Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1644

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
201306858/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Alkmaar Zuid-West" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306858/1/R1.

Datum uitspraak: 7 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te Alkmaar,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Alkmaar, en anderen,

3. [appellant sub 3], wonend te Alkmaar,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Alkmaar,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Alkmaar Zuid-West" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1], [appellante sub 2] en anderen en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [appellant sub 3] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2014, waar [appellanten sub 1], in de persoon van [appellant sub 1A] en bijgestaan door mr. G.G. Kranendonk, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand,

[appellante sub 2] en anderen, in de persoon van [gemachtigde] en bijgestaan door mr. M.P.A. Balder, advocaat te Alkmaar, [appellant sub 3], en de raad, vertegenwoordigd door W.J. de Jong en M. Brouwer-de Looze, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door mr. O.V. Wilkens, werkzaam bij Stichting VvAA, als partij gehoord,

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor delen van een drietal wijken van Alkmaar, te weten de wijken Zuid, West en het Centrum, en is grotendeels conserverend van aard.

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 1]

4. Het beroep van [appellanten sub 1] is gericht tegen het plan, voor zover hierin niet wordt voorzien in de bouw van bijgebouwen op het achtererf van hun perceel [locatie A]. Zij wensen ter plaatse een garage te realiseren en betogen dat het niet mogelijk maken van bijgebouwen op hun perceel in strijd is met het vertrouwensbeginsel, omdat de op 3 juli 2012 door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde beleidsregels "Afwijkingsbeleid afwijken van het bestemmingsplan" (hierna: het Afwijkingsbeleid) wel voorzien in een bouwmogelijkheid tot maximaal 75 m² aan bijgebouwen. Ook heeft volgens hen het college van burgemeester en wethouders in het verleden meerdere malen toegezegd dat op grote achtererven grotere bouwmogelijkheden zouden worden toegestaan voor bijgebouwen. Zij wijzen hierbij op twee brieven van de juridisch adviseur sector Bestuursondersteuning van de gemeente Alkmaar van 29 augustus 2007 en 15 oktober 2007.

4.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie A] de bestemming "Wonen" toegekend. Aan het zuidelijke deel van dit perceel waar de garage is voorzien is tevens de functieaanduiding "tuin" toegekend.

Ingevolge artikel 22, lid 22.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Wonen" onder meer bestemd voor woningen en solitaire tuinen, ter plaatse van de functieaanduiding "tuin".

Ingevolge lid 22.2, onder 1 en 2, zijn voor hoofdgebouwen en aan- en uitbouwen bouwregels opgenomen.

Ingevolge lid 22.2, onder 5, mogen ter plaatse van de functieaanduiding "tuin" uitsluitend kassen en tuinhuizen worden gebouwd, met dien verstande dat:

a. de maximale gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 25 m² bedragen;

b. de maximale goothoogte bedraagt 3 m;

c. de maximale bouwhoogte bedraagt 4,5 m.

Niet in geschil is dat op gronden met de bestemming "Wonen" en de functieaanduiding "tuin" geen bijgebouwen mogen worden gebouwd.

4.2. In de plantoelichting staat dat het gebied Westerhoutkwartier, waarbinnen het perceel [locatie A] ligt, is aangewezen als beschermd stadsgezicht en dat de bescherming is bedoeld om het karakter van het gebied te behouden. Het Westerhoutkwartier is van algemeen belang vanwege de bijzondere cultuur- en architectuurhistorische waarden alsmede de landschappelijke, stedenbouwkundige en natuurwaarden. Het is een karakteristiek stedelijk woongebied met een stadspark uit de periode 1850-1940 gebaseerd op een oudere hoofdwegenstructuur. De groenstructuur is in het gehele Westerhoutkwartier dominant aanwezig, zowel het openbaar groen (groene pleinen, middenbermen, laanbomen) als het privé-groen (voor- en achtertuinen). Voor het Westerhoutkwartier is overeenkomstig de doelstelling van het besluit tot aanwijzing van het beschermd stadsgezicht de bebouwing volgens de voorgaande bestemmingen in het plan vastgelegd. Dit is eveneens gebeurd ten aanzien van de structuur van groen, bebouwing, water en wegen.

