Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1596

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
201310528/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2013 heeft de deelraad het bestemmingsplan "In Den Gulden Winckel" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310528/1/R6.

Datum uitspraak: 30 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Amsterdam,

2. de vereniging Huurgenoot, gevestigd te Amsterdam,

en

de stadsdeelraad West (thans: de raad van de gemeente Amsterdam),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2013 heeft de deelraad het bestemmingsplan "In Den Gulden Winckel" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en de vereniging beroep ingesteld.

De deelraad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2014, waar [appellant sub 1], de vereniging, vertegenwoordigd door H.F.J. van Veen, en de raad, vertegenwoordigd door R.M. de Graaf, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de stichting Stadgenoot, vertegenwoordigd door J.W.S. Rietdijk.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de deelraad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de deelraad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de deelraad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actueel planologisch kader voor het gebied Gulden Winckel. Het plan voorziet in een aantal nieuwe ontwikkelingen waaronder de herontwikkeling van de zogenoemde Piggelmeewoningen.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen de plandelen met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de percelen van de Piggelmeewoningen aan de Leeuwendalersweg en de Hofwijckstraat. Hij betoogt dat het plan onzorgvuldig is voorbereid. Hiertoe voert [appellant sub 1] aan dat hij bij de deelraadsvergadering waarin het plan is vastgesteld niet de gelegenheid heeft gekregen om te reageren op een brief die hij naar aanleiding van de hoorzitting heeft ontvangen.

3.1. De deelraad stelt zich op het standpunt dat de procedure zorgvuldig is verlopen. Volgens de deelraad is het reglement van orde van de deelraad West van 25 september 2012 (hierna: het reglement) nageleefd.

3.2. Ingevolge artikel 14a, eerste lid, van het reglement kunnen inwoners en belanghebbenden tijdens een deelraadsvergadering inspreken op onderwerpen die voor het zogenoemde "blok mening" van de deelraadsvergadering staan geagendeerd. [appellant sub 1] heeft bij de deelraadsvergadering van 10 september 2013, waarin de zienswijzen op het ontwerpplan zijn besproken, gebruik gemaakt van dit spreekrecht. Het reglement voorziet niet in het recht tot inspreken ten aanzien van tijdens de deelraadsvergadering vast te stellen besluiten. Gelet hierop heeft [appellant sub 1] in overeenstemming met het reglement tijdens de deelraadsvergadering van 24 september 2013 geen spreektijd gekregen. In de door [appellant sub 1] bedoelde brief van 17 september 2013 is beoogd een aantal naar aanleiding van de deelraadsvergadering van 10 september 2013 opgekomen vragen over het plan te beantwoorden. Over deze onderwerpen heeft [appellant sub 1] op de vergadering van 11 september 2013 reeds het woord gevoerd. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de procedure in zoverre onzorgvuldig is verlopen. Het betoog faalt.

4. [appellant sub 1] betoogt voorts dat het verdwijnen van het openbaar groen ten gevolge van de herontwikkeling van de Piggelmeewoningen in strijd is met het Groenstructuurplan West van 17 juli 2012 (hierna: het Groenstructuurplan) dat beoogt het groen in het stadsdeel te beschermen. De afname van het openbaar groen tast volgens [appellant sub 1] de leefbaarheid van de buurt aan. Hij voert daarnaast aan dat in het inspraaktraject van het Stedelijke vernieuwingsplan Bosleeuw-midden 2009 de sloop van de Piggelmeewoningen niet aan de orde mocht worden gesteld.

4.1. De deelraad heeft uiteengezet dat er weliswaar wat groen verloren zal gaan ten gevolge van het plan, maar dat de groenstructuur wordt versterkt. Daarnaast is het plan volgens de deelraad niet in strijd met de uitgangspunten van het Groenstructuurplan. In dit verband wijst de raad erop dat het Groenstructuurplan betrekking heeft op openbaar groen.

4.2. Aan de percelen tussen de Leeuwendalersweg en de Hofwijckstraat zijn de bestemmingen "Wonen" en "Groen" toegekend.

Vaststaat dat de bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen" en de bouwvlakken binnen deze bestemmingsvlakken zijn vergroot ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan "Bos en Lommer oost". Deze vergroting van de bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen" is deels gelegen op gronden waaraan onder het voorgaande plan de bestemming "Tuin-1" was toegekend en deels op gronden waaraan onder het voorgaande de bestemmingsplan de bestemming "Groen" was toegekend.

4.3. In het Groenstructuurplan staat vermeld dat het doel van dit plan is een samenhangende visie op het groen in het stadsdeel te ontwikkelen. Daarnaast beoogt het Groenstructuurplan het bestaande groen te beschermen en waar mogelijk te verbeteren. Het Groenstructuurplan bevat evenwel geen specifieke beschermende maatregelen ten aanzien van het groen in het stadsdeel. Het Groenstructuurplan heeft voorts uitsluitend betrekking op het openbaar groen. De vermindering van de oppervlakte van gronden waaraan de bestemming "Tuin-1" was toegekend, valt, anders dan [appellant sub 1] kennelijk veronderstelt, derhalve niet onder de reikwijdte van het Groenstructuurplan.

