Afdeling uit van een afstand van ongeveer 9 m.

De Afdeling stelt voorop dat de aanbevolen richtafstanden uit de VNG-brochure primair zijn bedoeld voor toepassing in planologisch gezien nieuwe situaties. De VNG-brochure gaat uit van twee omgevingstypen, te weten het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en het omgevingstype gemengd gebied. Blijkens de VNG-brochure wordt onder gemengd gebied verstaan een gebied met een matige tot sterke functievermenging waarbij direct naast woningen andere functies voorkomen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Dit begrip wordt gebruikt om richtafstanden aan te geven tussen een bedrijventerrein of bedrijfslocatie en een gebied met een variatie aan functies, zoals wonen, horeca en kleine bedrijvigheid. Volgens de VNG-brochure is bij het omgevingstype gemengd gebied een correctie van één afstandsstap lager mogelijk.

De VNG-brochure gaat voorts uit van gemotiveerd toepassen. Nu in het gebied, dat in het centrum van Haarlem ligt, verschillende functies voorkomen als wonen, detailhandel en bedrijven is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een gemengd gebied. De omstandigheid dat in de straat naast woningen enkel de school staat, maakt niet dat sprake is van een rustige woonwijk in de zin van de VNG-brochure. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de school en BSO, nu zij als bedrijven in milieucategorie B worden aangemerkt, niet passend zijn in een woonwijk.

Gelet op hetgeen is overwogen in 3.4 faalt het betoog dat het plan niet in overeenstemming is met de VNG-brochure vanwege de aanwezigheid van de Veronicaschool en de peuterspeelzaal, omdat dit geen planologisch nieuwe ontwikkelingen zijn. Hierop is de VNG-brochure niet van toepassing. Voor zover het betoog betrekking heeft op de mogelijkheid in het plan een BSO in het bouwvlak van de Veronicaschool te realiseren, behoeft dat gelet op hetgeen is overwogen in 3.5 geen bespreking. Voor zover het betoog van [appellant sub 1] aldus moet worden opgevat dat het plan niet in overeenstemming is met de VNG-brochure vanwege het gebruik van het schoolplein door de BSO aan de Hagestraat 10, overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder h en i, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) blijft bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in onder meer artikel 2.17, buiten beschouwing het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een inrichting voor primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs en het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang.

Uit artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder h en i, van het Activiteitenbesluit volgt dat het stemgeluid van kinderen in de daar bedoelde situaties buiten beschouwing blijft bij het bepalen van de daar bedoelde geluidniveaus. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 september 2012 in zaak nr. 201106299/1/R4) neemt dat echter niet weg dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan mogelijke geluidhinder voor omwonenden, ook indien dit hinder betreft door menselijk stemgeluid, in het kader van een goede ruimtelijke ordening in de vereiste belangenafweging dient te betrekken. Het plan leidt weliswaar tot een intensivering van het gebruik van het schoolplein, maar de raad heeft gelet op het maatschappelijk belang in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de mogelijkheid voor de BSO aan de Hagestraat 10 om gebruik te maken van het schoolplein dan aan het belang van [appellant sub 1] om zo min mogelijk geluidhinder te ondervinden. Daarnaast heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat de intensivering van het gebruik van het schoolplein dusdanige gevolgen met zich brengt dat zijn woon- en leefklimaat daardoor in onaanvaardbare mate wordt aangetast. Het betoog faalt.

6. [appellant sub 1] voert aan dat uit het oogpunt van geluidhinder in het plan ten onrechte geen maximum aantal uren is bepaald waarbinnen op het schoolplein mag worden gespeeld. Ter zitting is gebleken dat hij wenst dat er openingstijden voor het schoolplein in het bestemmingsplan worden opgenomen.

6.1. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in het voorliggende plan de openingstijden van het schoolplein hadden moeten worden opgenomen. Daarbij wordt van belang geacht dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat op ongebruikelijke tijdstippen gebruik wordt gemaakt van het schoolplein.

7. [appellant sub 1] voert aan dat de uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden in het plan leidt tot parkeerproblemen. Hij wijst erop dat er geen parkeerplaatsen voor de school, de peuterspeelzaal en de in het school mogelijk te realiseren BSO ter plaatse gevestigd zijn en dat de Antoniestraat een smalle straat is die slechts in beperkte mate parkeren mogelijk maakt.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Veronicaschool en de peuterspeelzaal geen nieuwe planologische ontwikkelingen zijn. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het plan niet mogelijk maakt dat er meer kinderen kunnen worden toegelaten op de school en de peuterspeelzaal, zodat het plan ook niet om die reden leidt tot parkeerproblemen.