In de plantoelichting staat verder dat naast de mogelijkheden vanuit het vergunningsvrij bouwen het Afwijkingsbeleid in specifieke gevallen regels biedt voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het oprichten van onder meer bijgebouwen in strijd met het bestemmingsplan.

4.3. Vaststaat dat [appellanten sub 1] in 1999 vrijstelling en bouwvergunning hebben aangevraagd voor de bouw van een garage op hun achtererf. In 2004 is deze bouwvergunning met vrijstelling verleend voor de bouw van een garage. Op 17 juli 2006 heeft de rechtbank Alkmaar het beroep tegen de beslissing op bezwaar gegrond verklaard en het college van burgemeester en wethouders opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Het college van burgemeester en wethouders heeft hierna de verleende vrijstelling en bouwvergunning ingetrokken.

4.4. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat vanwege de te beschermen waarden van het stadsgezicht het wenselijk wordt geacht om bouwmogelijkheden voor bijgebouwen op achtererven afzonderlijk te beoordelen op onder meer de ruimtelijke effecten op de omgeving, zodat directe bouwmogelijkheden voor bijgebouwen niet in het plan zijn opgenomen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Daarbij wordt tevens van belang geacht dat niet is gebleken dat [appellanten sub 1] ten tijde van de vaststelling van het plan een zodanig concreet voornemen hadden voor de bouw van een garage op het achtererf van hun perceel aan de [locatie A] waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. Voor zover [appellanten sub 1] hebben aangevoerd dat de door hen gewenste bouwmogelijkheid overeenkomt met hun bouwaanvraag uit 1999 zodat zij niet opnieuw hun plannen bij de gemeente kenbaar hadden hoeven maken, overweegt de Afdeling dat inmiddels meer dan 14 jaar is verstreken sinds [appellanten sub 1] de bouwvergunning met vrijstelling hebben aangevraagd voor de bouw van een garage op hun achtererf. Ter zitting heeft de raad verklaard dat sinds het college van burgemeester en wethouders de verleende vrijstelling en bouwvergunning heeft ingetrokken, [appellanten sub 1] geen nieuwe bouwaanvraag hebben ingediend noch dat zij na het vaststellen van het Afwijkingsbeleid een aanvraag tot afwijking van het voorheen geldende bestemmingsplan hebben ingediend. De raad hoefde derhalve met de wens van [appellanten sub 1] geen rekening te houden.

4.5. In de brieven van de juridisch adviseur sector Bestuursondersteuning van de gemeente Alkmaar van 29 augustus 2007 en 15 oktober 2007 staat onder meer dat nieuw vrijstellingenbeleid zal worden vastgesteld en dat het de ruwe schatting is om het beleid op 1 juli 2008 in werking te laten treden. Verder staat in de brieven dat het de bedoeling is om het beleid zodanig flexibel te maken dat er in individuele gevallen, zoals bij [appellanten sub 1], gemotiveerd van het beleid kan worden afgeweken en dat dit zou kunnen inhouden dat in de toekomst op grond van het nieuwe beleid een garage als door [appellanten sub 1] gewenst mogelijk is.

Naar het oordeel van de Afdeling staat in voornoemde brieven geen toezegging dat het realiseren van bijgebouwen op de gronden van [appellanten sub 1] aan de [locatie A] planologisch mogelijk zal worden gemaakt. Bovendien berust de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan niet bij een juridisch adviseur in dienst van de gemeente, maar bij de raad.

Het betoog van [appellanten sub 1] faalt.

