Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:160

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
201308970/1/R4 en 201308970/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Drentsche Hoofdvaart" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308970/1/R4 en 201308970/2/R4.

Datum uitspraak: 13 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Smilde, gemeente Midden-Drenthe, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B], [maat C] en [maat D], allen wonende te Smilde, gemeente Midden-Drenthe,

appellante,

en

de raad van de gemeente Midden-Drenthe,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Drentsche Hoofdvaart" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

[appellante] heeft de voorzitter verzocht ten aanzien van dit besluit een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 december 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door H. Teijema en R. Ipema, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting gehoord provinciale staten van Drenthe, vertegenwoordigd door A.J. Anema, werkzaam bij de provincie.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Het plan heeft betrekking op gronden die grenzen aan de Drentsche Hoofdvaart. Het plan is consoliderend van aard.

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De voorzitter toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de voorzitter aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de voorzitter aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

4. [appellante], die op haar perceel [locatie] te Smilde een intensieve veehouderij exploiteert, kan zich er niet mee verenigen dat het plan niet voorziet in een vergroting van het aan haar perceel toegekende bouwvlak ten behoeve van het realiseren van een nieuwe stal. [appellante] betoogt dat de raad er ten onrechte vanuit is gegaan dat artikel 3.23, tweede en derde lid, van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (hierna: de Omgevingsverordening) in de weg staat aan een dergelijke vergroting. Daartoe voert zij aan dat in artikel 3.23, derde lid, van de Omgevingsverordening de mogelijkheid is opgenomen om aan het perceel van een intensieve veehouderij een bouwvlak van 2 hectare toe te kennen. De door haar gewenste stal past tezamen met alle andere voor haar bedrijf benodigde voorzieningen binnen een bouwvlak met een dergelijke oppervlakte. Volgens [appellante] bestaat geen aanleiding voor het aanbrengen van beplanting ter afscherming van de beoogde stal, die ingevolge het tweede lid van artikel 3.23 van de Omgevingsverordening onderdeel uitmaakt van het bouwvlak. Zij stelt in dit verband dat de bestaande beplanting bij haar bedrijfswoning niet is aangebracht ten behoeve van de inpassing van het agrarisch bouwperceel. Vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak gaat samen met winst op het gebied van milieu en dierenwelzijn, en de ontwikkeling kan voorts op een verantwoorde wijze landschappelijk worden ingepast, aldus [appellante].

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat artikel 3.23 van de Omgevingsverordening in de weg staat aan vergroting van het bouwvlak op het betrokken perceel. Daartoe voert de raad aan dat alle thans op het perceel aanwezige noodzakelijke voorzieningen reeds zonder landschappelijke inpassing een oppervlakte omvatten van 2,1 hectare.

4.2. Ingevolge artikel 3.23, tweede lid, van de Omgevingsverordening geeft een ruimtelijk plan een intensieve veehouderij een bouwvlak een omvang van maximaal 1,5 hectare, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan.

Ingevolge het derde lid kan een ruimtelijk plan het bouwvlak voor een intensieve veehouderij vergroten tot maximaal 2 hectare, mits dit samengaat met winst voor milieu/dierenwelzijn en een dergelijke ontwikkeling landschappelijk acceptabel wordt ingepast blijkens een landschappelijk inpassingsplan.

4.3. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting was ten tijde van de vaststelling van het plan op het perceel [locatie] te Smilde reeds een bouwvlak als bedoeld in artikel 3.23, tweede lid, van de Omgevingsverordening aanwezig met een oppervlakte van meer dan 2 hectare, zodat reeds hierom artikel 3.23 van de Omgevingsverordening in de weg staat aan de door [appellante] gewenste verdere uitbreiding van het bouwvlak. Het betoog faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2014

375-783.