7.2. Gelet op hetgeen is overwogen in 3.4 faalt het betoog dat het plan gelet op de Veronicaschool en de peuterspeelzaal tot parkeerproblemen leidt, omdat het plan in zoverre geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt die extra parkeerplaatsen behoeven. Voor zover het betoog betrekking heeft op de mogelijkheid in het plan een BSO in het bouwvlak van de Veronicaschool te realiseren, behoeft dat gelet op hetgeen is overwogen in 3.5 geen bespreking. Voor zover het betoog van [appellant sub 1] aldus moet worden opgevat dat hij stelt dat het plan in parkeerplaatsen moet voorzien voor het gebruik dat de BSO aan de Hagestraat 10 van het schoolplein maakt, overweegt de Afdeling dat aannemelijk is dat de kinderen op de locatie Hagestraat 10 door hun ouders worden opgehaald en niet op het schoolplein. Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk dat het plan voor [appellant sub 1] tot parkeerproblemen leidt.

8. In de enkele stelling van [appellant sub 1] dat het plan in strijd is met de Wet milieubeheer, de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie Noord-Holland en, buiten het aspect wat betreft het parkeren, met de Haarlemse Bouwverordening, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat daarvan sprake is.

9. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" en voorzien van de aanduiding "onderwijs", gelegen in het bouwvlak aan de [locatie 2], is genomen in strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 2]

10. [appellant sub 2] heeft ter zitting verklaard dat haar beroep is gericht tegen de uitsterfregeling voor het gebruik van de gronden met de bestemming "Water" ter plaatse van de aanduiding "detailhandel" door [bedrijf] en tegen het ontbreken van de definitie van het begrip tuincentrum in de planregels. Zij heeft hierbij te kennen gegeven geen bezwaren te hebben tegen de bestaande omvang van de bedrijfsvoering van de eenmanszaak [bedrijf] (hierna: de firma [bedrijf]), maar geen uitbreiding van deze bedrijfsvoering te wensen. De overige beroepsgronden zoals genoemd in het beroepschrift zijn ter zitting door [appellant sub 2] ingetrokken. Dat zijn de beroepsgronden dat ten onrechte geen definitie is opgenomen van het begrip detailhandel als bedoeld in de aanduiding "detailhandel", de drie dekschuiten van de firma [bedrijf] inbreuk maken op het straatbeeld en een onaanvaardbare aantasting vormen van het beschermd stadsgezicht, onduidelijk is of binnen de bestemming "Verkeer" ook uitstallingen ten behoeve van detailhandel zijn toegestaan, als gevolg van het gebruik van de dekschuiten met bijbehorende uitstalling ten onrechte een aantal openbare parkeerplaatsen niet gebruikt kan worden, ten onrechte geen rekening is gehouden met de parkeervraag als gevolg van de bedrijfsvoering op de dekschuiten en het plan tot een aanmerkelijke verslechtering van de verkeersveiligheid leidt vanwege het laden en lossen van goederen voor de firma [bedrijf] op de openbare weg.

11. [appellant sub 2] heeft beoogd de omvang van het geschil uit te breiden door na afloop van de beroepstermijn voor het aanvullen van de gronden op te komen tegen het plan voor zover daarin de hoogtematen van de dekschuiten niet zijn geregeld. Binnen de beroepstermijn of, als een nadere termijn voor het aanvullen van de gronden is gegeven, uiterlijk binnen die termijn, dient vast te staan waartegen de beroepsgronden zijn gericht. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat de omvang van het geschil na afloop van die termijn wordt uitgebreid. Hetgeen alsnog met betrekking tot het plan, voor zover dat niet voorziet in een regeling van de hoogtematen van de dekschuiten, naar voren is gebracht, moet daarom in deze procedure buiten beschouwing worden gelaten.

12. [appellant sub 2], exploitant van een winkel op het perceel [locatie 3], richt zich tegen het plan voor zover het plan een uitbreiding mogelijk maakt van de bestaande bedrijfsvoering van de firma [bedrijf]. De firma [bedrijf] exploiteert een winkel voor bloemen en planten op het perceel [locatie 4]. Op dekschuiten in het water, onder meer ter hoogte van het perceel [locatie 3], worden goederen van de firma uitgestald en opgeslagen.

13. [appellant sub 2] betoogt dat in de planregeling ten onrechte geen definitie is opgenomen van het begrip tuincentrum als bedoeld in artikel 15, lid 15.1, aanhef en onder j, van de planregels. Volgens [appellant sub 2] zijn de aard en omvang van de ter plaatse toegelaten activiteiten onvoldoende afgebakend.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het begrip tuincentrum voldoende duidelijk is en enkel in de planregeling is opgenomen om de activiteiten van de firma [bedrijf] te omschrijven.