4.6. Gelet op het voorgaande heeft de raad er naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid voor kunnen kiezen om op het achtererf van het perceel [locatie A] geen bouwmogelijkheden voor bijgebouwen op te nemen en heeft de raad het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Het beroep van [appellanten sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2] en anderen

5. Ter zitting hebben [appellante sub 2] en anderen hun beroep, voor zover ingediend door [persoon], ingetrokken.

6. Het beroep van [appellante sub 2] en anderen is gericht tegen het niet opnemen van een bouwvlak op het onbebouwde zuidoostelijke deel van het perceel [locatie B]. Zij betogen dat sprake is van een concreet bouwplan voor het realiseren van een kantoorpand en dat in artikel 10c van de door hen in oktober 1976 getekende koopaanvraag (hierna: de koopaanvraag) een toezegging staat van de raad om ter plaatse een kantoorpand mogelijk te maken. [appellante sub 2] en anderen voeren hierbij verder aan dat de koopaanvraag door de gemeente Alkmaar is opgesteld en dat de raad op basis van deze koopaanvraag heeft besloten om de desbetreffende gronden aan hen te verkopen, zodat de raad derhalve het vertrouwen heeft gewekt dat op het onbebouwde zuidoostelijke deel van het perceel [locatie B] in de bouw van een kantoorpand zou worden voorzien. Voorts betogen [appellante sub 2] en anderen dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht of in ieder geval ter plaatse een bouwvlak met bouwverbod en nadere eisen had kunnen worden opgenomen. Indien is voldaan aan de nadere eisen dan zou het bouwverbod kunnen worden opgeheven en kan het kantoorpand gerealiseerd worden. Ten slotte voeren [appellante sub 2] en anderen aan dat de stelling van de raad dat het recht uit artikel 10c van de koopaanvraag niet meer bestaat, omdat reeds op 29 mei 2000 door het college van burgemeester en wethouders een bouwvergunning met vrijstelling is verleend voor de bouw van een berging en parkeerterrein, onjuist is. Deze bouwvergunning heeft volgens hen betrekking op een ander deel van de gronden dan waar artikel 10c van de koopaanvraag op ziet.

6.1. Blijkens de verbeelding is aan het onbebouwde zuidoostelijke deel van het perceel [locatie B] de bestemming "Gemengd - 3" toegekend zonder de aanduiding "bouwvlak".

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Gemengd - 3" onder meer bestemd voor dienstverlening en kantoren.

Ingevolge lid 10.2.1, onder a, mogen hoofdgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd.

Niet in geschil is dat op het onbebouwde zuidoostelijke deel van het perceel [locatie B] geen kantoorpand is toegestaan.

6.2. Bij brief van 7 september 1976 is aan de toenmalige besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Architectenbureau [naam] (thans: [appellante sub 2]) door de directeur van openbare werken van de gemeente Alkmaar een koopaanvraag met bijbehorende tekening toegestuurd, welke koopaanvraag betrekking had op het perceel [locatie B]. In de koopaanvraag staat in artikel 10c dat de koopster het recht heeft te gelegener tijd op de met een rooilijn op bijgaande tekening aangegeven grond en overeenkomstig de door het college van burgemeester en wethouders goed te keuren plannen een ten behoeve van haar architectenbureau benodigd kantoor te bouwen. In oktober 1976 heeft Architectenbureau [naam] de koopaanvraag getekend teruggestuurd naar de gemeente Alkmaar. Op 25 november 1976 heeft de raad besloten tot verkoop van het perceel [locatie B] aan Architectenbureau [naam].

6.3. De stelling van de raad dat de bouwmogelijkheid als bedoeld in artikel 10c van de koopaanvraag niet meer bestaat, omdat reeds op 29 mei 2000 door het college van burgemeester en wethouders vrijstelling en bouwvergunning zijn verleend voor de bouw van een berging en parkeerterrein, is naar het oordeel van de Afdeling onjuist. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de koopaanvraag en bijbehorende tekening volgt dat de locatie van het voorziene kantoorpand in het zuidoosten van het perceel [locatie B] ligt en dat voornoemde bouwvergunning met vrijstelling geen betrekking heeft op deze gronden.

