Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1588

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
201308663/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2013 heeft het CvZ aan de stichting € 50.010,00 subsidie verleend voor de verbouwing van de receptie in haar kliniek in Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2014-0157

Uitspraak

201308663/1/A2.

Datum uitspraak: 30 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting CASA Klinieken, gevestigd Den Haag,

appellante,

en

het College voor Zorgverzekeringen, thans: Zorginstituut Nederland (hierna: het CvZ),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2013 heeft het CvZ aan de stichting € 50.010,00 subsidie verleend voor de verbouwing van de receptie in haar kliniek in Den Haag.

Bij besluit van 3 september 2013 heeft het CvZ het door de stichting hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de stichting beroep ingesteld.

Het CvZ heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2014, waar de stichting, vertegenwoordigd door G.A. van Herk, lid van de raad van bestuur van de stichting, en het CvZ, vertegenwoordigd door mr. M. Mulder en E. Koops, beiden werkzaam bij het CvZ, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: de AWBZ) kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat het CvZ overeenkomstig in die regeling gestelde regels subsidies verstrekt voor zwangerschapsafbrekingen in de zin van de Wet afbreking zwangerschap, overtijdbehandelingen en aan beide behandelingsvormen verbonden nazorg.

Ingevolge artikel 2.11.13, eerste lid, van de Regeling subsidies AWBZ zijn op een aanvraag voor nieuwbouw of verbouw van een abortuskliniek de beleidsregels "Bouwvoorschriften College zorgverzekeringen abortusklinieken" (hierna: de beleidsregels) van toepassing.

2. De stichting heeft bij brief van 12 oktober 2012, aangevuld bij brief van 3 januari 2013, subsidie aangevraagd voor onder meer de kosten van de verbouwing van de receptie van de abortuskliniek CASA in Den Haag tot een totaal bedrag van € 64.540,67. Dit bedrag bestaat uit verbouwingskosten van € 54.177,75 en directiekosten van € 10.362,92.

Bij besluit van 20 februari 2013, gehandhaafd in bezwaar bij besluit van 3 september 2013, heeft het CvZ de stichting voor de verbouwing van de receptie een subsidie van € 50.010,00 toegekend, waarvan € 6.142,00 voor directiekosten. Het CvZ heeft zich daarbij gebaseerd op de adviezen van TNO van 31 januari 2013 en van 25 juli 2013. Volgens TNO is op de verbouwing van de receptie het normatieve investeringsbedrag voor een ingrijpende aanpassing van gebouw en installaties van toepassing, zijnde 50% van de investeringskosten voor nieuwbouw. Gezien de kleinschaligheid van de verbouwing, is TNO echter uitgegaan van het hoogste normbedrag van 65%. Voorts is geadviseerd de directiekosten te bepalen op 14% van de normatief toegestane bouwkosten. TNO heeft de maximaal te vergoeden bouwkosten berekend op € 50.010,00, inclusief BTW en directiekosten. Nu de verbouwing van de receptie duurder is dan kan worden bekostigd, is het aan de stichting om de verbouwingskosten te verlagen dan wel aanvullende financiering te vinden, aldus het CvZ.

3. De stichting betoogt dat het CvZ bij de subsidieverlening ten onrechte is uitgegaan van het normatieve investeringsbedrag van 65% van de investeringskosten voor nieuwbouw. Zij voert aan dat het CvZ aanleiding had moeten zien om in afwijking van deze norm een hogere subsidie toe te kennen. Zij voert aan dat de beleidsregels zijn bedoeld voor het verbouwen van een kliniek als geheel en dat in dit geval een klein gedeelte van de kliniek wordt aangepast dat bovendien een knooppunt van elektronische en werktuigbouwkundige installaties is. De aanpassing van dit onderdeel is naar verhouding veel kostbaarder dan het aanpassen van andere onderdelen van het gebouw, aldus de stichting.

3.1. In de beleidsregels is onder 4.2 over de investeringsruimte bij verbouwing bepaald dat indien het verbouwingsbudget de grens van 65% van het nieuwbouwbudget overschrijdt, zal worden gevraagd naar een vergelijkende kostenstudie tussen verbouw en nieuwbouw. Voorts bevat 4.3 een regeling voor de investeringsruimte bij huur. De prijs-kwaliteitverhouding van het eindresultaat van de renovatie moet steeds worden afgewogen ten opzichte van de prijs-kwaliteitverhouding van nieuwbouw. Bij het verbouwen van een gebouw hanteert TNO als uitgangspunt voor een (normatieve) beoordeling van een renovatieproject drie percentages van de normbedragen bij nieuwbouw. Deze bedragen zijn onderscheidenlijk:

-20% voor een opknapbeurt met kleine aanpassingen;

-50% voor een ingrijpende aanpassing van het gebouw en installaties; en

-65% voor een ingrijpende aanpassing van het pand en buitenschil (gevels en daken).

Deze percentages geven de bandbreedte van de intensiteit van de renovatie. Een globale beschouwing moet uitkomst bieden welke van de genoemde percentages gehanteerd wordt. Als de huur- en renovatiekosten overeenkomen met of hoger uitvallen dan de kosten voor vervangende nieuwbouw, kan als alternatief een andere locatie worden overwogen.

3.2. Uit de beleidsregels kan worden afgeleid dat een verbouwing waarvoor subsidie wordt gevraagd een verantwoorde investering moet zijn, in die zin dat de verbouwingskosten voldoende lager moeten zijn dan de kosten voor vervangende nieuwbouw. TNO beoordeelt een renovatieproject en adviseert op basis van de mate van ingrijpendheid van de verbouwing welk percentage van de normbedragen voor nieuwbouw dient te worden gehanteerd. Volgens de beleidsregels zijn drie percentages mogelijk, te weten 20%, 50% en 65%. Weliswaar kan het CvZ ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht van deze beleidsregels afwijken, maar de stichting heeft geen omstandigheden aangevoerd die voor het CvZ aanleiding hadden moeten zijn om een hogere subsidie toe te kennen dan de op basis van de 65% norm toegekende subsidie. Het CvZ heeft in dit geval, in navolging van het advies van TNO van 31 januari 2013, de verbouwing van de receptie aangemerkt als een ingrijpende aanpassing van het gebouw en installaties waarvoor de norm van 50% geldt, maar heeft in de kleinschaligheid van de verbouwing aanleiding gezien om uit te gaan van het hoogste percentage van 65% dat geldt voor een ingrijpende aanpassing van het pand en buitenschil, zoals gevels en daken. Gelet hierop heeft het CvZ voldoende rekening gehouden met het door de stichting beschreven kleinschalige karakter van de verbouwing en de receptie als knooppunt van elektronische en werktuigbouwkundige installaties.

Het betoog faalt.

4. De stichting betoogt evenzeer tevergeefs dat het CvZ voor de directiekosten ten onrechte is uitgegaan van 14% van de normatief toegestane bouwkosten en de werkelijke directiekosten als uitgangspunt had moeten nemen. In de beleidsregels zijn de directiekosten niet afzonderlijk genoemd als subsidiabele verbouwingskosten. Het CvZ heeft ter zitting toegelicht en door de stichting is niet weersproken dat een subsidie voor een verbouwing een lumpsum bedrag is, dat mede is bestemd voor de directiekosten. Dit betekent dat indien in dit geval zou worden uitgegaan van de in de aanvraag gestelde hogere directiekosten, het totale subsidiebedrag niet hoger zou zijn dan thans is toegekend.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Jansen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014

609.