13.2. Aan de gronden ter hoogte van de percelen [locatie 3] tot en met 42, is de bestemming "Water" toegekend, voorzien van de aanduiding "detailhandel".

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, aanhef en onder j, van de planregels zijn de voor "Water" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "detailhandel" bestemd voor een tuincentrum. Het betreft een oppervlakte van ongeveer 50 m bij 4,5 m.

13.3. De Afdeling overweegt dat de raad heeft beoogd met de aanduiding "tuincentrum" de bestaande situatie vast te leggen, te weten het planologisch toestaan van dekschuiten met bloemen en planten ter hoogte van onder meer het perceel [locatie 3]. Voorts dient naar algemeen Nederlands taalgebruik onder een tuincentrum wordt verstaan een bedrijf dat gespecialiseerd is in de verkoop van tuinartikelen. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het begrip tuincentrum rechtsonzeker is. De Afdeling betrekt bij haar oordeel dat voor zover [appellant sub 2] vreest voor een grootschalig tuincentrum ter plaatse, dat niet mogelijk is nu de aanduiding "detailhandel" is toegekend aan een oppervlakte van ongeveer 50 m bij 4,5 m.

14. [appellant sub 2] voert aan dat de uitsterfregeling die voor het tuincentrum is opgenomen onvoldoende duidelijk is. Volgens haar moet uit het oogpunt van rechtszekerheid in de planregeling worden opgenomen dat indien het bedrijf onder algemene of bijzondere titel in eigendom op een derde overgaat, sprake is van een strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2, lid 2.1, onder 1, sub c, van de planregels.

14.1. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat is beoogd dat het gebruik van de gronden met de bestemming "Water" ter plaatse van de aanduiding "detailhandel" eindigt indien de persoon [bedrijf] stopt met zijn onderneming.

14.2. Ingevolge artikel 15, lid 15.4, onder a, van de planregels is het gebruik van de gronden met de bestemming "Water" ter plaatse van de aanduiding "detailhandel", zoals genoemd in het eerste lid, onder i, van dit artikel, slechts voorbehouden aan de firma h.o.d.n. [bedrijf], gevestigd aan [locatie 4], […. ..] te Haarlem en ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel Amsterdam onder nummer [……..].

14.3. In het uittreksel van de Kamer van Koophandel van de firma [bedrijf] staat dat het een eenmanszaak betreft.

De Afdeling overweegt dat op de website van de Kamer van Koophandel staat dat bij een bedrijfsoverdracht ondernemingen een nieuw KvK-nummer krijgen, zodat het duidelijk is dat sprake is van een nieuwe eigenaar. Gelet hierop en nu in artikel 15, lid 15.4, onder a, van de planregels expliciet het desbetreffende KvK-nummer is opgenomen, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat die bepaling niet rechtszeker is. Immers, indien [bedrijf] met zijn onderneming stopt en een andere natuurlijk persoon dan wel rechtspersoon zijn onderneming overneemt, zal het KvK-nummer worden gewijzigd.

15. [appellant sub 2] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 2] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit in zoverre onjuist zou zijn.

16. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3] en anderen

17. [appellant sub 3] en anderen richten zich tegen de aanduiding "ligplaats" die in het plan is opgenomen ter hoogte van het perceel [locatie 5]. Volgens hen is de ligplaats bedoeld voor het schip [woonschip], maar ontbreekt in het plan een koppeling van de aanduiding met dat schip en staat het plan er daardoor niet aan in de weg dat, gelet op de Woonschepenverordening, ter plaatse een object met een hoogte van 4 m kan worden opgericht. Hierdoor wordt het beschermenswaardige aanzicht van het gebied, aangeduid als de bufferzone Teylersmuseum, aangetast, aldus [appellant sub 3] en anderen. Verder wensen zij dat een uitsterfregeling voor het schip [woonschip] in het plan wordt opgenomen.

17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met de aanduiding "ligplaats" het reeds aanwezige schip [woonschip] planologisch mogelijk wordt gemaakt. Voor het schip is al een ligplaatsvergunning verleend, aldus de raad.

17.2. In het plan is aan de locatie ter plaatse van de ligplaats van het schip [woonschip], ter hoogte van het perceel [locatie 5], de bestemming "Water" met de aanduiding "ligplaats" toegekend.