De Afdeling overweegt voorts dat - wat verder ook zij van de inhoud van de koopaanvraag - [appellante sub 2] en anderen hebben geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan reeds een concreet voornemen bestond voor het realiseren van een kantoorpand op het onbebouwde zuidoostelijke deel van het perceel [locatie B]. Evenmin hebben zij anderszins aannemelijk gemaakt dat het voornemen zodanig concreet is dat zonder meer een bouwvlak of een bouwvlak met bouwverbod en nadere eisen in het voorliggende plan kon worden opgenomen. Dat duidelijk is op welke locatie het kantoorpand zal worden gebouwd en dat reeds in de koopaanvraag wordt gesproken over het kantoorpand kan niet als een zodanig concreet voornemen worden aangemerkt dat de raad daarmee rekening had behoren te houden. Daarbij acht de Afdeling van belang dat inmiddels meer dan 37 jaar is verstreken sinds het raadsbesluit van 25 november 1976.

Het betoog van [appellante sub 2] en anderen faalt.

6.4. Gelet op het voorgaande heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om aan het onbebouwde zuidoostelijke deel van het perceel [locatie B] geen bouwvlak of bouwvlak met bouwverbod en nadere eisen toe te kennen. Het beroep van [appellante sub 2] en anderen is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

7. Het beroep van [appellant sub 3] is allereerst gericht tegen artikel 8, lid 8.2.1, onder b, van de planregels. Hij voert aan dat op grond van dit artikel het aantal woningen dat in zijn pand op het perceel [locatie C] is toegestaan ten onrechte wordt beperkt tot het bestaande aantal en dat deze keuze niet is gebaseerd op een goede ruimtelijke ordening. Hierbij voert hij aan dat een woonfunctie juist een kleinere belasting van het woon- en leefklimaat en de parkeerdruk tot gevolg heeft dan de andere functies die binnen de bestemming "Gemengd - 1" zijn toegestaan. De ontheffingsmogelijkheid die in artikel 8, lid 8.4, van de planregels is opgenomen is volgens [appellant sub 3] geen aanvaardbaar alternatief.

7.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie C] de bestemming "Gemengd - 1" toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Gemengd -1" onder meer bestemd voor woningen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep / bedrijf, bedrijven en / of het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten van categorie A en B die staan vermeld in de als bijlage 1 behorende bij de planregels opgenomen "Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging", dienstverlening en kantoren.

Ingevolge lid 8.2.1, onder b, geldt dat het aantal woningen niet meer bedraagt dan het bestaande aantal.

Ingevolge lid 8.4 kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2.1, onder b, onder de voorwaarden dat:

a. er geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van de aangrenzende gronden en bouwwerken optreedt;

b. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving wordt gewaarborgd;

c. de parkeerdruk in de directe omgeving niet onevenredig wordt vergroot.

7.2. Niet in geschil is dat in 1986 vrijstelling en bouwvergunning zijn verleend voor het realiseren van kantoorruimte op de begane grond en op de eerste verdieping van het pand op het perceel [locatie C] en voor een woning op de tweede verdieping en dat deze functies als zodanig zijn bestemd in het plan. [appellant sub 3] heeft ter zitting te kennen gegeven dat ter plaatse thans één woning aanwezig is, zodat ingevolge artikel 8, lid 8.2.1, onder b, van de planregels ter plaatse maximaal één woning is toegestaan.

7.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om op het perceel [locatie C] ingevolge artikel 8, lid 8.2.1, onder b, van de planregels slechts de bestaande woning toe te staan. Daarbij wordt van belang geacht dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat dit artikellid is opgenomen om te voorkomen dat in panden waar een woonfunctie is toegestaan het aantal woningen tot een onaanvaardbaar aantal oploopt. Volgens de raad zijn niet alle panden wat omvang en indeling betreft geschikt voor de huisvesting van meer huishoudens en kan het mogelijk maken van meer huishoudens in één pand leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van de omgeving vanwege toename van onder meer de parkeerdruk en geluid waardoor overlast voor omwonenden optreedt. De Afdeling acht dit standpunt van de raad niet onredelijk.

