Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1615

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
07-05-2014
Zaaknummer
201301984/3/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2012, kenmerk 69/2012, heeft de raad het bestemmingsplan "Sint-Oedenrode Oost" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301984/3/R3.

Datum uitspraak: 7 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Sint-Oedenrode,

en

de raad van de gemeente Sint-Oedenrode,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2012, kenmerk 69/2012, heeft de raad het bestemmingsplan "Sint-Oedenrode Oost" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, en de raad, vertegenwoordigd door J.G.C. Meijkamp en J.C.A.M. den Otter, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 23 oktober 2013 in zaak nr. 201301984/1/R3 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 20 december 2012 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 30 januari 2014 heeft de raad het besluit van 20 december 2012 gewijzigd vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de raad de ruimtelijke gevolgen van de door hem beoogde en in het plan opgenomen maximale bouwmogelijkheden van de vier woningen op de percelen Van Duppenstraat 1, 3, 5 en 7 niet heeft onderzocht. Gelet hierop is het besluit van 20 december 2012, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de percelen Van Duppenstraat 1, 3, 5 en 7, genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2. Het beroep van [appellant] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden vernietigd.

3. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak de motivering van het besluit met inachtneming van overweging 7.4 te verbeteren, waarbij de ruimtelijke gevolgen van de in het plan opgenomen maximale bouwmogelijkheden van de woningen op de percelen Van Duppenstraat 1, 3, 5 en 7 worden onderzocht, dan wel het bestreden besluit te wijzigen waarbij de planologische regeling voor deze woningen wordt afgestemd op de bestaande situatie overeenkomstig de uitgangspunten die aan de ruimtelijke onderbouwing van 18 januari 2012, neergelegd in de "Ruimtelijke onderbouwing Van Duppenstraat", ten grondslag zijn gelegd.

4. Bij besluit van 30 januari 2014 heeft de raad naar aanleiding van de tussenuitspraak het plan gewijzigd vastgesteld door ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de percelen Van Duppenstraat 1, 3, 5 en 7 voor de hoofdgebouwen een maximale goot- en bouwhoogte van 6 m onderscheidenlijk 11 m op de verbeelding aan te brengen. Het beroep van [appellant] wordt gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 30 januari 2014.

5. [appellant] voert in zijn zienswijze onder meer aan dat de woningen aan de Van Duppenstraat 1, 3, 5 en 7 op een te korte afstand van zijn woning aan de [locatie] zijn gebouwd, als gevolg waarvan zijn vrije uitzicht en privacy onaanvaardbaar worden aangetast. Het bestaande bijgebouw op het perceel [locatie] ontneemt niet het zicht op de woningen, terwijl de tussenuitspraak dit wel suggereert. Daarnaast voert hij bezwaren aan over het gemeentelijke beleid.

De Afdeling heeft in overweging 7.5 van de tussenuitspraak reeds geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de bestaande situatie van de vier woningen tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat in de vorm van aantasting van de privacy en het vrije uitzicht van [appellant] en een onaanvaardbaar dichte bebouwingsconcentratie leidt. De Afdeling heeft in overweging 7.6 van de tussenuitspraak voorts geoordeeld dat de raad voor de bijgebouwregeling is aangesloten bij het door de Afdeling niet onredelijk geachte gemeentelijke beleid. De Afdeling kan behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet terugkomen op een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Van een zeer uitzonderlijk geval is hier geen sprake, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

6. [appellant] voert aan dat de nieuwe planregeling voor de bestaande woningen zonder motivering is vastgesteld, zodat de raad niet heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak. Gelet op de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen is bovendien niet verankerd dat de bestaande situatie ongewijzigd blijft.

6.1. De Afdeling stelt vast dat de maximale goot- en bouwhoogte voor de woningen op de percelen Van Duppenstraat 1, 3, 5 en 7 zijn aangepast aan de bestaande goot- en bouwhoogten van deze woningen. Gelet hierop is het gebrek in het besluit van 20 december 2012 met het besluit van 30 januari 2014 hersteld. Voorts kan een bestemmingsplan geen beperkende regels stellen ten aanzien van de in artikel 2 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht vermelde categorieën. De Afdeling ziet overigens geen aanleiding voor het oordeel dat de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen zodanig zijn dat dit tot onaanvaardbare gevolgen voor het woon- of leefklimaat van [appellant] zou leiden. Het betoog faalt.

7. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant] tegen het besluit van 30 januari 2014 is ongegrond.

8. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Sint-Oedenrode van 20 december 2012 gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Sint-Oedenrode van 20 december 2012, kenmerk 69/2012, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Sint-Oedenrode Oost", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de percelen Van Duppenstraat 1, 3, 5 en 7;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Sint-Oedenrode van 30 januari 2014 ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Sint-Oedenrode tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Sint-Oedenrode aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.S. Bongertman, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Bongertman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2014

709.