Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:161

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
201310984/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2013 is de termijn van de aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201310984/1/V3.

Datum uitspraak: 17 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 2 december 2013 in zaken nrs. 13/28620 en 13/30015 in de gedingen tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2013 is de termijn van de aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 december 2013 heeft de rechtbank het tegen het voortduren van de bewaring door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard, het tegen het verlengingsbesluit door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2013, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. J.M.C. Vissers, werkzaam bij het ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Bij brief van 15 januari 2014 heeft de vreemdeling verzocht om heropening van het onderzoek.

Overwegingen

1. Bij brief van 15 januari 2014 heeft de vreemdeling verzocht om heropening van het onderzoek. De Afdeling acht hiervoor, mede gelet ook op hetgeen hierna wordt overwogen, geen termen aanwezig.

2. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, staat in afwijking van artikel 8:104, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit of handeling op grond van hoofdstuk 5.

Ingevolge artikel 95, eerste lid, van de Vw 2000 staat, in afwijking van artikel 84, aanhef en onder a, tegen de uitspraak van de rechtbank bedoeld in artikel 94, derde lid, hoger beroep open bij de Afdeling.

2.1. Het door de vreemdeling ingestelde beroep in zaak nr. 13/30015 is een beroep in de zin van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000, gericht tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in het in hoofdstuk 5 opgenomen artikel 59. De uitspraak van de rechtbank van 2 december 2013 is onder meer gedaan op dit beroep en is derhalve in zoverre een uitspraak, als bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Vw 2000. Hiertegen staat, anders dan tegen een uitspraak als vermeld in artikel 95, eerste lid, van deze wet, geen hoger beroep open bij de Afdeling.

2.2. Voor kennisneming van een appel in weerwil van het bepaalde bij artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan grond bestaan, indien sprake is van ernstige schending van de eisen van een goede procesorde, dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. Hetgeen de vreemdeling te dien aanzien heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat daarvan sprake is. De Afdeling is in zoverre onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

3. In de grieven 1 en 3 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zicht op uitzetting naar Ethiopië niet ontbreekt, nu uit de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2013 in zaak nr. 201212018/1/V3 blijkt dat de Ethiopische autoriteiten uitdrukkelijk hebben aangegeven dat voor vreemdelingen die verklaren bereid te zijn terug te keren afgifte van een laissez passer en terugkeer naar Ethiopië mogelijk zijn en gesteld noch is gebleken dat in de opstelling van de Ethiopische autoriteiten verandering is opgetreden.

Daartoe voert de vreemdeling aan dat ondanks een bezoek van een delegatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V) aan de Ethiopische ambassade te Brussel op 24 mei 2012 en een overleg op hoog ambtelijk niveau op 26 november 2012 en ondanks een groot aantal aanvragen om afgifte van laissez passer vanaf 1 januari 2012 tot en met 1 september 2013 door de Ethiopische autoriteiten geen enkele laissez passer is afgegeven aan een in bewaring verblijvende vreemdeling. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is sprake van een verandering in de opstelling van de Ethiopische autoriteiten. Voorts is geen stuk voorhanden waaruit blijkt dat de autoriteiten op 25 juli 2013 een toezegging hebben gedaan dat zij hem een laissez passer verstrekken bij vrijwillige terugkeer, aldus de vreemdeling.

3.1. Ter zitting van de Afdeling heeft de staatssecretaris toegelicht dat tijdens presentaties blijkt dat de Ethiopische autoriteiten zich nog steeds op het standpunt stellen dat zij bereid zijn een reisdocument af te geven wanneer een vreemdeling verklaart vrijwillig te willen terugkeren naar Ethiopië en zijn of haar identiteit en Ethiopische nationaliteit door middel van documenten kunnen worden vastgesteld. Dat gedurende langere tijd geen laissez passer door de Ethiopische autoriteiten aan de Dienst Terugkeer en Vertrek zijn afgegeven voor in bewaring verblijvende vreemdelingen die stellen afkomstig te zijn uit Ethiopië, maakt niet dat het zicht op uitzetting naar Ethiopië ontbreekt, nu het aantal personen met de gestelde Ethiopische nationaliteit dat zich in bewaring bevindt gering is en de meeste, zo niet alle, vreemdelingen van gestelde Ethiopische afkomst niet bereid zijn te verklaren dat zij vrijwillig willen terugkeren naar Ethiopië.

3.2. Dat tot dusver weinig dan wel geen laissez passer door de Ethiopische autoriteiten zijn verstrekt voor in bewaring gestelde vreemdelingen van Ethiopische afkomst maakt, anders dan de vreemdeling betoogt, niet dat niet van het betoog van de staatssecretaris als samengevat onder overweging 3.1. kan worden uitgegaan. Hetgeen de vreemdeling naar voren heeft gebracht biedt geen grond voor het oordeel dat wanneer aan de door de Ethiopische autoriteiten gestelde voorwaarden wordt voldaan geen laissez passer wordt afgegeven.

Dat de vreemdeling weigert mee te werken aan zijn uitzetting maakt, de duur van de maatregel hierbij in aanmerking genomen, niet dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Niet gebleken is dat de door de vreemdeling af te leggen verklaring dat hij bereid is vrijwillig naar Ethiopië terug te keren een zodanige strekking heeft dat het afleggen daarvan verder gaat dan binnen het bestek van de op hem rustende verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten redelijkerwijs van hem zou kunnen worden verlangd.

Nu de staatssecretaris voorts thans beschikt over een kopie van het paspoort van de vreemdeling waarmee zijn identiteit en Ethiopische nationaliteit kunnen worden vastgesteld, bestaat bij deze stand van zaken geen grond voor het oordeel dat het zicht op uitzetting naar Ethiopië bij een actieve en volledige medewerking van de vreemdeling binnen een redelijke termijn ontbreekt.

De grief faalt.

4. Hetgeen door de vreemdeling in grief 2 is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

5. Grief 4 heeft geen zelfstandige betekenis.

6. Het hoger beroep is voor het overige ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen voor zover gericht tegen de aangevallen uitspraak in zaak nr. 13/30015;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

III. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Dokkum

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2014

480-665.