Voorts is niet gebleken dat voorafgaand aan de vaststelling van het voorliggende plan een concreet voornemen bestond voor het realiseren van een tweede woning op het perceel [locatie C] waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening diende te houden.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad wat betreft het niet bij recht mogelijk maken van meer dan één woning op het perceel [locatie C] in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de mogelijke negatieve ruimtelijke effecten op de omgeving als gevolg van het bij recht toestaan van meer woningen in één pand dan aan de belangen die [appellant sub 3] heeft bij het realiseren van meer dan één woning op zijn perceel. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat indien [appellant sub 3] in de toekomst plannen mocht ontwikkelen om op het perceel [locatie C] meer woningen te realiseren, hiervoor in artikel 8, lid 8.4, van de planregels een afwijkingsmogelijkheid is opgenomen die kan worden toegepast indien aan de daarin vermelde voorwaarden wordt voldaan.

[appellant sub 3] heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom bij de vaststelling van het plan desondanks onvoldoende rekening zou zijn gehouden met zijn belangen.

7.4. Het betoog van [appellant sub 3] faalt.

8. Het beroep van [appellant sub 3] is verder gericht tegen artikel 8, lid 8.5.3, onder a, van de planregels. Hij betoogt dat de in het plan opgenomen definitie van kamerverhuur rechtsonzeker is, omdat niet duidelijk is wat onder het bedrijfsmatig aanbieden van verblijf moet worden verstaan. Verder voert hij aan dat op grond van dit artikel op zijn perceel [locatie C] ten onrechte geen kamerverhuur is toegestaan. Volgens hem mag het verbod op kamerverhuur niet in een bestemmingsplan worden opgenomen, nu voor kamerverhuur in de Huisvestingswet aparte regels zijn opgenomen.

8.1. Ingevolge artikel 8, lid 8.5.3, onder a, van de planregels wordt tot een strijdig gebruik met de bestemming "Gemengd - 1" in ieder geval gerekend kamerverhuur.

Ingevolge artikel 1, lid 1.41, moet onder het begrip "kamerverhuur" worden verstaan het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij het kenmerk is dat de kamerhuurder ter plaatse het hoofdverblijf heeft.

8.2. De Afdeling overweegt dat uit de planregels niet volgt wat onder het bedrijfsmatig aanbieden van verblijf moet worden verstaan. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het moet gaan om professionele kamerverhuur in het kader van een bedrijf en dat het verhuren van enkele kamers door een particulier in zijn eigen woning niet onder deze definitie valt. Naar het oordeel van de Afdeling is onvoldoende duidelijk waarom het verhuren van meerdere kamers door een particulier in zijn eigen woning niet als bedrijfsmatig kan worden aangemerkt, te meer nu het verhuren van kamers door een particulier aanzienlijke inkomsten kan genereren. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat onduidelijk is wat wel en niet valt onder het bedrijfsmatig aanbieden van verblijf en wat derhalve onder het begrip kamerverhuur moet worden verstaan. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met de rechtszekerheid.

