Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1645

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
201306800/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:7556, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juli 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201306800/1/V1.

Datum uitspraak: 28 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 juni 2013 in zaak

nr. 12/35285 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 30 oktober 2012 (hierna: het besluit) heeft de minister, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 juni 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Volgens paragraaf B8/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend, stelt de medisch adviseur in sommige gevallen vast dat een bepaalde medische behandeling slechts kans van slagen heeft indien de betrokken vreemdeling op een 'mantelzorgnetwerk' kan terugvallen, waarmee wordt bedoeld dat de aard van de aandoening het noodzakelijk maakt dat de desbetreffende vreemdeling door derden wordt verzorgd.

2.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 16 augustus 2013 in zaak nr. 201210703/1/V4) is een advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. De staatssecretaris moet zich, indien hij een advies van het BMA, daaronder begrepen de eventueel nadien uitgebrachte nota's, aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan vergewissen dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

2.2. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het advies van het BMA van 8 mei 2012 (hierna: het BMA-advies) ten onrechte aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, omdat daarin niets staat over mantelzorg. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank niet onderkend dat de brief van 6 april 2012 van de behandelaars van de vreemdeling niet vermeldt waaruit de mantelzorg voor de vreemdeling in Nederland bestaat, zodat hij het BMA-advies terecht aan het besluit ten grondslag heeft gelegd.

2.3. De bestreden overweging steunt op de brieven van 26 oktober 2011 en 6 april 2012 van de behandelaars van de vreemdeling. In beide brieven staat dat een doel van de behandeling is het beheersbaar maken van de sociale problematiek door het opbouwen van sociale steun, dagstructuur en dagbesteding, dat dit nog moeizaam gaat en dat de vreemdeling in Marokko niet over mantelzorg beschikt, hetgeen zij wel nodig heeft om stabiel te blijven functioneren.

De brief van 6 april 2012 is bij het opstellen van het BMA-advies betrokken. De medische klachten van de vreemdeling bestaan volgens het BMA-advies reeds vele jaren uit slaapstoornissen, nachtmerries, angst en somberheid. In het verleden zou zij zelfmoordpogingen hebben ondernomen en nu zijn er gedachten aan zelfmoord. Het BMA-advies vermeldt als aard van de behandeling dat door middel van verschillende technieken en interventies wordt getracht de klachten te stabiliseren en dat wordt gewerkt aan het opbouwen van sociale steun, dagstructuur en dagbesteding. Verder vermeldt het BMA-advies dat niet wordt verwacht dat het uitblijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, omdat de vreemdeling tot op heden niet opgenomen is geweest, de zelfmoordpogingen in het verleden worden beschreven, de actuele gedachten aan zelfmoord niet worden geconcretiseerd, er geen psychotische verschijnselen worden beschreven op grond waarvan de vreemdeling onbedoeld in levensgevaarlijke situaties kan geraken en er geen beschrijving is gegeven van een ernstig disfunctioneren zodanig dat de vreemdeling in haar zelfzorg bedreigd wordt.

2.4. De enkele omstandigheid dat in het BMA-advies niets over mantelzorg staat, biedt geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris het BMA-advies ten onrechte aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, reeds omdat de behandelaars in voormelde brieven niet hebben vermeld dat de vreemdeling in Nederland door derden wordt verzorgd.

De eerste grief slaagt.

3. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de vreemdeling in de gelegenheid gesteld een drietal vragen over mantelzorg voor te leggen aan haar behandelaars. De vreemdeling heeft, voor zover thans van belang, een brief van 26 februari 2013 van haar behandelaars en een brief van 7 maart 2013 van Vluchtelingenwerk overgelegd. Vervolgens heeft het BMA op verzoek van de staatssecretaris op 6 mei 2013 een aanvullende nota uitgebracht (hierna: de BMA-nota).

In de brief van 26 februari 2013 staat dat ondersteuning in de vorm van mantelzorg noodzakelijk is om stabiliteit te bereiken bij de vreemdeling, dat het hierna mogelijk is om de trauma's te behandelen, dat de mantelzorg die de vreemdeling nu heeft tijdelijk is en bestaat uit de primaire levensbehoeften, waaronder voedsel, water en onderdak, dat bij afwezigheid van mantelzorg wordt verwacht dat de klachten zullen toenemen en dat het moeten overleven op straat zal kunnen leiden naar een herhaling van crisissituaties, waaronder tentamen suïcide en automutilatie.