In het verweerschrift staat vermeld dat gelet op de gewijzigde verkaveling ter plaatse van de bestreden plandelen een groenverbinding met het naastgelegen Hertspieghelplein wordt gerealiseerd. Hiermee worden de toegankelijkheid en de gebruiksmogelijkheden van het openbaar groen in dit gebied verbeterd, hetgeen in overeenstemming is met de uitgangspunten van het Groenstructuurplan. Voorts is het Hertspieghelplein heringericht met meer openbaar groen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkleining van het openbaar groen ter plaatse van een deel van de Piggelmeewoningen gelet op de verbetering van de totale groenstructuur niet in strijd is met het doel van het Groenstructuurplan. Uit het verweerschrift volgt voorts dat in de Structuurvisie Amsterdam 2040 de hoofdgroenstructuur is vastgesteld. Aan de gronden in het plangebied die deel uit maken van de hoofdgroenstructuur is de bestemming "Groen -1" toegekend. Het betoog faalt.

De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de leefbaarheid van de buurt onevenredig wordt aangetast. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de bestreden plandelen met de bestemming "Wonen" zijn omsloten door gronden met de bestemming "Groen", zodat de percelen een groen karakter behouden en de ruimtelijke uitstraling van de gronden niet wezenlijk verandert. Voor zover [appellant sub 1] heeft betoogd dat de gronden met de bestemming "Groen" door bewoners zullen worden gebruikt als tuin, overweegt de Afdeling dat dit een kwestie is van handhaving die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het betoog faalt.

4.4. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] omtrent het Stedelijke Vernieuwingsplan Bosleeuw-midden 2009, overweegt de Afdeling dat thans het bestemmingsplan "In Den Gulden Winckel" ter beoordeling staat. Bezwaren ten aanzien van het vernieuwingsplan en de totstandkoming daarvan kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Het betoog faalt.

4.5. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van de vereniging

5. Het beroep van de vereniging is gericht tegen de plandelen met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de percelen van de Piggelmeewoningen aan de Leeuwendalersweg en de Hofwijckstraat. Zij betoogt dat de procedure onzorgvuldig is verlopen, omdat één van de indieners van een zienswijze niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze toe te lichten. Voorts zijn vijf ingediende zienswijzen volgens de vereniging niet bij de behandeling betrokken.

5.1. Ten aanzien van het betoog dat één van de indieners van een zienswijze niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze mondeling toe te lichten, staat in het verweerschrift vermeld dat alle indieners van zienswijzen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijzen mondeling toe te lichten en dat de deelraadsvergadering volgens het reglement heeft plaatsgevonden. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding hieraan te twijfelen. Ten aanzien van de vijf zienswijzen die volgens de vereniging niet bij de behandeling zijn betrokken, staat in het verweerschrift vermeld dat deze zienswijzen zijn ingetrokken. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het betoog faalt.

6. De vereniging betoogt voorts dat het plan ten onrechte voorziet in de herontwikkeling van de Piggelmeewoningen. Volgens de vereniging bestaat er geen noodzaak tot herontwikkeling van de gronden. De woningen zijn erg geliefd bij de bewoners en de woningen vormen een onlosmakelijk geheel met de rest van de woningen in het gebied. Zij betoogt voorts dat de maatvoering van de voorziene woningen niet passend is in de omgeving en dat de stedenbouwkundige structuur wordt aangetast. De vereniging vreest voorts voor aantasting van de privacy en schaduwhinder voor omwonenden. Volgens de vereniging is er daarnaast onvoldoende rekening gehouden met de cultuurhistorische waarde van de Piggelmeewoningen. In dit verband betoogt zij dat het advies van het Bureau Monumenten Archeologie (hierna: BMA) niet is opgevolgd.

6.1. De deelraad heeft uiteengezet dat in het stadsdeel west thans vooral kleine woningen zijn gelegen. Door ter plaatse van de gronden van de Piggelmeewoningen grotere woningen mogelijk te maken, wordt beoogd meer variatie aan te brengen in het woningaanbod. Voorts stelt de deelraad zich op het standpunt dat de omstandigheid dat de maatvoering van de woningen in het plan wordt aangepast niet betekent dat de stedenbouwkundige opzet van de wijk wordt aangetast. Volgens de deelraad zal nog steeds sprake zijn van laagbouw. De deelraad heeft daarnaast uiteengezet dat de Piggelmeewoningen niet als monument zijn aangewezen. De herontwikkelingsmogelijkheden prevaleren volgens de deelraad boven de cultuurhistorische waarde van de woningen. In dit verband heeft de deelraad erop gewezen dat de kosten voor het renoveren van de woningen dermate hoog zullen zijn dat die niet opwegen tegen het daarmee te behalen resultaat.