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, aanhef en onder i, van de planregels, zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor een permanente, niet commerciële, ligplaats voor een vaartuig in het kader van promotie, educatie en bewustwording rond het thema duurzaamheid, ter plaatse van de aanduiding "ligplaats" op de verbeelding.

Ingevolge lid 15.2 mogen binnen de bestemming "Water" andere bouwwerken worden opgericht onder de volgende voorwaarden:

[…]

d. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer dan 1 m bedragen.

[…]

h. de oppervlakte per overig andere bouwwerk mag, behalve voor bruggen, niet meer dan 10 m² bedragen.

Ingevolge artikel 1, lid 1.7 wordt onder een ander bouwwerk een bouwwerk, geen gebouw zijnde, verstaan.

Ingevolge lid 1.37 wordt onder bouwwerk verstaan elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Ingevolge lid 1.49 is een gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

17.3. In de plantoelichting staat dat het Teylers Museum in april 2011 op de Voorlopige Lijst Werelderfgoed van UNESCO is gezet. Rondom het Teylers Museum is een zogeheten bufferzone gelegd die met name het vrije uitzicht moet garanderen. Dit bestemmingsplan draagt bij aan het in stand houden van de ruimtelijke kwaliteit van de bufferzone, aldus de plantoelichting.

17.4. De Afdeling stelt gelet op afbeelding 4.7 van de plantoelichting vast dat de gronden met de aanduiding "ligplaats" zijn gelegen in de bufferzone als vermeld in 17.3.

Ter zitting hebben [appellant sub 3] en anderen desgevraagd verklaard dat zij zich met hun beroep niet richten tegen het als zodanig bestemmen van het energieschip [woonschip], maar vrezen dat wanneer de [woonschip] ter plaatse zal worden vervangen, een onaanvaardbare inbreuk kan worden gemaakt op het beschermenswaardige aanzicht van het gebied. De Afdeling overweegt dat die vrees gegrond is. Het plan maakt een permanente ligplaats mogelijk, zodat gebouwen en bouwwerken niet uitgesloten zijn. Een vaartuig kan immers ook een bouwwerk zijn.

De Afdeling stelt, gelet op artikel 1, lid 1.7 en artikel 15, lid 15.2, van de planregels vast, dat in het plan voor de bestemming "Water" bouwregels zijn opgenomen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hierin is alleen een maximale hoogte en niet een maximale lengte en breedte bepaald. Voorts maakt het plan gebouwen mogelijk op de gronden met de aanduiding "ligplaats" in de vorm van permanent afgemeerde vaartuigen met een voor mensen toegankelijke opbouw, maar ontbreken daarvoor de bouwregels in het plan. Als gevolg hiervan zijn de bouwmogelijkheden voor gebouwen in de vorm van vaartuigen op grond van het plan onbegrensd.

Het standpunt van de raad dat bij de verlening van een ligplaatsvergunning rekening wordt gehouden met de welstand, wat daarvan ook zij, is niet relevant, omdat in een bestemmingsplan bouwregels voor bouwwerken behoren te worden opgenomen. Ook indien alleen een vaartuig, niet zijnde een bouwwerk, in het plan wordt toegestaan, dient de raad daarvoor, gelet op het beschermenswaardig gebied waarin het vaartuig ligt, de maximale afmetingen in het plan op te nemen. In het kader van de vaststelling van het voorliggende plan dient immers te worden beoordeeld of een vaartuig als bedoeld in artikel 15 van de planregels ruimtelijk aanvaardbaar is. Daarbij merkt de Afdeling op dat de eisen van welstand van andere aard zijn dan die van de ruimtelijke aanvaardbaarheid.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat de raad in strijd met een goede ruimtelijke ordening de aanduiding "ligplaats" aan de gronden ter plaatse heeft toegekend. In het plan is niet gewaarborgd dat het plan, wat betreft de gronden met de bestemming "Water" en de aanduiding "ligplaats", niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de bufferzone. Het betoog dat [appellant sub 3] en anderen een uitsterfregeling wensen voor de [woonschip] behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking.

18. [appellant sub 3] en anderen richten zich voorts tegen artikel 15, lid 15.1, aanhef en onder h, van de planregels. Volgens hen zijn in deze bepaling ten onrechte geen eisen opgenomen wat betreft de verschijningsvorm van het toegestane wachtlokaal ter plaatse van de aanduiding "recreatie" ter hoogte van het perceel [locatie 6].

