Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1635

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
201308261/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen zuidrand Bodegraven" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308261/1/R4.

Datum uitspraak: 7 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de coöperatie met beperkte aansprakelijkheid Coöperatieve Vereniging tot Collectief Bezit van Windmolens "De Windvogel" B.A. (hierna: De Windvogel), gevestigd te Reeuwijk, appellante,

en

de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen zuidrand Bodegraven" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft De Windvogel beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Windvogel heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2014, waar De Windvogel, vertegenwoordigd door ir. M. Vogelezang, en de raad, vertegenwoordigd door mr. H.W. Lauwers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor de bedrijventerreinen Broekvelden en Groote Wetering en het gebied ten noorden van rijksweg A12 tussen het buitengebied en grenzend aan bedrijventerrein Broekvelden, de zogenoemde AC-driehoek. Het plan heeft een conserverend karakter.

3. De Windvogel kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "windturbine" ter plaatse van de gronden waar thans haar windturbine in de AC-Driehoek is gevestigd. Zij betoogt dat ten onrechte een maximum ashoogte van 34 m is vastgesteld. Zij stelt dat een maximum ashoogte moet worden vastgesteld die strookt met een ashoogte van een windturbine uit de middencategorie. Volgens De Windvogel heeft de raad onvoldoende onderzocht of op deze locatie een hogere windturbine kan worden geplaatst. Het gaat volgens haar om een verhoging in een bestaande situatie met een tiental meters, waardoor de landschappelijke uitstraling slechts zeer gering verandert, mede gezien de omliggende bosschages. Voorts betoogt zij dat onder meer de Nota Wervelender en de provinciale Structuurvisie Zuid-Holland de voorkeur geven aan de plaatsing van windmolens nabij grote landschapselementen en in of bij bedrijventerreinen. Gelet op de nabijheid van rijksweg A12 en de ligging van de windturbine binnen de bestemming "Bedrijf" is hieraan volgens De Windvogel voldaan. Verder betoogt zij dat voor enkele andere partijen, betrokken bij dit bestemmingsplan, als consoliderend uitgangspunt de maximale bedrijfsbenutting is toegestaan. Ten slotte voert De Windvogel aan dat de huidige hoogte van de windturbine te klein is om de windturbine rendabel te laten zijn.

3.1 De raad stelt zich op het standpunt dat het verhogen van de windturbine leidt tot een inbreuk op de landschappelijke waarden van de omgeving die zich kenmerkt door een vlak landschap met veel open ruimtes. De strook met bomen langs rijksweg A12 doet daar volgens de raad niet aan af. De raad stelt voorts dat De Windvogel ten onrechte suggereert dat de omgeving rondom de bestaande windturbine kan worden aangemerkt als een regulier bedrijventerrein. De AC Driehoek is een gebied met gemengde functies met, behalve bedrijfsmatige functies, veel groen en agrarisch gebruikte gronden. De raad stelt dat de gronden van de windturbine louter een bedrijfsbestemming hebben gekregen omdat de windturbine bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd. De raad wijst erop dat voor het gebiedsdeel van de AC Driehoek een conserverende planologische regeling is vastgesteld. Binnen dit beleid past het volgens de raad om de hoogte van de bestaande windturbine vast te leggen.

3.2 Aan het perceel is blijkens de verbeelding de bestemming "Bedrijf" toegekend, met de functieaanduiding "windturbine".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, onder f, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden onder meer bestemd voor windturbines, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "windturbine".

Ingevolge artikel 2, lid 2.1.4, wordt de bouwhoogte van een windturbine gemeten vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

Ingevolge artikel 4.2, lid 4.2.5, bezien in samenhang met de verbeelding, geldt voor de windturbine een maximum bouwhoogte van 34 m.

3.3 In de provinciale Structuurvisie Zuid-Holland, bij de actualisatie waarvan de Nota Wervelender is ingetrokken, is in paragraaf 4.6.3 vermeld dat locaties zijn aangewezen voor de ontwikkeling van windenergie binnen de provincie. De locaties windenergie zijn gekoppeld aan:

- zones langs snelwegen in combinatie met grootschalige bedrijvigheid;

- grootschalige infrastructuur in combinatie met grootschalige bedrijvigheid en logistiek;

- grootschalige infrastructuur en grootschalige scheidslijnen tussen land en water.

3.4 De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden is aan het beleid van de provincie. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

De omgeving waarin de windturbine is gesitueerd kan niet worden gekwalificeerd als een omgeving met grootschalige bedrijvigheid, nu het perceel van de windturbine wordt omgeven door groen, aan de oostzijde en zuidzijde waarvan zich rijksweg A12 bevindt, met daarachter weilanden, terwijl zich aan de westzijde eveneens weilanden bevinden en aan de noordzijde een parkeerterrein ligt. Weliswaar is de windturbine in de nabijheid van, maar niet langs rijksweg A12 gelegen. Gelet hierop kan de locatie van de windturbine, die niet behoort tot de door het provinciebestuur aangewezen locaties, niet op één lijn worden gesteld met de door het provinciebestuur aangewezen locaties. Reeds hierom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat met de provinciale Structuurvisie onvoldoende rekening zou zijn gehouden. Daarnaast heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verhogen van de windturbine tot een windturbine van de middencategorie leidt tot een zodanige aantasting van de landschappelijke waarden dat doorslaggevend gewicht dient toe te komen aan het voorkomen daarvan boven de belangen van De Windvogel bij het opnemen van een hogere ashoogte.

3.5 Het standpunt van De Windvogel dat voor andere partijen als consoliderend uitgangspunt de maximale bedrijfsbenutting is toegestaan en dit uitgangspunt niet wordt gehanteerd voor de locatie van de windturbine mist feitelijke grondslag, nu aan De Windvogel niet minder wordt toegestaan dan in het vorige bestemmingsplan.

3.6 Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van de door De Windvogel gewenste maximum ashoogte voor de windturbine.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2014

271-817.