6.2. Aan de percelen tussen de Leeuwendalersweg en de Hofwijckstraat zijn de bestemmingen "Wonen" en "Groen" toegekend. Aan deze gronden met de bestemming "Wonen" zijn voorts de aanduidingen "maximum goothoogte (m)=6" en maximum bouwhoogte (m) =10" toegekend.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen inclusief ruimten ten behoeve van praktijk- of vrije beroepsuitoefening aan huis;

b. bergingen en andere nevenruimten;

c. nutsvoorzieningen;

d. tuinen en erven;

e. verkeerslawaai;

f. afvalinzamelingssystemen;

g. groenvoorzieningen.

Ingevolge lid 14.2, onder 2, aanhef en sub c, gelezen in samenhang met de verbeelding geldt ter plaatse een maximale goothoogte van 6 m en een maximale bouwhoogte van 10 m.

6.3. In de Nota zienswijzen staat vermeld dat met het plan wordt beoogd meer variatie aan te brengen in het woningaanbod in het stadsdeel west. Er bestaat volgens de Nota zienswijzen vraag naar wat grotere woningen en de in het plan voorziene woningen verlichten de druk op deze woningcategorie in het stadsdeel en daarbuiten. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de deelraad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er behoefte bestaat aan de voorziene woningen. Het betoog faalt.

6.4. Het plan voorziet ter plaatse van de bestreden plandelen in woningen met twee bouwlagen en een zadeldak. In de plantoelichting staat vermeld dat de stedenbouwkundige structuur van korte rijen met lage grondgebonden woningen zo veel mogelijk zal worden behouden. De voorziene woningen zullen voorts oost-west georiënteerd worden gerealiseerd. Hiermee wordt beoogd aan te sluiten bij de bestaande stedenbouwkundige hoofdstructuur. In de Nota zienswijzen staat voorts vermeld dat in de nieuwe situatie de tuinen op een vergelijkbare wijze worden aangelegd. Voorts blijft een groot deel van het openbaar groen rond de woningen in tact. Uit de verbeelding volgt verder dat de afstand tot de bestaande woningen minimaal 10 m blijft. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de deelraad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de maatvoering van de voorziene woningen de stedenbouwkundige structuur van de wijk niet zal aantasten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat voor een groot deel van de bebouwing in de omgeving een maximale bouwhoogte van 15 m geldt. Het betoog faalt.

De vereniging heeft gelet op de maximale goothoogte van 6 m en de maximale bouwhoogte van 10 m voorts niet aannemelijk gemaakt dat de privacy van omwonenden zal worden aangetast. Evenmin is aannemelijk geworden dat de voorziene woningen zullen leiden tot ernstige schaduwhinder voor omwonenden. Uit de verrichte bezonningsstudie naar de gevolgen van de wijziging van de bouwhoogte van de woningen voor de schaduwwerking volgt dat uitsluitend op 21 december sprake is van extra schaduwwerking op de eerste verdieping van de omliggende bebouwing. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de deelraad deze bezonningsstudie niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Het betoog faalt.

6.5. BMA heeft onderzoek verricht naar de cultuurhistorische waarden van het plangebied. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Cultuurhistorische verkenning en advies" van 2012 (hierna: het rapport). In het rapport staat vermeld dat de Piggelmeewoningen, gelet op de vormgeving, cultuurhistorische waarde hebben. Vast staat evenwel dat de woningen niet zijn aangewezen als monument. In het verweerschrift staat vermeld dat de deelraad een groter gewicht heeft toegekend aan de belangen die zijn gemoeid met de herontwikkeling van het gebied dan aan de cultuurhistorische waarde van de woningen. In dit verband heeft de raad uiteengezet dat er in het stadsdeel West een groot tekort is aan grotere woningen en dat het plan derhalve voorziet in de behoefte aan dergelijke woningen. Ter zitting heeft de deelraad voorts uiteengezet dat indien het financieel haalbaar zou zijn geweest het de voorkeur van de deelraad zou hebben om de woningen te behouden. Uit bouwkundig onderzoek volgt evenwel dat de Piggelmeewoningen zeer verouderd zijn en er grote investeringen nodig zijn om de woningen te renoveren. Deze investeringen zijn, mede gelet op de zeer beperkte omvang van de woningen, volgens de raad niet rendabel. De vereniging heeft het vorenstaande op zichzelf niet bestreden. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de door de deelraad gemaakte afweging onredelijk is. Daarbij is van belang dat zoals reeds overwogen onder 6.4 de stedenbouwkundige structuur van de Piggelmeewoningen in het plan zo veel mogelijk is behouden. Overigens heeft de ontwikkelaar toegezegd dat de gevelstenen van de Piggelmeewoningen zo veel mogelijk in de gevels van de nieuwe woningen zullen worden verwerkt. Het betoog faalt.

7. Het beroepschrift van de vereniging, voor zover dat ziet op de passages omtrent de klankbordgroep uit 2006, is identiek aan hetgeen de vereniging in de zienswijze naar voren heeft gebracht. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. De vereniging heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

8. De overige aangevoerde gronden hebben betrekking op onderwerpen die het bereik van het bestreden besluit te buiten gaan. Deze gronden kunnen dan ook niet leiden tot vernietiging van dat besluit.

9. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Brand, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Brand

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014

575.