Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1652

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
201306964/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:8566, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [wederpartij] over 2008 definitief vastgesteld op € 4.434,00 en het te veel betaalde van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306964/1/A2.

Datum uitspraak: 7 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 juli 2013 in zaak nr. 13/1588 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Lisse,

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [wederpartij] over 2008 definitief vastgesteld op € 4.434,00 en het te veel betaalde van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 14 januari 2013, aangevuld bij dat van 25 januari 2013, heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, de toeslag over 2008 herzien en vastgesteld op nihil en het te veel betaalde van haar teruggevorderd.

Bij uitspraak van 15 juli 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de Belastingdienst/Toeslagen opgedragen binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2014, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, werkzaam in zijn dienst, en [wederpartij], bijgestaan door mr. R.G.N. le Roy, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

[…]

j. houder: degene die een kindercentrum of een gastouderbureau exploiteert;

[…];

n. kinderopvangtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder j, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) in de kosten van kinderopvang;

[…].

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op deze wet de Awir van toepassing, met uitzondering van artikel 49.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien het betreft kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum of gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. Van 1 januari 2008 tot en met 30 april 2008 was de gastouderopvang van de dochter van [wederpartij] geregeld via gastouderbureau Darkom en van 1 juni 2008 tot en met 31 december 2008 via gastouderbureau Roodkapje.

Bij het besluit van 19 juni 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag vastgesteld voor de gastouderopvang via Roodkapje. [wederpartij] heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, omdat zij volgens haar ook voor het deel van het jaar dat de gastouderopvang via Darkom was geregeld aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag. Aan het besluit van 14 januari 2013, aangevuld bij dat van 25 januari 2013, heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [wederpartij] niet heeft aangetoond dat zij in 2008 kosten heeft gemaakt voor kinderopvang, zodat zij bij nader inzien voor dat jaar in het geheel geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag.

De rechtbank heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen niet bevoegd was de definitief vastgestelde tegemoetkoming die zag op de opvang via Roodkapje ten nadele van [wederpartij] te herzien. De rechtbank heeft voorts overwogen dat [wederpartij] heeft aangetoond dat zij in 2008 de kosten voor opvang via Darkom voor haar rekening heeft genomen, zodat de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte heeft geweigerd aan haar een toeslag toe te kennen voor de kosten van opvang die via dat gastouderbureau heeft plaatsgevonden.

3. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank dat aanspraak bestaat op kinderopvangtoeslag over 2008 voor opvang via Darkom.

De Belastingdienst/Toeslagen betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [wederpartij] haar stelling dat zij een deel van de kosten privé en onderling heeft verrekend met de gastouder niet met stukken heeft gestaafd. Nu [wederpartij] aldus niet heeft aangetoond dat zij de kosten voor kinderopvang via Darkom geheel heeft voldaan, heeft zij geen aanspraak op kinderopvangtoeslag voor die opvang, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

3.1. De rechtbank heeft, overeenkomstig vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 22 juni 2011 in zaak nr. 201010918/1/H2), terecht overwogen dat uit artikel 18 van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, volgt dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten.

De Afdeling volgt [wederpartij] niet in haar in verweer ingenomen standpunt dat uit de Wko niet volgt dat zij zelf kosten moet maken voor kinderopvang. Uit de artikelen 1, eerste lid, aanhef en onder n, en 7, eerste lid, van de Wko volgt dat kinderopvangtoeslag een tegemoetkoming van het Rijk in de kosten van kinderopvang is, die afhankelijk is van het inkomen van de ouder. Een deel van de kosten van kinderopvang blijft derhalve voor rekening van de ouder.

3.2. [wederpartij] heeft erkend dat zij in ieder geval een bedrag van € 1.362,00, waarvan zij stelt dat zelf aan de gastouder te hebben betaald, niet kan aantonen met objectieve bewijsstukken. De enkele verklaring van de gastouder dat [wederpartij] dat bedrag contant heeft voldaan, is zonder nadere ondersteunende gegevens onvoldoende bewijs.

Gelet hierop voert de Belastingdienst/Toeslagen terecht aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij betaling van voormeld bedrag heeft aangetoond. Het verweer van [wederpartij] dat zij in 2008 niet wist op welke wijze zij de gastouder diende te betalen, kan haar niet baten. Het had [wederpartij] duidelijk moeten zijn dat zij, als degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, de betalingen aan de gastouder met objectieve bewijsstukken moet kunnen aantonen.

3.3. Dat [wederpartij] kan aantonen dat zij een deel van de kosten van kinderopvang over 2008 via Darkom wel heeft voldaan betekent, anders dan zij in verweer heeft aangevoerd, niet dat zij aanspraak kan maken op een evenredig lager voorschot. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 2 april 2014 in zaak nr. 201209147/1/A2 baseert de Belastingdienst/Toeslagen zich bij de vaststelling van de tegemoetkoming op de tussen partijen gemaakte afspraken, die, gelet op artikel 52, eerste lid, van de Wko, vastgelegd dienen te zijn in een schriftelijke overeenkomst. Daarbij heeft de Belastingdienst/Toeslagen te kennen gegeven dat hij, gelet op het feit dat zich gedurende het toeslagjaar omstandigheden kunnen voordoen waardoor behoefte bestaat om van de in de schriftelijke overeenkomst vastgelegde afspraken af te wijken, bereid is de kinderopvangtoeslag te berekenen aan de hand van de aan hem doorgegeven gewijzigde afspraken.

[wederpartij] heeft op verzoek van de Belastingdienst/Toeslagen gegevens verstrekt waaruit de door haar gemaakte afspraken over kinderopvang blijken. Nu het bedrag aan kosten dat [wederpartij] blijkens deze gegevens verschuldigd is niet overeenkomt met het bedrag van de aangetoonde daadwerkelijk betaalde kosten, moet worden aangenomen dat de kinderopvang niet op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52, eerste lid, van de Wko heeft plaatsgevonden. Het gevolg daarvan is dat [wederpartij] geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag voor de opvang via Darkom en de Belastingdienst/Toeslagen de toeslag voor de periode 1 januari 2008 tot en met 30 april 2008 terecht op nihil heeft gesteld.

3.4. Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De Belastingdienst/Toeslagen dient met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet is aangevallen, een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep gegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. De Vries-Biharie

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2014

611.