18.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het reeds aanwezige wachtlokaal met de aanduiding "recreatie" in het plan planologisch mogelijk wordt gemaakt. In het plan is het gebruik mogelijk gemaakt en is de ruimtelijke begrenzing aangegeven waarbinnen het wachtlokaal en de ook toegestane rondvaartboten mogen liggen. Voorts is reeds een ligplaatsvergunning voor het wachtlokaal verleend waarin de afmetingen zijn opgenomen, aldus de raad.

18.2. In het plan is aan de locatie ter plaatse van het aanwezige wachtlokaal, ter hoogte van het perceel [locatie 6], de bestemming "Water" met de aanduiding "recreatie" toegekend.

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, aanhef en onder h, van de planregels, zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor een rondvaartbotenbedrijf met drie boten en een wachtlokaal ter plaatse van de aanduiding "recreatie" op de verbeelding, waarbij aan gasten die in het bezit zijn van een kaartje en die wachten op de eerstvolgende rondvaart, alcoholvrije dranken en etenswaren mogen worden verstrekt tijdens de openingstijden van het rondvaartbedrijf.

Ingevolge artikel 1, lid 1.37 wordt onder bouwwerk verstaan elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Ingevolge lid 1.49 is een gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

18.3. De Afdeling stelt gelet op afbeelding 4.7 van de plantoelichting vast dat de gronden met de aanduiding "recreatie" zijn gelegen in de bufferzone als vermeld in 17.3.

Ter zitting hebben [appellant sub 3] en anderen desgevraagd verklaard dat zij het huidige wachtlokaal wat betreft verschijningsvorm niet fraai vinden, maar zich met hun beroep niet richten tegen het als zodanig bestemmen hiervan. Zij vrezen voor de verschijningsvorm van een nieuw wachtlokaal ter plaatse van het huidige wachtlokaal, omdat dat mogelijk een onaanvaardbare inbreuk kan maken op het beschermenswaardige aanzicht van het gebied. [appellant sub 3] en anderen stellen terecht dat het plan daaraan niet in de weg staat.

De Afdeling stelt gelet op artikel 1, lid 1.7, van de planregels vast dat in artikel 15, lid 15.2 alleen bouwregels zijn opgenomen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Een wachtlokaal dient gelet op artikel 1, lid 1.49 van de planregels, te worden aangemerkt als een gebouw. In het plan zijn voor de bestemming "Water" geen bouwregels opgenomen voor gebouwen. Als gevolg hiervan kan op basis van het bestemmingsplan een wachtlokaal worden opgericht met, voor zover het binnen de aanduiding "recreatie" past, onbegrensde bouwmogelijkheden.

Dat volgens de raad een ligplaatsvergunning moet worden verleend voor een wachtlokaal, waarbij volgens de raad rekening wordt gehouden met de welstand, neemt, wat daarvan ook zij, niet weg dat in het kader van de vaststelling van het voorliggende plan dient te worden beoordeeld of een wachtlokaal als bedoeld in artikel 15 van de planregels ruimtelijk aanvaardbaar is. Daarbij merkt de Afdeling op dat de eisen van welstand van andere aard zijn dan die van de ruimtelijke aanvaardbaarheid.

Nu geen afmetingen zijn opgenomen voor het wachtlokaal in de planregels, is niet gewaarborgd dat het plan, wat betreft de gronden met de bestemming "Water" en de aanduiding "recreatie" ter plaatse van het bestaande wachtlokaal, niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de bufferzone. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in strijd met een goede ruimtelijke ordening de aanduiding "recreatie" aan de gronden ter plaatse heeft toegekend.

19. In hetgeen naam [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de gronden met de bestemming "Water", voorzien van de aanduiding "ligplaats" en de aanduiding "recreatie" ter plaatse van het bestaande wachtlokaal, is genomen in strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Verwerken op www.ruimtelijkeplannen.nl

20. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

21. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 3] en anderen is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken.

Ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en anderen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Haarlem van 16 mei 2013, waarbij het bestemmingsplan "Burgwal" is vastgesteld, voor zover het ziet op:

a. het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" en de aanduiding "onderwijs" wat betreft de [locatie 2], voor zover het het bouwvlak betreft;

b. het plandeel met de aanduiding "ligplaats";

c. het plandeel met de aanduiding "recreatie" ter plaatse van het bestaande wachtlokaal;

III. draagt de raad van de gemeente Haarlem op om binnen 26 weken met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen ten aanzien van de hiervoor vermelde onderdelen II.b en c een nieuw besluit te nemen;

IV. draagt de raad van de gemeente Haarlem op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II. a wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Haarlem tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 994,94 (zegge: negenhonderdvierennegentig euro en vierennegentig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Haarlem aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 1];

- € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 3] en anderen vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. van Gisbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Van Gisbergen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2014

668.