In de brief van 7 maart 2013 staat onder meer dat de vreemdeling sinds 8 mei 2012 tijdelijk is gehuisvest in een noodopvang van een kerkelijke organisatie, waar zij behalve opvang ook geld krijgt om te voorzien in haar primaire levensbehoeften.

De BMA-nota vermeldt dat voormelde mantelzorg niet nodig is voor het welslagen van een behandeling, dat eenieder is aangewezen op het vervullen van de primaire levensbehoeften en dat deze zorg niet valt onder medisch noodzakelijke zorg, zodat aanpassing van het BMA-advies op dit punt niet nodig is.

3.1. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd wat betreft de reële vrees dat de vreemdeling op straat zal komen te verkeren en dan snel afglijdt, nu de mantelzorg die de opvangvoorziening biedt verder gaat dan de primaire levensbehoeften die iedereen nodig heeft en kennelijk helpt om een crisissituatie te voorkomen. De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank aldus haar eigen oordeel in de plaats heeft gesteld van dat van het BMA, zonder dat zij daartoe deskundig is. Onder verwijzing naar de BMA-nota betoogt de staatssecretaris dat geen sprake is van medisch noodzakelijke mantelzorg als bedoeld in paragraaf B8/4 van de Vc 2000 en dat het toezien op medicijngebruik en nakoming van medische afspraken kan worden verricht door de thuiszorg in het land van herkomst.

3.2. Het antwoord in het BMA-advies zoals vermeld onder 2.3, dat niet wordt verwacht dat het uitblijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, is gemotiveerd aan de hand van aanwezige risicofactoren in de medische voorgeschiedenis van de vreemdeling. De enkele vermelding in de brief van 26 februari 2013, dat de klachten naar verwachting zullen toenemen en dat het moeten overleven op straat zal kunnen leiden naar een herhaling van crisissituaties, is in dit licht bezien onvoldoende om te kunnen spreken van medisch noodzakelijke mantelzorg. Gelet hierop is de conclusie in de BMA-nota, dat de mantelzorg die de opvangvoorziening biedt niet nodig is voor het welslagen van de behandeling, inzichtelijk. Nu voorts onbestreden is de overweging van de rechtbank dat medicatietrouw en deelname aan therapie kan worden gewaarborgd door de in het land van herkomst aanwezige thuiszorg, heeft de staatssecretaris het BMA-advies en de BMA-nota terecht aan het besluit ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft dit niet onderkend en ten onrechte haar eigen oordeel daarvoor in de plaats gesteld.

De tweede grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit toetsen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. Voor zover de vreemdeling bedoelt te betogen dat de staatssecretaris het onderzoek door de rechtbank heeft belemmerd door geen inzage te geven in de brief van 6 april 2012, kan dit betoog niet slagen, reeds omdat de vreemdeling die brief zelf in beroep heeft overgelegd.

6. Het betoog van de vreemdeling dat de staatssecretaris haar ten onrechte niet met toepassing van artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft vrijgesteld van het vereiste te beschikken over een machtiging tot voorlopig verblijf nu zij is aangewezen op mantelzorg, faalt, gelet op hetgeen in 2.4 en 3.2 is overwogen.

7. De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris haar in de gelegenheid had moeten stellen te worden gehoord omdat zij volgens de brief van 26 oktober 2011 is aangewezen op mantelzorg.

7.1. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren van de vreemdeling niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

Gelet op de motivering van het besluit van 24 juli 2012, hetgeen de vreemdeling daartegen in bezwaar heeft aangevoerd en hetgeen onder 2.4, 3.2 en 6 is overwogen, is aan voormelde maatstaf voldaan.

Het betoog faalt.

8. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden wordt niet toegekomen. Over die gronden heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin bestaat nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het besluit waarop deze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Die gronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 juni 2013 in zaak nr. 12/35285;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2014

154-701.