Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1600

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
201310881/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 september 2013, kenmerk RAAD/13/01515, heeft de raad het bestemmingsplan "Witte vlekken" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310881/1/R2.

Datum uitspraak: 30 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

de raad van de gemeente Neder-Betuwe,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2013, kenmerk RAAD/13/01515, heeft de raad het bestemmingsplan "Witte vlekken" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door J. Wildschut, en de raad, vertegenwoordigd door drs. P.G.F. van Gompel, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De raad betoogt dat het beroep voor zover dat is gericht tegen de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterstaatkundige functie" niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu [appellante] dit onderdeel van het bestreden besluit niet in haar zienswijze heeft bestreden.

2. Het beroep van [appellante] voor zover gericht tegen de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterstaatkundige functie" betreffende het perceel [locatie], steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van [appellante] is in zoverre niet-ontvankelijk.

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

4. Het plan voorziet, voor zover hier van belang, in een actuele juridisch-planologische regeling voor het perceel [locatie] te Opheusden waar [appellante] een baksteenfabriek exploiteert.

5. [appellante] betoogt dat het plan leidt tot een rechtsonzekere situatie, nu uit de planregeling onvoldoende kenbaar is welke bebouwing van hoger dan 12 meter is toegestaan. Zij wijst daartoe erop dat in het plan niet is vermeld welke bebouwing met een afwijkende bouwhoogte is toegestaan en dat hiertoe het vergunningenarchief van de gemeente geraadpleegd dient te worden. [appellante] voert aan dat deze planregeling leidt tot een rechtsongelijke situatie, nu voor bebouwing met een standaard bouwhoogte wel kenbaar uit het plan volgt of deze is toegestaan.

[appellante] betoogt voorts dat het plan onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden voor haar bedrijf biedt. Zij voert daartoe aan dat het plan ten onrechte beperkingen stelt aan de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen. De toevoeging van bebouwing is volgens haar niet van invloed op de afvoercapaciteit van de rivier en de aanwezige waterkering.

[appellante] voert daartoe voorts aan dat het plan ten onrechte niet voorziet in grotere bouwhoogten nu een steenfabriek daar behoefte aan zal hebben gelet op de benodigde bebouwing.

6. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan de bestaande situatie vastlegt. Hierbij is uitgegaan van een standaardmaatvoering. Volgens de raad is voor bestaande bouwwerken met een afwijkende bouwhoogte een uitzonderingsregeling opgenomen. De raad acht het onwenselijk, vanwege de ligging van de baksteenfabriek in de uiterwaarden, om in een uitbreidingsruimte van meer dan 10% en een grotere bouwhoogte voor nieuwe bebouwing te voorzien.

7. In de verbeelding is weergegeven dat aan het plandeel betreffende het perceel [locatie] de bestemming "Bedrijf - 1" met de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - baksteenfabriek", "bouwvlak", "maximum bouwhoogte (m) = 12" en "maximum goothoogte (m)= 9" is toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1.1, van de planregels, zijn de voor "Bedrijf - 1" aangewezen gronden bestemd:

a. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten;

[…]

één en ander met bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 6.1.2 opgenomen nadere detaillering van de doeleinden.

Ingevolge lid 6.1.2, onder a, sub 1a, is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - baksteenfabriek" uitsluitend het bestaande baksteenbedrijf toegestaan.

Ingevolge lid 6.2.2, gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:

a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak";

b. de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - baksteenfabriek" mag ten opzichte van het bestaande bebouwingsoppervlakte met 10 procent worden uitgebreid;

c. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte" is aangegeven;

[…].

Ingevolge lid 6.2.5, geldt in afwijking van het voorgaande voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde die zijn of kunnen worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde bouwvergunning ingevolge artikel 40 Woningwet, een voor dat tijdstip gedaan verzoek om instemming met een melding ingevolge (het inmiddels vervallen) artikel 42 Woningwet of een omgevingsvergunning voor het bouwen het volgende:

a. indien en voor zover de bestaande maatvoering, afstanden en/of oppervlaktes van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de voorgeschreven maxima, dan wel minima overschrijden, geldt de bestaande maatvoering als maximum respectievelijk minimum;

b. indien de bestaande situering afwijkt van deze regels, is ook de bestaande situering toegestaan.