8.3. Wat betreft het betoog van [appellant sub 3] dat het opnemen van een verbod op kamerverhuur in een bestemmingsplan in strijd is met de Huisvestingswet, overweegt de Afdeling als volgt. In de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2013, zaak nr. 201202768/1/R4, is overwogen dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan, dat zijn grondslag vindt in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), de afweging of kamerbewoning ter plaatse strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening niet achterwege kan blijven. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan gaat het om de beoordeling en de afweging of een bestemming die kamerbewoning toestaat dan wel uitsluit vanuit ruimtelijk oogpunt is aangewezen. Deze beoordeling en afweging is een andere dan de afweging die plaatsvindt bij het beoordelen van de vraag of in een concreet geval voor een woonruimte al dan niet een omzettingsvergunning op grond van de Huisvestingswet en -verordening kan worden verleend. Bij de beslissing omtrent het verlenen van een omzettingsvergunning kan immers geen integrale afweging worden gemaakt van alle bij kamerbewoning in het plangebied betrokken ruimtelijk relevante belangen. De beoordeling die dient plaats te vinden in het kader van de Wro kan dan ook niet worden vervangen door een beoordeling bij het verlenen van een vergunning op grond van de Huisvestingswet en -verordening.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat kamerverhuur niet bij recht is toegestaan vanwege de invloed hiervan op het woon- en leefklimaat van de omgeving. In dit verband wijst de raad erop dat vestiging van meer huishoudens in een eengezinswoning leidt tot een onevenredige toename van onder meer de parkeerdruk en geluid en derhalve niet wenselijk wordt geacht. [appellant sub 3] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat dit standpunt van de raad onredelijk is.

9. Het beroep van [appellant sub 3] is ten slotte gericht tegen het plandeel met de bestemming "Kantoor" voor het perceel [locatie D]. Hij betoogt dat de opslag van goederen op dit perceel ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Volgens [appellant sub 3] wordt de bestaande bebouwing ter plaatse al vele jaren legaal gebruikt voor de opslag van goederen en was hiervoor in het voorheen geldende bestemmingsplan "Zocherbuurt 1998" zelfs een maatbestemming opgenomen. Verder voert hij aan dat aan het perceel [locatie D] de bestemming "Gemengd - 1" toegekend had moeten worden, zodat tevens een woonfunctie wordt mogelijk gemaakt.

9.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie D] de bestemming "Kantoor" toegekend.

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Kantoor" onder meer bestemd voor kantoren en dienstverlening.

9.2. Blijkens de plankaart van het voorheen geldende bestemmingsplan "Zocherbuurt 1998" was aan het perceel [locatie D] de bestemming "Kantoren" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planvoorschriften behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan waren gronden met de bestemming "Kantoren" bestemd voor kantoren en / of praktijkruimten.

Ingevolge lid 7.2 mocht het perceel [locatie D] onverminderd het bepaalde in lid 7.1 worden gebruikt ten behoeve van de opslag van goederen.

9.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten om aan het perceel [locatie D] niet de bestemming "Gemengd -1 " toe te kennen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat het aanwezige pand vanwege zijn geringe hoogte en omvang niet geschikt is voor een woonfunctie. Verder heeft de raad te kennen gegeven dat het perceel vanwege zijn omvang en ligging in een woonwijk eveneens niet geschikt is voor de meeste andere functies die zijn toegestaan op gronden met de bestemming "Gemengd -1", zoals bedrijven en horeca.

Het betoog van [appellant sub 3] faalt.

9.4. De raad stelt in het verweerschrift verder dat de opslag van goederen op het perceel [locatie D] per abuis niet als zodanig is bestemd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Bestuurlijke lus

10. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de gebreken in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. De raad dient:

1. met inachtneming van overweging 8.2 artikel 1, lid 1.41, van de planregels zodanig te wijzigen dat voldoende duidelijk is wat onder kamerverhuur wordt verstaan;

2. met inachtneming van overweging 9.4 voor het plandeel met de bestemming "Kantoor" wat betreft het perceel [locatie D] het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere regeling.

Proceskosten

11. Ten aanzien van [appellant sub 3] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht. Ten aanzien van [appellanten sub 1] en [appellante sub 2] en anderen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. draagt de raad van de gemeente Alkmaar op om binnen twintig weken na de verzending van deze uitspraak:

1. met inachtneming van overweging 10 de daar omschreven gebreken te herstellen en

2. de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en de wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellante sub 2] en anderen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Driessen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2014

634.