8. In de zienswijzennota die tot het bestreden besluit behoort, is vermeld dat wat betreft de maximale bouwhoogte voor nieuwe gebouwen is aangesloten bij de standaardmaatvoering. Teneinde de actuele situatie vast te leggen is voor bestaande hogere bouwwerken een uitzonderingsregeling opgenomen. In de zienswijzennota is voorts vermeld dat agrarisch verwante en buitengebied gebonden bedrijven in het multifunctionele buitengebied een uitbreidingsruimte van 40% wordt geboden. Voor bedrijven die, zoals in dit geval, liggen in het uiterwaardengebied met een hoge landschappelijke- en natuurwaarde is in beginsel 10% aanvaardbaar. Voorts is ten aanzien van de door [appellante] gewenste uitbreidingsmogelijkheden niet gebleken van concrete plannen of schetsen en is geen omgevingsvergunning aangevraagd.

9. Ingevolge artikel 6, lid 6.2.2, aanhef en onder c, in samenhang met lid 6.2.5, aanhef en onder a, van de planregels bedraagt de maximale bouwhoogte voor gebouwen op het perceel [locatie] 12 meter, met dien verstande dat de maximale bouwhoogte voor bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde die hoger zijn en voor de bouw waarvan een vergunning is verleend de bestaande bouwhoogte bedraagt.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze planregeling leidt tot een rechtsonzekere situatie. Uit de voornoemde bepalingen blijkt immers onmiskenbaar dat de bestaande bebouwing die hoger dan 12 meter is en waarvoor een vergunning is verleend, is toegestaan. De omstandigheid dat in de planregels niet is opgenomen welke bebouwing dit betreft, leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het in geval van de baksteenfabriek om een beperkt aantal specifieke bouwwerken gaat. Bovendien is gebleken dat van de drogerij, rookgasreiniger, schoorsteen en mangaansilo een vergunning beschikbaar is. Dat dit niet is gebleken ten aanzien van de eveneens aanwezige zandloods, komt voort uit de omstandigheid dat [appellante] eerst ter zitting melding van dit bouwwerk heeft gemaakt. Voorts overweegt de Afdeling dat, nu op basis van het plan bebouwing met een standaard hoogte alsook de bedoelde bebouwing met een afwijkende hoogte is toegestaan, evenmin grond bestaat voor het oordeel dat deze planregeling leidt tot een rechtsongelijke situatie. Het betoog faalt.

10. De raad heeft bij de vaststelling van het plan als uitgangspunt gehanteerd dat de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van bedrijven in het uiterwaardengebied met maximaal 10% mag worden uitgebreid vanwege de hoge landschappelijke waarde van het gebied en de aanwezige natuur. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang gediend met het beperken van de bouwmogelijkheden in dit gebied, dan aan het gestelde belang van [appellante] bij ruimere uitbreidingsmogelijkheden. De raad heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat niet is gebleken van concrete plannen van [appellante] tot uitbreiding van de baksteenfabriek.

Voorts is gebleken dat de raad wat betreft de maximaal toegestane bouwhoogte heeft aangesloten bij de standaardmaatvoering, met dien verstande dat bestaande bedrijfsbebouwing die hoger is en die vergund is eveneens is toegestaan. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van toestaan van een grotere bouwhoogte ter plaatse van het gehele bedrijfsperceel of een deel daarvan. De Afdeling acht in dit kader van belang dat niet is gebleken dat [appellante] vanwege de bedrijfsvoering van de baksteenfabriek concreet behoefte heeft aan bouwwerken met een grotere bouwhoogte, afgezien van de bestaande bouwwerken. Voorts is gebleken dat [appellante] de afgelopen jaren niet de wens heeft geuit bedrijfsbebouwing met een grotere bouwhoogte te willen realiseren en dat thans evenmin is gebleken van concrete plannen hiertoe. De raad heeft bovendien ter zitting gesteld dat hij indien zich een concreet plan voordoet, dat noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering en ruimtelijk aanvaardbaar wordt geacht, daar in beginsel niet afwijkend tegenover staat. Dit betoog faalt.

11. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover gericht tegen de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterstaatkundige functie" betreffende het perceel [locatie];

II. verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.J.M. Schoonbrood, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Schoonbrood

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014

694.